Het Nederland van de Haagse School

Doorweekt, doorwaaid, veel wolk, af en toe een beetje blauw, maar kloteweer eigenlijk. Ziehier de erfenis van de Haagse School. Waar we nu ook kijken, we zien nog steeds het Nederland van toen.

Jacob Maris: Bomschuit (1878). Beeld Gemeentemuseum Den Haag

Gelukkig, het hangt er: Maris' Kalveren bij een trog (1863). Vier, vijf, nee: zes kalveren bij een drinkbak in wat wel de mooiste geschilderde ochtendnevel uit de 19de eeuw moet zijn. En zie: daar is ook kalfje nummer zeven. Van rechts komt het aangelopen. Nou ja, lopen. Eigenlijk is het meer schuifelen. Wankel, op onvaste pootjes. Een zoet detail, die verkreukelde strompelaar. Op Holland op z'n mooist - ligt het aan mij of klinken veel recente tentoonstellingtitels als zaterdagavondfamilieshows bij SBS? - de grote dubbeltentoonstelling in het Dordrechts Museum en het Gemeentemuseum Den Haag, is het een van de schaarse anekdotische momenten.

Wat die tentoonstelling betreft: die is prachtig, niet te missen, en dan vooral het deel in Den Haag. Dat komt door de opzet, die cultuurhistorisch van aard is, met veel oog voor de biotoop van Haagse Scholers, en ook door de presentatie. Een bloedmooie vormgeving in een slim parcours waarbij de kleine zijkabinetten van het Haags Gemeentemuseum handig worden gebruikt voor allerhande vignetten, zoals schetsjes, fotografie, een woordenlijst van contemporaine schilderstermen, een film, een parfum et cetera - de interpunctie van de tentoonstelling.

Vergeleken daarmee oogt de Dordrecht-presentatie, die het begin van het verhaal vertelt, met veel oog voor Franse voorlopers als Corot en Rousseau, en de Dordtenaar Scheffer, een tikje degelijk. Evengoed: de exposities vullen elkaar aan. Ze vertellen het Haagse School-verhaal integraal.

Brandstof

Fascinerend is het decor waartegen dat verhaal plaatsvond: het 19de- eeuwse Nederland, een pre-industrieel overgangsland, permanent in transitie. Binnen enkele decennia onderging het een metamorfose. De stadspopulaties groeiden en dus ontstonden er moestuinen aan de stadsranden. De stoomtrein maakte zijn opwachting en dus werd het land overdekt met een weefsel van spoor. Er was groeiende behoefte aan brandstof: in Drenthe werden veenderijen afgegraven.

Het beeld van de natuur zelf veranderde. Dat gold niet langer als louter bedreigend, een plek om in te verdwalen of je hersens te laten inslaan door roverstuig, een bron van levensmiddelen op z'n best; de natuur verwerd tot een plek die in haar ongecultiveerde schoonheid gekoesterd en beschermd diende te worden. Men ging er wandelen. Heimans en Thijsse maakten er Flora en Fauna-boekjes over. Later zou de Vereniging Natuurmonumenten over haar waken. De Haagse Scholers bevonden zich aan de periferie van zulke ontwikkelingen; zij namen er kennis van en beeldden het af.

Willem Maris: Kalveren bij een trog (1863). Beeld Gemeentemuseum Den Haag

Kunstenaarskolonie

Hun verhaal kun je op verscheidene plekken laten aanvangen en voor alle valt iets te zeggen. Ben je internationaal georiënteerd, dan laat je het bijvoorbeeld beginnen in het Franse Barbizon, nabij Fontainebleau, waar vanaf de jaren dertig van de 19de eeuw schilders als Corot en Rousseau voor het eerst in de open lucht werkten. Zoek je het dichter bij huis, dan is Oosterbeek aan de Veluwezoom een niet te missen plek.

Daar ontstond in navolging van de Barbizonners en onder het zachtmoedige mecenaat van schrijver Johannes Kneppelhout, enkele decennia later een volwaardige kunstenaarskolonie - de eerste van ons land. Mannen als Johannes Bilders en Willem Roelofs, die zelf in Barbizon had gewerkt, zetten er hun ezels op om studies te maken voor doeken die nog altijd in het atelier werden voltooid.

Realisme

Wat hen onderscheidde van eerdere generaties was makkelijk te zien: hun realisme. Men wilde het Hollandse landschap niet schilderen hoe het er uit had moeten zien, maar hoe het er daadwerkelijk uitzag. Ergo: groen, grijs, nat, soms begroeid, vaker kaal en - de Veluwezoom en die paar heuvels in Zuid-Limburg daargelaten - zo plat als een heksentiet. 'Een molen, een stuk grond en de lucht. Dat is alles en meer is niet nodig', schreef de Fransman Theophile Thoré waarderend over Roelofs schilderijen, en het waren precies die molen, dat stuk grond en die lucht waar diens navolgers zich de volgende jaren op stortten. Ze voegden er regen, nevel, mist en atmosfeer aan toe. Dat was het vliedende element, Weissenbruchs vaak geciteerde 'klap van de natuur'.

Hun manier van schilderen herken je direct. De Roelofs-adepten werkten tonaal, schetsmatig, weinig idealiserend, los van romantische conventies. Niet het gloedvolle en tekenachtige van een Koekoek of Schelfhout, maar denkend vanuit het totaalbeeld, de synthese. Anekdotiek beperkten ze tot een minimum. Sprekende details: je moest ze met een lantaarntje zoeken. Doorwerkt impressionisme - dat was hun doel. Een paar vlekjes wit op zwart voor een koe, een los opgeborsteld tapijt van parelgrijze en witte vegen voor de lucht. Een ritmische afwisseling van suggestieve partijen - ziedaar, de Haagse School.

Die term werd gemunt door de criticus J.J. Santen-Kolff. Dat was in 1875, en rond die tijd stonden de individuele leden op het punt van doorbreken. Eenieder had z'n specialiteit. Mauve deed in schapen, Willem Maris in koeien, Jacob Maris was de man van de molens, Weissenbruch: het strand. Ze oogstten succes. De Haagse Scholers namen posities in in kunstverenigingen en genootschappen; hun werk werd aangekocht door verzamelaars in binnen- maar eerder nog in het buitenland: de Verenigde Staten, Engeland, Schotland. Hun naamsbekendheid lijkt van grote invloed te zijn geweest op de beeldvorming van de Lage Landen overzees. Er bestaat, zo kun je betogen, een verband tussen de landschappen van de Haagse School en de stereotypen rond Nederland als land van molens en polders.

Jacob Maris: Slatuintjes bij Den Haag (c.a. 1878). Beeld Gemeentemuseum Den Haag

Honorarium

Eén familienaam is meer dan welke dan ook verbonden aan deze tendens: Maris. Drie broers, allen schilder. Willem noemde ik al, Matthijs was een moeilijk geval, rest Jacob (1837-99). Die gold een tijdje als de succesvolste van alle Haagse Scholers. Als jonge vent was hij een ondernemende figuur. Op z'n 23ste kreeg hij een opdracht van de dochter van koning Willem I. Het honorarium verboemelde hij in de voornoemde kolonie bij Oosterbeek. Later zat hij in Parijs. 1871 kwam. De Commune vocht tegen het regeringsleger. Al snel daarna keerde Maris terug naar Den Haag, alwaar hij genrestukken met Italiaanse meisjes, zijn vroegere specialisme, verruilde voor de beroemde stads- en zeegezichten. Op de tentoonstellingen herken je ze onmiddellijk: flinke doeken, stemmig, op het sikkeneurige af.

Vaak tonen ze een stad met oranje dakpannen, grauwe gevels en wat mosachtig groen, alles neergezet in afgekloven toetsen. Bijna altijd is ergens een molen of toren te bekennen. De horizon is laag. De luchten zijn onstuimig en imposant. Veel wolk, veel grijs, parelmoer van toon, duifachtig ook wel, nu en dan een zweem van blauw. Kloteweer, eigenlijk. Zie je zo'n lucht, dan doe je snel de gordijnen weer dicht.

Bomschuiten

Zo ook in het schilderij Bomschuit (1878), een fijne portie regenachtige Hollandse ellende. Die bomschuiten waren een typisch Schevenings fenomeen. Dat plaatsje had geen haven en daarom werden de kielloze vaartuigen na de vangst zo het strand op geloodst; alwaar ze ter plekke werden uitgeladen. In de winter werden ze naar hogere en dus veiliger oorden gesleept. Daar kwamen paarden aan te pas. Rond 1900 was het over. Scheveningen kreeg een haven, de visafslag kwam aan wal; voortaan zou het strand toebehoren aan toeristen en andere badgasten - de bomschuiten waren verworden tot maritieme museumstukken. Hier nog niet. Toen Maris aan het strand stond te schetsen, waren ze nog onmisbaar.

En dus zien we zo'n schuit, als een aangespoelde potvis: boeg, mast en touwen weerspiegeld in het doorweekte zand; op de achtergrond staat een dapper schelpenvissertje tot z'n knieën in de golven. Het zilte, het winderige, het gevoel van zon die tevergeefs op een duimendik wolkendek loopt te trommelen - het is allemaal zo goed getroffen, dat je haast vergeet dat het überhaupt getroffen is, dat het heus geen toeval is dat de lucht achter het puntje van de mast net iets witter is, dat zo'n rimpelige spiegeling in het zompige zand een effect is waar je echt wel eventjes op moet studeren.

En dan het water. Hoe raak is die alles doordrenkende vochtigheid! Oud Rijks-directeur Henk van Os noemde het laantje van Mauve ooit het natste schilderij ter wereld, maar toen was deze Bomschuit waarschijnlijk net uit z'n gedachten geglipt. Doorweekt is het, dit doek, doorweekt en doorwaaid, door Maris alles perfect aanschouwelijk gemaakt. Het enige dat ontbreekt, is de geur van vis.

Wie schilderde waar?

De naam is verneukeratief; de Haagse School werkte heus niet enkel rond Den Haag. Ook in Nieuwkoop, Wolfheze, Zuid-Kennemerland, IJdoorn en het onvolprezen Botshol kwamen schilderijen tot stand. En daar houdt het niet op. In de eerste ruimte van de tentoonstelling in Den Haag wordt op een zaal-vullende kaart bijgehouden waar precies werd geschilderd. Constateert u een ontbrekende locatie: contacteer het museum. En ja, er valt een prijs te verdienen.

Overproductie

Het officiële verhaal wil dat dit en ander Haagse School-werk rond 1920 op z'n retour was. Door overproductie in de klad geraakt, afgekloven door minder talentvolle epigonen, uit de artistieke frontlinie geëlleboogd door symbolisten en stippelaars en lijnentrekkers en wat al meer. Dat haar onderwerp, het 19de eeuwse Nederland, dat nu zo aandoenlijk ouderwets ogende land van stroomtreinen en dampende koeien aan de slootkant, zelf weer veranderde. Dat het werd volgebouwd met bedrijventerreinen, later ook met drive-in-fastfood ketens - als gezegd, zo gaat het officiële verhaal.

De directe observatie leert iets anders. Maris' wolken zijn onze wolken. De sfeer van zijn landschappen laat zich immer navoelen. Kijkt u op een regenachtige dag tussen Leiden en Heemstede-Aerdenhout uit uw treinraampje, dan ziet u een wereld die hardnekkig zijn best doet op een Haagse School-schilderij te lijken. Dat is hun nalatenschap. Dat is hun kracht.

Holland op z'n mooist
Op pad met de Haagse School
Gemeentemuseum Den Haag, t/m 30/8.

Het voorjaar van de Haagse School
Dordrechts Museum, t/m 6/9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden