Kunstrecensie Biënnale van Venetië

Het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië: instant-iconen en een lekker visueel ritme ★★★★☆

The Measurement of Presence, Iris Kensmil en Remy Jungerman. Beeld Gerrit Schreurs

‘De Olympische Spelen van de kunst’ wordt de Biënnale van Venetië vaak genoemd: zaterdag opent de grootste internationale tentoonstelling ter wereld voor de 58ste keer. Bij de negentig landententoonstellingen is het vechten om de aandacht en daarom lijkt het devies: hoe gekker, hoe beter. Dus bestaat de presentatie van Oekraïne dit keer uit een vrachtvliegtuig vol kunst dat donderdag over Venetië vliegt. Litouwen maakte met 35 ton zand een binnenstrand elders in de stad.

En Nederland? De Nederlandse tentoonstelling is zo gek nog niet. In het lichte paviljoen van Gerrit Rietveld ziet de kunst van Remy Jungerman (1959) en Iris Kensmil (1970) er gewoon uit als kunst. Behoorlijk bovenmaats, zeg gerust loeigroot, maar redelijk vertrouwd in materiaal en stijl. 

Wat is de biënnale?
De Biënnale van Venetië is een tweejaarlijkse megatentoonstelling. De eerste editie vond plaats in 1895. Naast de landententoonstellingen is er elk jaar een grote thematische tentoonstelling. Die van dit jaar is samengesteld door Ralph Rugoff (directeur van de Londense Hayward Gallery) en heet May You Live in Interesting Times. Naar de vorige kunstbiënnale kwamen meer dan 615 duizend bezoekers.

Jungermans installaties van beschilderde houten latten, hinten naar De Stijl. Zijn kleurenpalet is niet zo strikt als Piet ‘zwart-wit-rood-geel-blauw’ Mondriaan en Jungerman gebruikt ook wol, klei, stof en spijkers, maar de geometrische patronen zijn goed te herkennen. Kensmil schildert grote portretten die frontaal en fotografisch zijn en soms doen denken aan de schilderijen van Gerhard Richter, Luc Tuymans, of Wilhelm Sasnal. En er zitten geometrische vlakken achter en doorheen, geleend van Kazimir Malevitsj en – daar is-ie weer – Mondriaan.

Met een twist

Een beetje retro dus, deze tentoonstelling? De argeloze bezoeker zou zelfs kunnen denken: tikkeltje conservatief. Maar dit is modernisme met een twist. Beide kunstenaars bevragen de eenzijdige witte kunstcanon. ‘Transnationaal’ noemt curator Benno Tempel (directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag) de presentatie vanwege de onderwerpen en de achtergrond van de kunstenaars: beiden hebben een Surinaamse achtergrond en woonden een deel van hun leven in Suriname. 

Kensmils portrettengalerij doet een appel op de toeschouwer. Door de indringende, onderzoekende blik van Claudia Jones bijvoorbeeld, door de oogopslag van Amy Ashwood Garvey en die van Hermina Huiswoud, de zwarte intellectuelen en activisten die zij hier in verf bijeenbracht. Vrouwen die volgens Kensmil niet vergeten mogen worden en die ze daarom als instant-iconen afbeeldde. 

Deze vrouwen noemt Kensmil ‘utopisten’ en daarom combineert ze hun portretten met elementen uit de moderne kunst. Door die herhaling van geometrie loopt er een lekker visueel ritme door de tentoonstelling.

Iris Kensmil, The New Utopia Begins Here #1, 2019. Beeld Gerrit Schreurs

Jungerman voelt zich aangetrokken tot De Stijl omdat het gebruik van geometrische patronen door die kunstbeweging hem doet denken aan de patronen op schouderdoeken uit rituelen van de Winti-godsdienst. Zijn installaties in het paviljoen zitten bomvol verwijzingen: naar Winti dus, naar de geschiedenis van Nederland en Suriname en naar Stanley Brouwn (zie kader). Boven zijn grootste installatie, geïnspireerd op een Winti-offertafel, hangen sculpturen als luchtschepen. De rasters verwijzen hier naar het grid van de plantages op Suriname. Jungerman, zo vermeldt de zaaltekst, vraagt via de installatie alle voorouders van Nederland, uit ­Nederland, Suriname, Indonesië en elders, om ‘positieve energie voor onze gezamenlijke toekomst’.

De tentoonstelling is daarmee bepaald niet retro, maar nogal actueel. Net als in de vorige presentatie in het Nederlandse paviljoen, van Wendelien van Oldenborgh, komt onze koloniale geschiedenis aan bod. Een hot topic. Zie bijvoorbeeld deze maand de verhitte historische discussies op opiniepagina’s naar aanleiding van een tentoonstelling in het Haagse Mauritshuis. 

The Black Archives

Kensmil werkte (net als Van Oldenborgh in 2017) samen met de Amsterdamse organisatie The Black Archives, die ijvert voor het aanleggen van een archief van de onderbelichte geschiedenis van zwarte mensen in Nederland. Internationaal proberen kunsthistorici ook een inhaalslag te maken waar het gaat om zwarte mensen in de kunst. Zo is er nu in Parijs een grote tentoonstelling te zien die de Franse schilderkunst opnieuw bekijkt aan de hand van de zwarte modellen.

Die missie, de eenzijdigheid van de kunstgeschiedenis bevragen, heeft ook haar weerslag in museumcollecties. Het San Francisco Museum of Modern Art biedt volgende week bij Sotheby’s in New York een doek van Mark Rothko aan. Met de tientallen miljoenen dollars die dat ene doek oplevert, wil het museum kunstwerken aankopen die de collectie ‘diverser’ maken en ‘kunsthistorische gaten’ vullen, zoals het Baltimore Museum of Art vorig jaar ook deed. 

Interessant aan de strategie van Jungerman en Kensmil is hoe zij de verbeelding en het modernisme inzetten voor hun eigen verhaal. Zo leidt dit hot topic tot zo’n mooie tentoonstelling. De grote, verdroogde rivierbedding die Jungerman maakte past bij de terrazzo-vloer. Het Venetiaanse zonlicht lijkt te strijken langs de gezichten op de portretten van Kensmil. Niet zo opvallend als een vrachtvliegtuig of kunstmatig strand, dit Nederlandse paviljoen, maar het verdient zeker de aandacht. 

Zonder Stanley Brouwn
Aanvankelijk zou in de tentoonstelling in net Nederlands paviljoen in Venetië werk van drie kunstenaars te zien zijn, namelijk ook van Stanley Brouwn (1935-2017). Kort na de bekendmaking van dit plan maakte de weduwe van Brouwn echter bezwaar. Daarom werd de tentoonstelling aangepast: zonder Brouwn en met meer ruimte voor Kensmil en Jungerman. Deze aanpassing kwam het Mondriaan Fonds, dat de selectieronde voor de Biënnale organiseert, en de jury op kritiek te staan van critici en van kunstenaars en curatoren die ook in aanmerking waren gekomen voor de tentoonstelling

Waarom de weduwe van Stanley Brouwn het plan niet zag zitten, is niet bekendgemaakt. Brouwn, die in de jaren vijftig uit Suriname naar Nederland verhuisde, had zeer specifieke ideeën over hoe zijn minimalistische, conceptuele kunst moet worden bekeken. Bij uitzondering nam hij deel aan thematische tentoonstellingen en zijn biografie liet hij liefst buiten beschouwing. Voor Kensmil en Jungerman is Brouwn een belangrijke figuur. Allebei hebben ze een deel van hun presentatie ingericht met kunstwerken die naar hem verwijzen.

Beeldende kunst

Iris Kensmil en Remy Jungerman: The Measurement of Presence. Giardini, Biënnale van Venetië, 11/05 t/m 24/11.

4 sterren

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden