Het ongewone van Anglo-Nederlands proza

I K MEENDE me te herinneren dat in Terug tot Ina Damman van Vestdijk Anton Wachter in de eerste klas van de hbs heel sterk met ezelsbruggetjes werkte....

Het een onthouden om het ander te kunnen onthouden. Misschien is wat wij ons herinneren wel een prachtige ezelsbrug naar wat wij ons echt willen herinneren: de eigen zelfbeleefde werkelijkheid. Wie om zijn gedetailleerde geheugen wordt geprezen, weet zelf al te goed dat hij hulpmiddelen memoriseert. De stelling valt te verdedigen, dat hoe groter je verbeelding is, des te slechter je geheugen. Je onthoudt een heel andere wereld dan de historische. Misschien begint daarmee het schrijverschap. En omdat Anton Wachter al in Terug tot Ina Damman een geboren schrijver is, moet ik een passage over ezelsbruggetjes aan hem of aan Vestdijk hebben toegedacht. De brug gaat dan ten slotte in omgekeerde richting: je onthoudt Lahringen om op Harlingen te kunnen komen.

De superieurste ezelsbrugconstructie is het memory-palace. Een volledig denkbeeldig gebouw, waarvan elk onderdeel, tot de inrichting toe, ertoe dient datgene wat je moet onthouden geordend in het geheugen terug te roepen. In de geest beweeg je je door het gebouw en een wereldbeeld of een wetenschappelijk stelsel begint in je hoofd vorm te krijgen. Je moet natuurlijk wel heel goed het gebouw onthouden! Het gebruik ervan kan bewijzen dat het visuele geheugen sterker wordt geacht dan de andere wijzen waarop het geheugen werkt. Een van de aardigste memory-bouwsels kan een bibliotheek zijn. De ogen dwalen langs de wanden en het zien van een boek roept de inhoud ervan in het geheugen, misschien zelfs tijd en omstandigheden waarin het gelezen is. Soms kan ik mij iets dat ik heb gelezen niet herinneren. Ik loop naar de boekenkast en onderweg naar het boek (dat ik zie staan) weet ik het ineens. Maar Terug tot Ina Damman bedroog mij!

Er is waarschijnlijk niets dat zo voor verkeerde doeleinden wordt gebruikt als kunst. Al is het maar om voor jezelf een heel andere werkelijkheid dan de verbeelde op te roepen. Hoe vaak worden gedichten niet geciteerd of gelezen om iets anders zichtbaar te maken. De tekst als een palimpsest: je leest om iets onzichtbaars eronder terug te lezen. Soms vraag ik me af, hoe vaak we eigenlijk met de dingen an sich bezig zijn!

D E WEKELIJKSE rubriek van Sarah Hart, 'Postscriptum', in de boekenbijlage van Vrij Nederland, heet deze week 'Wasmand'. Het stukje heeft alles te maken met geheugensteunen en geheugenwerking. Het begint met een opmerking van Claran Carson, in diens The star factory. Die opmerking gaat over Coleridge, die onder invloed van laudanum meende dat woorden die hij schreef door hun eigen wil op papier verschijnen; 'alles wat deze ganzenveer doet is ze volgen.' Carson vermeldt dat hij Coleridge's gedachten noteerde op de onbeschreven zijde van een blauwe aanvraagbon van de Centrale Biblioteek van Belfast, zijn woonplaats. Op het papiertje weet hij nu niet de hand te leggen. En hij vraagt zich af hoeveel van zulke notities op dezelfde manier ingegaan zijn in de onvindbaarheid.

Hij schreef het op om het te onthouden. Het bleek nodeloos, want hij heeft onthouden! (Zelfs het papier waarop hij schreef). Het is wel mooi te schrijven over de nodeloze spijt dat je iets kwijt bent. Sarah Hart gaat in op het raadsel van het verdwijnen van zulke briefjes. Ook zij blijkt ten gerieve van het geheugen op losse papiertjes notities te maken. Ze blijft het doen, al verdwijnen de papiertjes kennelijk. Ik houd wel van die nutteloze bezigheden. Soms vindt ze er een terug en weet dan niet goed meer, waarom ze een bepaalde tekst of uitspraak heeft genoteerd. Een fragment uit een gedicht van Seamus Heany kwam laatst weer tevoorschijn. In dat citaat staat weer een citaat van Katherine Mansfield (er wordt veel geciteerd in het citeren): 'I will tell/ How the laundry basket squeaked'. Zij heeft het knipsel al meer in handen gehad en zich steeds voorgenomen de passage bij Katherine Mansfield op te zoeken. Maar dat blijkt ineens niet meer nodig. Zij weet hoe de wasmand piepte. En met de beschrijving van de wasmand roept zij vervolgens iets van haar jeugd op. De wasmand als ezelsbruggetje; ons geheugen kan niet anders werken. Carsons maakte lijstjes om het verleden terug te roepen. Alsof hij eruit verbannen was (het woord 'verbanning' komt ook in het gedichtfragment voor). Sarah Hart heeft ooit nóg iets genoteerd over verbanning. Een tekst van Nathaniel Hawthorne over leven tussen twee landen. Het is goed niet tussen de twee te blijven hangen; ga terug of ga nooit terug, anders heb je bijna niks meer. Zij is het vandaag met die uitspraak niet eens: 'ik kan mijn aantekeningen verliezen of ze nooit gemaakt hebben, maar het piepen van iemand anders wasmand is nog steeds in staat het kunstje te volbrengen'.

Het aardige is dat met de notities op de papiertjes hetzelfde gebeurt als met dingen die wij willen onthouden: ze verdwijnen. Het geheugen maakt ook van alles zoek. En als je de hoop hebt ooit alle papiertjes terug te vinden, is die even ijdel als de hoop op een plotselinge volheid van het geheugen met vergeten zaken. En wat die ballingschap (lijkt me beter dan verbanning) betreft: Sarah Hart merkt op, dat Carson zijn lijstjes maakt om het verleden terug te roepen, 'alsof hij er uit verbannen was'. 'Toch woont hij nog steeds in Belfast', voegt ze eraan toe. Maar iedereen is toch balling van zijn eigen verleden. Er is ballingschap in de tijd en in de ruimte. De herinnering aan de wasmand is beide.

H ET STUKJE 'Wasmand' verdient, denk ik, de hier gegeven aandacht, want het is naar vorm en inhoud in heel veel opzichten typerend voor het werk van Sarah Hart, dat behalve in Vrij Nederland ook in NRC Handelsblad verschijnt (in de laatste krant heeft zij een veertiendaagse tuinrubriek, 'Buitenlust'). Een net verschenen keuze uit dat werk kan het bewijzen.

Allereerst heeft zij een even grote als ongewone belezenheid; zij is een meester in het citeren. Het citaat is veelal uitgangspunt en heeft dan vaak dezelfde uitwerking als het gepiep van de wasmand: het brengt een hele wereld aan herinneringen op gang. De stukjes verlopen ogenschijnlijk grillig, maar er is een even speelse als hechte samenhang tussen de delen: het ene is vaak bijna metaforisch voor het andere. Een citaat is niet alleen gangmaker, maar vat ook samen en het kan de herinnering zelf worden. Dat geldt ook voor woorden. Men kan niet anders zeggen dan dat haar herinneringen taal en literatuur zijn geworden, haar werkelijkheid. Wat wordt gelezen (althans wat wij daarover krijgen te lezen) is ten eigen bate gelezen. Of dat blijkt later zo. Boeken kunnen ook gidsen zijn in omstandigheden, of plaatsen waarmee ze niets te maken lijken te hebben.

In de bundel valt het woord 'verbanning' nergens. Maar expliciet wordt de ballingschap zichtbaar in het stukje 'Not waving but drowning' (waarin de schitterende zin: 'het moet een eenzame functie zijn, bestuurder van een ammoniaktrein.'). Het gaat over herinneringen aan treinen in Ierland en vooral treinen die niet stoppen. De voorlaatste alinea begint zo: 'En nu, ver van het land mijner vaderen en de treinen die daar krioelen, en ook ver van Parijs, dat een vrij lang oponthoud is geweest in mijn levenstraject, heeft zowaar de geschiedenis zich herhaald en mij opnieuw neergezet op een plek waar de treinen niet stoppen.' De schrijfster staat op een tochtig Nederlands perron. De wachtenden wordt meegedeeld dat direct een trein zal passeren. Ze dienen iets achteruit te gaan. Daar komt een Belgische locomotief 'uit de regen' het station binnenrazen. Zij leest de borden: de trein naar Parijs, afkomstig uit Amsterdam. Het is een in de literatuur vertrouwd beeld (Tsjechov!): in de trein gaat het geluk voorbij. Jij blijft achter. Dit zijn de laatste woorden: 'voor een ogenblik werd ons een blik gegund op het werkelijke leven, maar nu zijn we weer in de buitenste duisternis'.

Daar zal geween zijn en geknars van wielen. Maar daar merken we niets van. Het mooie is, dat de eigen levensloop als een treinreis wordt beschreven. Ze lijkt gestrand op het Nederlandse perron in wind en regen. En overal wordt een taal gesproken die de hare niet is, maar waarin zij nu wel publiceert!

S ARAH HART is Anglo-Iers van afkomst. Maar een groot deel van haar jeugd woonde ze in Engeland. De eerste - aardige - ballingschap en een vaderland in de verte. De helft van de bundel heeft Ierland als onderwerp, de andere helft Parijs, waar zij twintig jaar woonde. De stukjes over Ierland acht ik de boeiendste, de volste ook, niet het minst door aanwezigheid van zo veel boeken en landkaarten, die toch ook boeken zijn: de autobiografie van een streek of stad. Je leest kaarten trouwens ook. In beide delen gaat het om herinneringen. Ze zijn vaak zeer feitelijk en precies, maar toon en taal en details (en de citaten) laten de andere kant van het geheugen door: die van de beleving. Stukken over Ierse plaatsnamen zijn zonder meer schitterend, maar ze zullen des te beter herinnerd worden door de groeiende betekenis die ze op afstand in tijd en ruimte krijgen. Plaatsnamen en woorden, - de dictionaire van de balling.

Zij schrijft in het Engels (de stukken werden vertaald door Rudy Kousbroek), maar zij schrijft in Nederland en voor een Nederlands publiek. Ook daardoor kan ze zich veel meer herinneren dan voor een Iers of Frans lezerspubliek mogelijk zou zijn, veel meer citeren ook. Nederland zelf komt er weinig in voor, maar het is voor de lezer voortdurend aanwezig, zo sterk, dat hij zich aan het einde van het boek ook een balling gaat voelen.

De stukken zijn typisch Engels van geest, van opzet ook, niet het minst vanwege de citeerkunst. (Natuurlijk wordt de eigen literatuur op afstand van het land ook rijker en voller.) En toch zijn het geen Engelse stukken; noem ze 'Anglo-Nederlands'. In elk geval: in het Nederlandse rijk der columns zijn ze ongewoon, en dat ook kwalitatief.

Een der boeiendste stukken heet 'John Homeward'. Centraal staat een boek van Paul Fussell, The great war and modern memory. (Daar is het geheugen weer.) Het aan het front meestgelezen boek was The Oxford book of English verse, samengesteld door Sir Arthur Quiller-Couch ('Q'), verschenen in 1910. Herinneringen aan of directe verwijzingen naar de lectuur daarvan komt veel in proza en poëzie over die oorlog voor. Men herkende eigen ervaringen in de woorden van oudere dichters; men zag ze daar verwoord. Fuller heeft dat allemaal uitgezocht. Sarah Hart maakt de vergelijking met oudere Chinese poëzie, waarin heel veel verwijzingen naar oudere poëzie werden meegedicht. (Nu moeten alle woorden worden opgezocht.) In het boek van Fuller moet zij haar eigen omgang en verwerking van literatuur hebben herkend. Wat is belezenheid? Een grote hoeveelheid losse zinnen, die voor jou zijn geschreven en samen jouw leven blijken te beschrijven. Als je gaat schrijven, komen ze vanzelf uit het geheugen tevoorschijn. De 'notities' zijn niet zoek! Wie weet hoeveel er nog aan verwijzingen in de stukken verborgen is. In elk geval: de literatuur is de mooiste brug naar de eigen werkelijkheid, voor sommigen ook de enige.

Wellicht is het te begrijpen dat Sarah Hart achter haar Nederlandse huis een tuin aanlegde, waarvan haar lezers het hele scheppingsproces en de latere geschiedenis hebben kunnen volgen. Het moet haar derde vaderland zijn. Zelf gecreëerd als het Ierland en het Parijs uit haar stukken.

Sarah Hart, Gehuurde wereld. De Harmonie, Amsterdam, * 27,50

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden