Achter het boek Nicolien Mizee

‘Het moet absoluut kloppen, dat móét. Het leidt af als het niet klopt’

Hoe schrijft de schrijver? Nicolien Mizee, wier Moord op de moestuin sinds anderhalve maand de bestsellerlijsten domineert, over geloofwaardigheid en het nut van een meelezer.

Nicolien Mizee, schrijfster van boek Moord op de moestuin. Beeld Ivo van der Bent

Op dinsdag 26 februari 2019 rond half acht ’s avonds verliet Nicolien Mizee het zwembad van Velserbroek. Een dag eerder was haar eerste kleinkind geboren, een nogal licht kindje, dus had Mizee de hele dag zorgelijk haar telefoon in de gaten gehouden en ook nu, wandelend naar de parkeerplaats, haalde ze hem snel uit haar tas.

‘Ik zag dat John Reid had gebeld, de rijdende rechter maar ook de man van een vriendin van mij. Oh gód, dacht ik, er is iets met Judith. Dus ik belde hem terug en vroeg (zet lage, invoelende stem op): ja John, met mij – is alles goed? Het was ijskoud, ik had een nat chloorhoofd. John begon te roepen: MATTHIJS HOUDT JE BOEK OMHOOG! MATTHIJS HOUDT NÚ JE BOEK OMHOOG! OOOH JE ZULT ZIEN HOE GOED HET GAAT VERKOPEN!!’ Boek van de Maand bij DWDD: nee, ik zag het niet aankomen. Ik zit nu aan de vierde druk.’

Wie is Nicolien Mizee?

Nicolien Mizee (1965) debuteerde in 2000 met Voor God en de Sociale Dienst. Haar tweede roman Toen kwam moeder met een mes werd in 2004 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. In 2017 en 2018 verschenen haar faxen aan scenarioschrijver Ger Beukenkamp in boekvorm en in februari werd haar nieuwste boek Moord op de moestuin gekozen tot boek van de maand bij DWDD. Mizee is docent proza aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze is getrouwd en heeft een kat.

In onderstaande aflevering van onze podcast Met Groenteman in de kast schoof Nicolien Mizee aan bij Gijs in de archiefkast.

Zwemmen: doet u dat vaker?

‘Ja, elke week want ik zit op zwemles. Ik werd steeds banger voor water, ik kon alleen de schoolslag, duiken durfde ik nooit en gewoon in het water springen trouwens ook niet. Volgende week moet ik door het gat.’

Wie heeft de titel van uw boek bedacht?

‘O, die had ik meteen.’

Moord op de moestuin, heet het boek – waarom op?

‘Het is op. Het is niet in. ‘Ik ben op de tuin’, zeg je. Op school, op de tuin. Zo heet dat.’

Maar als het nu om je eigen achtertuin gaat?

‘Heel goeie vraag, daar heb ik nooit over nagedacht. Dan is het in.’

Moord op de moestuin is een detective. Eerder schreef Mizee vijf romans, waarvan er een (Toen kwam moeder met een mes) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. In 2017 en 2018 verschenen bij Van Oorschot De kennismaking en De porseleinkast, bundelingen van de faxen die ze sinds de jaren negentig aan haar voormalige schrijfdocent en scenarist Ger Beukenkamp stuurt. Moord op de moestuin is spannend, ontzettend grappig en barst van de mooie zinnetjes. Neem deze: ‘Over onze wereld heen stond die van de vogels, de planten en de insecten. Levende wezens die ons zien als wij hen niet zien, die naderbij komen of vluchten, zonder mening of oordeel.’

Mizee: ‘Dat was een heel moeilijke zin. Omdat het gauw tuttig wordt, zo van: wat goed van die beesten en planten dat ze geen oordeel hebben! Nee, ze kúnnen dat gewoon niet.’

Ook mooi: ‘Ik was altijd diep onder de indruk van misplaatst zelfvertrouwen’, een zin die wordt uitgesproken tijdens een begrafenisscène, wanneer iemand die niet kan zingen dat toch gaat doen, ‘maar zijn stem was licht en onvast, als een vlinder in de storm.’

Hoe bedenkt u zo’n scène?

‘Die zat allang in mijn hoofd, ik heb zoiets ooit meegemaakt. Wat ik erbij heb gehaald, om te kijken hoe hij het doet, is Gerald Durrells verhaal Mijn familie & andere beesten. Ken je dat?’

Nee.

‘Och kind, dat is zo geestig. Gerald Durrell, nooit van gehoord?’

Nee.

‘Een tophit uit de jaren zestig. Agatha Christie noem ik altijd als een van mijn voorbeelden, en Kurt Tucholsky omdat dat zo fijn literatuurderig klinkt, maar mijn derde bron is Gerald Durrell. Hij was een groot natuurvorser, tijdgenoot van Sir David Attenborough, ze kenden elkaar goed; beiden zijn zeer betrokken bij de toekomst van onze dieren en onze planeet.

‘Durrell is opgegroeid op Korfu in een idioot gezin met een wonderlijke moeder, en om zijn expedities te kunnen financieren ging hij op zeker moment over de natuur op Korfu schrijven. En toen kwam, zoals hij zegt, ‘zijn familie per ongeluk het boek in gewandeld’, met hilarische scènes tot gevolg. Dat boek lag tijdens het hele schrijfproces naast me, steeds keek ik: hoe doet hij dat? Op een gegeven moment begint in zijn boek iemand heel eng op een trekharmonica te spelen. Die scène eindigt met de zin: En het kwam tot een vals en piepend einde.’

Beïnvloedt wat je leest niet altijd een beetje hoe je schrijft?

‘Ja, zeker. Toen ik met De halfbroer bezig was, dacht ik: wat ga ik opeens raar schrijven! Maar dat kwam doordat ik Sherlock Holmes aan het herlezen was. Ik geef les op de Schrijversvakschool, laatst las ik een stuk van een leerling en ik kon zien dat ze mijn boek had gelezen. Aan hoe mijn leerlingen schrijven, zie ik hoe de Nederlandse literatuur ervoor staat.’

In Moord op de moestuin worden talloze planten en bloemen beschreven, moest u daar veel research voor doen?

‘Dat is allemaal parate kennis. Sommige dingen moest ik nazoeken; als je in de winter zit te schrijven en in je boek is het juli, moet je goed bedenken of het klopkruid dan wel bloeit. Maar ik wist al veel, omdat ik een jaar of acht geleden met mijn eigen volkstuin begonnen ben. Ik was net ingetrokken bij Rob, mijn man. Hij had een druif en ik zei: o wat leuk, wat doe je dan met die druiven? Nou niks, zei Rob; die vallen op de grond. Daarna las ik in Trouw een stukje met daarin de volgende zin: ‘Een blauwebessenstruik in de tuin is een apotheek in huis.’ Dus ik een blauwebessenstruik gekocht. Maar Rob zei: ‘Lieverd, waar wou je die neerzetten? De tuin is af.’ Die middag heb ik een volkstuintje gehuurd, een klein lapje. Ik wist nog niks, niet eens hoe ik moest zaaien.

‘De eerste keer dat ik op de tuin was, stond er een man te spitten in wat wij een veur noemen. Wij noemen dat geen gat, als tuinder praat je ook niet over sperziebonen, je hebt het over stokslabonen. Die man stond dus in zijn veur en ik dacht: het is net of die man zijn eigen graf graaft. Zo ziet het eruit. En toen dacht ik aan een boek. Iedereen op zo’n volkstuin staat daar heel eenzelvig in de blubber, mensen houden elkaars tuinen in de gaten, ergeren zich aan elkaar; een schitterend decor. Ik wilde een zomerboek en ik wilde een plezierig boek. Ik dacht: laat ik nou eens een boek schrijven dat ik zelf heel graag zou willen lezen.’

Had u dat nog niet eerder gedaan? Een boek schrijven dat u zelf zou willen lezen?

(Stilte). ‘Eigenlijk niet, nee. Mijn eerdere boeken waren, om drs. P te citeren, toch meer literatiteratuur. Waarbij het plot uit het personage voortkomt en altijd sprake is van een verlossing, zoals W.F. Hermans ook zegt: alle moderne romans zijn variaties op het graalmotief. De moed verging me toen ik daaraan dacht.’

Wat was de eerste zin die u opschreef?

‘De hele geschiedenis begon toen mijn zuster en zwager een pan soep kwamen brengen.’ Daar kijk je heel veel boeken voor na: hoe doen die anderen dat? Ik weet trouwens niet meer of dit echt de eerste zin was die ik opschreef, het is wel de eerste zin van het boek.

‘Het fijne van een detective is dat je een heel dwingend plot hebt en als je een heel dwingend plot hebt, hoef je daar niet meer over na te denken. Dan kun je je bezighouden met de personages, die je allemaal dingen mag laten zeggen die later helemaal niet terug hoeven komen.’

Hoe schrijft u?

‘Ik zit rechtop achter de computer. Maar tussendoor maak ik al lopend en lezend veel aantekeningen, het hele huis ligt vol met briefjes, bierviltjes en stukjes krant. Zeker naarmate het boek meer vorm krijgt, denk je bij alles: o dat is geschikt! Mensen zien het aan je blik, ze zitten iets te vertellen en ik verstar.’

Hoe belangrijk zijn recensies voor u?

‘Die zijn gewoon belangrijk, omdat je hoopt dat het iets met de verkoop doet. Maar ja: de Faxen aan Ger kregen fantastische recensies en toch loopt het niet erg. Dat is wel jammer.’

Wie is uw belangrijkste meelezer?

‘Eigenlijk heeft niemand meegelezen. Normaal doen twee vrienden dat met wie ik een soort clubje vorm, wij noemen ons de prozaclub – iedereen verstaat altijd de prozacclub. Met hen zat ik 27 jaar geleden in de klas op de Schrijversvakschool, we zien elkaar eens in de twee maanden. Dit keer liet ik ze niet meelezen, omdat ik zo vaak opnieuw was begonnen dat ik het ze niet wilde aandoen. Rob heeft ook niet meegelezen. Hij las het boek pas toen de drukproeven er al waren, heel laat dus. Ik heb dan ook met niemand over de plot kunnen praten. Dat was te eenzaam, ik ga het nooit meer zo doen, het is niet goed geweest. Je moet kunnen praten over wat je schrijft.’

Over welke passage bent u het meest tevreden?

‘Op een gegeven moment praat de hoofdpersoon met Guusje, een van de andere personages, en die vertelt over Kenny, een derde personage. Guusje vertelt dat Kenny maar één doel in het leven heeft: dingen kapotmaken. En dan zegt mijn hoofdpersoon: ‘Wat boeiend. Toevallig dacht ik net na over menselijke bestemmingen. Schrijven, zingen, tuinieren. Kapotmaken kan natuurlijk ook.’ Achter die passage zit wel een filosofische gedachte, je hoort op televisie zo vaak dat je je gevoel moet volgen, dat je moet doen wat je hart je ingeeft – maar geldt dat ook als je alles kapot wilt maken?’

Mag je als schrijver ook fouten maken in een boek, inconsequent zijn met tijden of andere dingen, of moet alles kloppen?

‘Het moet absoluut kloppen, dat móét. Het leidt af als het niet klopt. Daar heeft Rudy Kousbroek een heel mooi voorbeeld van gegeven. Als ik jou vertel dat ik vanochtend hier op de bank zat en er een engel landde, die naast me ging zitten en zei dat ik drie wensen mocht doen, waarop ik een paar gouden munten wenste, een schep kaviaar, honderdduizend gulden en een reisje naar Canada...’

Dat zijn er vier.

‘… dan zeg jij: dat zijn er vier. En dat is vervelend. Maar die engel accepteer je, want je snapt meteen dat we in het perspectief van een sprookje zitten. Als je als lezer het gevoel hebt dat de schrijver steken laat vallen, is het verkeerd. Dat doorbreekt de geloofwaardigheid, dan word je uit het verhaal gehaald, en dat mag niet. Mannen willen dat altijd wel, in de kunst: de vorm moet aan diggelen. Ze willen de vorm kapot slaan, heel eigenaardig, en dan krijg je Brecht: we gaan de illusie doorbreken! Ik was laatst bij een moderne opera; je voelde de subsidiegelden van het podium druipen. Het was saai, het was lelijk, het was eentonig, het was werkelijk om woedend van te worden. Er klopte niets van.’

Wanneer begint u aan uw volgende boek?

‘Daar ben ik gisteren al aan begonnen.’

Echt? Maar u zit nog midden in de drukte van dit boek.

‘Het is helemaal niet druk, het gaat juist helemaal vanzelf. De werktitel is Dood op de boot. Ik wil weer zoiets doen als Moord op de moestuin. Ik heb de hele ochtend geprobeerd een boot te vinden die door Nederland vaart en waar twaalf mensen op kunnen slapen; zoiets als de boot van de Zonnebloem maar dan zonder gehandicapten. Dat valt nog helemaal niet mee.’

Neemt u een personage uit Moord op de moestuin mee?

‘Alleen de ik-figuur, denk ik. Haar man Thijs laat ik misschien thuis. Het lijkt me leuk meer de duisternis in te gaan. En Jezus komt er ook in voor.’

Nicolien Mizee; Moord op de moestuin; Nijgh & Van Ditmar; 240 pagina's; €20,99.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.