Het mooiste altaarstuk van Nederland is na 450 jaar terug in Alkmaar

En vraag vooral hóé

Het mooiste altaarstuk van Nederland hoort in Alkmaar. In de Grote Kerk. Weelderig, miljoenen waard, onvervangbaar. En (tragisch, maar dat had zo z’n redenen) verkocht aan de Zweden. Na 450 jaar is het eindelijk terug.

Linköping, Zweden. 10 April, 2018. Het ontmantelen en inpakken van het Laurentius-altaarstuk van Maarten van Heemskercken voor de tijdelijke tentoonstelling van het meesterwerk in de Grote Kerk van Alkmaar. Beeld Pascal Vossen

Ook voor Steven – ‘Steef’ – Roersma is het moment ­suprème daar. Met het hoofd in de nek en toegeknepen ogen bedient hij het kastje voor zijn middel. Hoog in de kerk, onder de kruisvormige gewelven, beweegt iets dat zijn concentratie behoeft. Is het een vogel, is het een vliegtuig?

Maniëristisch schilderij

Het is het linkerluik van misschien wel het indrukwekkendste maniëristische schilderij uit de Noordelijke ­Nederlanden: Maarten van Heemskercks (1498-1574) Laurentius-altaarstuk. Olie op paneel, een geschatte waarde van tientallen miljoenen, kwetsbaar, onvervangbaar. Het is ­i­ngepakt in een constructie van sjorbanden die hangen aan de hijskraan van het zogeheten ‘spinnenkarretje’, een veelpotig voertuig op wielen, alarmerend oranje en op afstand bestuurbaar. Straks zal Steef het paneel laten zakken, om het met een soepele draaibeweging in een kist met schuimrubber bekleding te manoeuvreren. Eerst, echter, moeten de scharnieren er nog worden uitgehamerd. Daarnet, bij de koffie, ging het daar al over: ‘Steef, die scharnieren zijn nog wel een dingetje, hè.’

Steef knikte peinzend, toen. Ja, die scharnieren waren nog wel een dingetje.

Dit had plaats op een gemeen koude ochtend in april in de Domkerk van het Zweedse Linköping (spreek uit: Liensjeuping), provinciehoofdstad met krap honderdduizend inwoners zo’n tweehonderd kilometer ten zuiden van Stockholm. Een barok preekgestoelte en kale wanden – het interieur is een ratjetoe van stijlen. De verdwaalde toerist treft er een modern altaar dat eruitziet als het decor van een jarenzeventigmusical, iets met astrale lichamen en zonnekinderen, en hoort van tijd tot tijd een onwennige versie van Daar komt de bruid: kerkorgelles, junioren. Wandelt hij vervolgens naar de zuidkant van het koor dan treft hij het Laurentius-­altaar, schuilgaand achter steigers en omringd door geel gehelmde mannen: Steef en zijn vier collega’s, allen in dienst bij Hizkia Van Kralingen, collectiebeheer en kunsttransport. Wat hij ook treft, is een Alkmaarse delegatie onder wie Stedelijk Museum Alkmaar-conservator Christi Klinkert en Grote Kerk-directeur Peter Blaauboer.

500 jaar

Zij zijn naar Linköping afgereisd om de laatste fase te aanschouwen van een project dat hen al vijf jaar bezighoudt. Het is geïnitieerd door datzelfde Stedelijk Museum Alkmaar en diezelfde Grote Kerk, die dit jaar 500 jaar bestaat. Het is een project waarbij paneelexperts, kunstrestaurators, transportadviseurs, burgemeesters en kerk-dekenen betrokken waren.

En het is een operatie met een duidelijk doel: de zijluiken van Maarten van Heemskercks piece de résistance tonen op de plek waarvoor ze bedoeld waren: het koor van de Alkmaarse Grote Kerk. Een half jaar lang. In gesloten positie. In een speciaal daarvoor gebouwd frame, opdat men voor- en achterkant kan zien. Twee verloren zonen die bij hoge uitzondering even thuiskomen. Een écht meesterwerk in de Kerk.

Linköping, Zweden. 10 April, 2018. Het ontmantelen en inpakken van het Laurentius-altaarstuk van Maarten van Heemskercken voor de tijdelijke tentoonstelling van het meesterwerk in de Grote Kerk van Alkmaar. Beeld Pascal Vossen

Het is een fijn staaltje roomse poppenkast. Alleen al de schaal van het altaarstuk doet je een stap achteruit zetten. In geopende staat meet het zes bij acht meter, waarmee het twee keer zo breed en anderhalf keer zo hoog is als Rembrandts De Nachtwacht, en met recht het grootste altaarstuk uit de Nederlanden kan worden genoemd. Het middenpaneel en de binnenzijden van de zijluiken tonen episodes uit het lijdensverhaal, waaronder de doornen-kroning (het moment waarop Christus door zijn beulen een kroon van doorntakken wordt opgezet), ecce homo (waarop hij door de Romeinse consul Pontius Pilatus in spotmantel en met kroon en andere koninklijke attributen aan een Joodse menigte wordt getoond), de kruisiging en wederopstanding.

De Heilige Laurentius

Op de buitenzijden van de luiken zijn fragmenten verbeeld uit het leven van de Heilige Laurentius, patroonheilige van de Grote Kerk. Hij deelt kerkschatten uit aan de armen en wordt geroosterd op een vuurtje. Wat direct opvalt: de staat waarin zulke schilderingen verkeren. Die is uitstekend, zo op het eerste gezicht. De kleuren zijn intens, gloeiend haast, de verf lijkt gisteren nog aangebracht. Pas als je dichterbij komt, zie je de gehavende plekken, de loslatende planken, de duimdikke kieren tussen paneel en lijst. Het is een fraai in de kleren gestoken, maar gammele, oude reus, dit Laurentius-altaarstuk. Dat Steef en zijn collega’s zijn vleugels heelhuids naar Alkmaar krijgen – het lijkt geen uitgemaakte zaak.

Buiten breekt de zon door. Ongenadig klettert het licht de kerk binnen. Tegenlicht.

‘Ed, kun jij het zonnetje even uitzetten?’

‘Ik doe wel even een gordijntje dicht, Steef.’

Nieuwbouw

Zon, kerkvensters – denk het ‘spinnenkarretje’ weg en je komt dicht bij de tijd toen het altaar gemaakt werd: de jaren dertig van de 16de eeuw. De Alkmaarse Grote Kerk was toen nog nieuwbouw. Slechts twintig jaar eerder was ze opgeleverd en sindsdien hadden rijke Alkmaarse families zich op de aankleding van het interieur gestort als een stel rijke starters op hun eerste koopwoning. Eerder al waren enkele gewelven opgesierd met schilderingen, verrezen er twee indrukwekkende orgels en een gotisch koorhek; nu restte slechts de kroon op het decoratieve programma, een altaarstuk voor het hoogaltaar. Uiteraard moest dat iets bijzonders worden. Qua formaat en prestige diende het te kunnen wedijveren met luisterrijke werken in naburige gebedshuizen zoals de Oude Kerk in Amsterdam en de Sint-Salvator Kerk in Utrecht.

Groots, vernieuwend en spectaculair – dat wilden de Alkmaarders.

Alleen, wie kon zo’n klus klaren?

Veel gegadigden waren er niet, in 1537. Amsterdams ­finest, Jacob van Oostsanen, was net overleden. Leidens ­finest, Lucas van Leyden, lag ook al onder de grond. Cornelis Buys? Te middelmatig. Jan van Scorel? Gestationeerd in Utrecht, en dus onpraktisch. Cornelis van Haarlem? Nog niet geboren. Nee, rijk gezaaid waren ze niet, de schilders met een groot talent en dito atelier. Eigenlijk was er slechts één gegadigde: Maarten van Heemskerck uit Haarlem.

Portret- en bijbelschilder

Hij liep tegen de 40, een kundig, leergierig en ambitieus portret- en bijbelschilder. Glas-in-loodramen ontwierp hij ook. Zijn jonge jaren zijn een mysterie. Kunstenaarsbiograaf Van Mander dist een anekdote op over Van Heemskerck de boerenzoon die melk morst waarna zijn vader hem met onnavolgbare boerenlogica naar de schilders stuurt (‘Melk verspild?! Ga verven, jij lummel!’) – een zwetsverhaal. Over de volwassen Maarten weten we meer. Assistent van de voormalige Italië-ganger Jan van Scorel, studiereis naar onder meer Rome; deken van het Haarlemse Sint-Lucasgilde; Kerkmeester van de Sint-Bavo. Een ‘buon maestro di figure e paere’, aldus de schilder en eerste kunsthistoricus Giorgio Vasari. Aan naamsbekendheid ontbrak het hem niet.

Linköping, Zweden. 10 April, 2018. Het ontmantelen en inpakken van het Laurentius-altaarstuk van Maarten van Heemskercken voor de tijdelijke tentoonstelling van het meesterwerk in de Grote Kerk van Alkmaar. Beeld Pascal Vossen

Stilistisch was hij vernieuwend, de eerste echte Hollandse maniërist. Op Van Heemskercks mutjevolle bijbel-voorstellingen ging het er allemaal net wat wilder aan toe, net even dramatischer. Zijn fel uitgelichte, druk gebarende figuren droegen hun kleding zo strak om hun lijven dat ze gebodypaint leken. En wat voor een lijven! Bij Van Heemskerck werd het Italiaanse knikkerzakideaal naar de ­Hollandse polder gehaald. Iedere pees schilderde hij nadrukkelijk; ook de heel kleine, ook de niet-bestaande. Het was artistiek spierballenvertoon. Men werd geacht ervan onder de indruk te zijn, en vermoedelijk was dat ook zo.

In de nationalistische 19de eeuw raakte Van Heemskerck uit de gratie. Zijn opgeschroefde stijl gold nu als te gemaakt, te Italiaans, kortom: te on-Nederlands. Onder kunsthistorici is het sindsdien bon ton om Van Heemskerck te bashen, met glansrollen voor prominenten als Friedländer (‘agressief’), Hoogewerff (‘aanmatigend en griezelig, van kleur koud, vaal en klam tegelijk’) en Freedberg (‘onaangenaam, kunst waarin alles op een extreme manier uit zijn voegen barst). Toen de kerkvaders hem de opdracht gaven was zijn reputatie echter nog vlekkeloos.

Goed gedocumenteerd

Het aardige is: deze opdracht is uitzonderlijk goed gedocumenteerd. Zo weten we wie de initiators waren (priester Jheronimus Jansz en zijn rijke neefje, de jonge kerkmeester Dirck van Teijlingen), dat zij aanzienlijke inspraak hadden in ontwerp en figuren, dat rijke patriciërs en geestelijken geld inlegden om een plekje in het werk te bemachtigen, en dat Van Heemskerck voor de totale productie 725 gulden ontving, plus jaarlijks 24 gulden lijfrente. Voorts weten we dat Maarten het middenstuk ter plekke in de Grote Kerk in Alkmaar schilderde, maar de zijluiken in zijn Haarlemse atelier, en dat hij altijd keurig op tijd leverde. Dat de wijn die men nuttigde tijdens het tekenen van de contracten voor de rekening van de kerkmeesters kwam, weten we ook.

Wat deze kerkvaders is huis haalden zal hen verrast hebben – ten goede of ten kwade. Het fonkelnieuwe altaarstuk was druk en vol op een manier die voor de Noordelijke Nederlanden ongekend was. Het had niet het harmonieuze en luchtige van een Jan van Scorel; de figuren erop waren ­opeen gedrukt als concertgangers in een moshpit, hun lichamen gedraaid in onnatuurlijke, aapachtige pose’s, hun koppen soms akelig grimassend.

Sommigen waren evident geïnspireerd op de schilderingen en beelden die Van Heemskerck in Rome zag (de geroosterde Laurentius lijkt op Michelangelo’s Adam uit de Sixtijnse Kapel; de gegeselde Christus is een kopie van de met slangen worstelende Trojaanse priester Laocoön uit de gelijknamige beeldengroep), maar dat maakte het altaarstuk er niet toegankelijker op. Zelfs voor de meest ruimdenkende, progressieve kerkganger moet het een acquired taste zijn geweest. Vervelen deed het geenszins.

Linköping, Zweden. 10 April, 2018. Het ontmantelen en inpakken van het Laurentius-altaarstuk van Maarten van Heemskercken voor de tijdelijke tentoonstelling van het meesterwerk in de Grote Kerk van Alkmaar. Beeld Pascal Vossen

Beeldenstorm

Lang plezier heeft men er niet van gehad. In 1566 laaide de Beeldenstorm op en begonnen godsdienstfanatici religieuze kunst aan diggelen te slaan, een lot dat Van Heemskercks altaarstuk slechts bespaard bleef doordat de opdrachtgevers inmiddels prominente protestanten waren. Zes jaar later ging de Grote Kerk definitief over in protestantse handen en werd het Laurentius-altaarstuk een steen des aanstoots. Te nadrukkelijk katholiek om te negeren en te groot om te verbergen, werd het verkocht aan de handelaar Albart Nolleman via wie het, al dan niet bedoeld (het zou vracht zijn geweest op een op Novgorod koersend schip) terechtkwam bij koning Johan III van Zweden.

Welke route legde het af? We kunnen slechts een educated guess doen. Allereerst zou het per beurtveer (klein vrachtschip) vervoerd zijn van Alkmaar naar Amsterdam, toen de voornaamste havenplaats voor luxegoederen. Vanuit Amsterdam werd het vervolgens tussen de zandbanken van de Zuiderzee door genavigeerd. Daarna: de Wadden, de Noordzee, het Kattegat, de Sont, de Oostzee. Bij Norr­köping, aan de Zweedse Oostkust, werd het overgeheveld naar een binnenschip. Zo bereikte het ten slotte de Domkerk van Linköping waar het tot 1812 figureerde op het hoogaltaar, waarna het belandde op zijn huidige plek in de buurt van de koorgang.

Een publiekstrekker is het daar allesbehalve. De plaatselijke priester gebruikt het in preken, en vergelijkt de kolkende massa erop graag met onze lawaaiige en dolgedraaide wereld (en Christus’ verstilde gezicht met de sereniteit die het geloof zou brengen) en de plaatselijke kinderrondleidster benut het als zoekplaatje, maar dat de Linköpinger zich koestert in de nabijheid van een meesterwerk: eh, nee. Het altaarstuk fungeerde als een dienstbaar devotioneel object, niet als museumstuk.

En toen waren daar de Alkmaarders.

In 1996 al organiseerden zij Maerten in Cyberspace, een kunstproject waarbij in Linköping gemaakte foto’s van het werk werden gescand en via die wonderlijke nieuwe weg, het internet, naar de kaasstad werden gestuurd, alwaar zij werden geprint en op een staketsel werden gehangen – duizenden Alkmaarders liepen er naar verluidt voor uit. Later, met 500 jaar Grote Kerk in het verschiet, wilde men the real deal, de echte Maarten. Men ging omzichtig te werk. Bezoekje van de directeur van Stedelijk Museum Alkmaar hier, vriendelijk onderhoud met respectievelijk de beheerder en officiële eigenaar van het werk daar. Langzaam liepen de Zweden warm voor het plan. In 2017 liet men een plaatselijke restaurator een conditierapport maken.

Daarin, vertelt Stedelijk Museum Alkmaar conservator Christi Klinkert, stond goed en slecht nieuws. Het slechte nieuws: het middenstuk was te kwetsbaar om te reizen. Er liep een scheur dwars door de bovenste planken. Wilde men het vervoeren, dan diende men die eerst te restaureren. Zo niet, dan was er een kans dat het bij het vervoer in tweeën zou breken. Het goede nieuws: de luiken mochten wel van huis. Ze zaten weliswaar los in een lijst die zelf krom trok over de diagonaal, scheluw heet dat in timmermansjargon, maar ze waren good to go: ‘Toen ik dat hoorde treurde ik niet meer om het middendeel. Ik was té blij met die luiken.’

De vraag was alleen hoe ze te verplaatsen. Voor een antwoord reisden in de zomer van 2017 verscheidene experts naar Linköping: Klinkert zelf, Edwin Koster van Hizkia Van Kralingen plus medewerkers, en de Vlaamse paneeldeskundige Jean-Albert Glatigny. Aanvankelijk stelde men voor de luiken staand in een diepligger over een bruggenvrije route vervoeren, maar daarbij keken de Zweedse collega’s, die nog geen bruikleen hadden toegezegd, zo benauwd dat besloten werd de luiken op hun kant te transporteren – conditioneel gezien ook meer verantwoord. Bruikleengever overtuigd, kerkmeesters overtuigd. Nu stond niets het transport nog in de weg, toch?

Linköping, Zweden. 10 April, 2018. Het ontmantelen en inpakken van het Laurentius-altaarstuk van Maarten van Heemskercken voor de tijdelijke tentoonstelling van het meesterwerk in de Grote Kerk van Alkmaar. Beeld Pascal Vossen

Toch wel.

Serieuze twijfels

Afgelopen februari had de paneelexpert opeens serieuze twijfels of de operatie wel door kon gaan. Tijdens een laatste consult was gebleken dat de lijsten ingrijpender waren vervormd dan gedacht. Wanneer ze los zouden worden gemaakt van het middendeel zouden ze terug kunnen springen in hun oorspronkelijke staat waarna de schildering eruit zou glijden als een dronkelap van zijn barkruk. Crisis in de tent. Daarop bedacht het team van Hizkia Van Kralingen, wederom present, een oplossing: de luiken zouden worden neergehaald in een band-constructie die druk uitoefende op de vervormde delen van de lijst, een provisorisch korset, opdat de vervormingen intact bleven.

Aan Steef en de andere transporteurs om dit plan nu tot een goed einde te brengen.

Spannend? Welnee. De heren hebben voor hetere vuren gestaan. De Lairesses orgelluiken in de Amsterdamse Westerkerk – dát was spannend. Bij doorvraag blijken ze toch wel onder de indruk. Vooral Steef, de man in charge, had er slapeloze nachten van. In een eerder leven zat de ­Hagenees op een hijskraan en plantte hij windmolens in het Westland – nu brak hij zich het hoofd over hoe twee kwetsbare luiken in een kist te krijgen zonder de grond te raken. Met papieren miniatuurluikjes met elastieken bandjes oefende hij met een collega de geplande manoeuvres. Maar ja, een papiertje is één ding; een houten zijluik van tweehonderdvijftig kilo is iets heel anders.

'Vingers!'

‘Vingers!’, klinkt het vanaf de steiger.

Een pin wordt uit een scharnier gehamerd.

‘Vingers!’, klinkt het opnieuw.

Kling – daar gaat scharnier numero twee.

Van een afstandje slaat Ulrika Sköld, assistent van de deken van de Dom, de vorderingen gade. Haar gezicht staat zorgelijk. Al zo’n dertig jaar kent ze het altaarstuk, dus ja, een beetje nerveus is ze wel. Misschien wel meer dan een beetje, geeft ze toe. Bloednerveus. ‘Zo nerveus dat ik vanochtend de code van de deur van de koffiekamer niet meer wist .’ Wil ze zeggen dat ze de operatie niet ziet zitten? ‘Oh, nee, het is geweldig dat men in Nederland het werk straks kan bekijken; goed voor de naamsbekendheid van Linköping ook.’ En toch: ‘Het is een goede dag wanneer het terug is.’

‘Vingers!’

Nu is ook het laatste scharnier los. Als een gebroken armpje hangt het luik in het ‘korset’. Ondersteund door vele handen en zo traag dat het amper lijkt te bewegen wordt het naar beneden gehesen, draait een kwartslag, en valt dan opeens uiteen in een tiental stukken, sorry, flauw: en verdwijnt in de transportkist. De uitvoering: vlekkeloos. Nog geen kraakje heeft geklonken. Steef, glunderend: ‘Dit is kickuh joh. Dat je het bedenkt en dat het dan lukt… dat is… kickuh.’ Later op de middag staat het middendeel er aandoenlijk geamputeerd bij (zonder vleugels doet het denken aan de Venus van Milo) en zijn beide luiken ingepakt. Morgen zullen ze naar Kopenhagen worden gereden en vandaar verder naar Alkmaar. Christi Klinkert: ‘Ik ben een sucker voor herenigingen. Als die luiken straks bij ons staan, sluit ik niet uit dat er een paar tranen zullen vloeien.’

Thuiskomst van een meesterwerk, Grote Kerk Alkmaar en Stedelijk ­Museum Alkmaar, 21/4 t/m 7/10.

Verantwoording

Voor de passage over contracten is geput uit: Liesbeth M. Helmus, Schilderen in opdracht: Noord-Nederlandse contracten voor altaarstukken 1485-1570, Centraal Museum.

De vermoedelijke route van het ­altaarstuk werd uitgezocht door ­Georgine van der Lugt, medewerker van Stedelijk Museum Alkmaar. 

Beeldenstorm

In het laat 16de-eeuwse, calvinistische Nederland gold beeldenverering als een zonde. Kerken werden gezuiverd van sculpturen en altaarstukken. ­Eerder al hadden zogeheten beeldenstormers in erupties van religieus gemotiveerde vernielzucht menig klerikaal pronkstuk naar de filistijnen geholpen. Kunstminnende burgers probeerden zulke werken, van onder anderen Van Leyden en Van Heemskerck, te redden door ze naar wereldse locaties te brengen.

Staand of liggend vervoeren?

Op de kant of staand vervoeren: wat is het minst schadelijk? Het hangt af van de planken waaruit het altaarstuk bestaat, hun ligrichting. De onderlinge druk moet zo laag mogelijk blijven. Lopen de planken verticaal, dan vervoert men het altaarstuk het beste staand. Lopen ze horizontaal, zoals bij het Laurentius-altaarstuk, dan is op z’n kant de beste positie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.