Het mobiliseren van de schaamte TWEE NEDERLANDSE REGERINGEN EN DE MENSENRECHTEN

IN DE ZOMER van 1948 kreeg Stalin voor het eerst het ontwerp van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens onder ogen....

DAAN BRONKHORST

Bij de stemming in de Verenigde Naties onthield de Sovjet-Unie zich, maar de blamage van een tegenstem bleef in elk geval uit. Aldus werd op 10 december de Universele Verklaring aanvaard.

Dat is binnenkort precies vijftig jaar geleden. De laatste maanden van dit jaar zullen dan ook veel herdenkingsbijeenkomsten en conferenties over de mensenrechten worden gehouden. Peter Baehr, hoogleraar in Utrecht, schreef met De rechten van de mens - Universaliteit in de praktijk alvast een gids.

De Universele Verklaring is het grootste succes van het internationale recht geworden. Geen enkele andere tekst is zo algemeen geaccepteerd. Maar het succes riep ook tegenkrachten op, die Baehr in kaart brengt. Zijn de mensenrechten niet gewoon een westerse uitvinding die aan de rest van de wereld werd opgelegd? En zijn de belangrijkste rechten misschien opzettelijk vergeten in de Universele Verklaring?

Een heel hoofdstuk wijdt Baehr bijvoorbeeld aan de plaats van de zogeheten 'collectieve rechten'. Die zijn betrekkelijk nieuw, en de belangstelling daarvoor komt vooral van de kant van ontwikkelingslanden. Individuele rechten, zo luidt de redenering, zijn mooi voor landen waar geen honger is en geen oorlog.

Maar er zijn hele volken die geen recht van spreken hebben, werelddelen die in de wereldeconomie niet aan de bak komen. Daarom moet de lijst van mevrouw Roosevelt worden uitgebreid met rechten zoals die op ontwikkeling, op zelfbeschikking, het beheer van de eigen hulpbronnen. Dat geeft tenminste enig perspectief voor de Tibetanen die los willen van China, de Oost-Timorezen die niet onder Indonesië en de Ogoni die niet zomaar onder Nigeria willen vallen.

Een beroep op dergelijke rechten lijkt rechtvaardig. Baehr komt echter met een hele reeks voorbeelden waar de theorie tot rare praktijken zou leiden. Want wie is eigenlijk een volk en wie heeft dan recht op de rijkdom van zijn grondgebied?

Zelfbeschikking klinkt mooi als een Afrikaans land het aanroept om z'n bossen tegen de roof van multinationals te beschermen. Maar wat betekent het voor het aardgas van Slochteren? Zullen de Groningers zich ooit afscheiden en worden ze dan de rijkste staat van Europa?

Zelfbeschikking is niet alleen een droom, ze is vaak ook een nachtmerrie. Er zijn weinig mensen die zitten te wachten op een volgend Tsjetsjenië.

Baehr is niet alleen een theoreticus van de mensenrechten. Hij vervulde jarenlang een belangrijke rol in de Nederlandse praktijk, via officiële adviescommissies en particuliere organisaties. Daarvan maakt hij in dit boek geen gewag, ook niet als hij uitgebreid het Nederlandse mensenrechtenbeleid op de korrel neemt. Wel laat hij in zijn afstandelijke stijl bij tijd en wijle merken dat emoties een niet geringe rol spelen in de mensenrechten.

Zo bijvoorbeeld in het hoofdstuk over de manieren waarop staten afrekenen met een verleden van grove onderdrukking. Hij waardeert het werk van de 'waarheidscommissies' die door onderzoek van politieke misdaden de bevolking met dat verleden confronteren. Maar hij stelt ook dat de televisieserie Holocaust waarschijnlijk een grotere werking heeft gehad voor de bewustwording van de waarheid van de nazi-misdrijven dan alle wetenschappelijke rapporten samen.

De boodschap van de waarheid is ook niet duurzaam. De tv-serie van Loe de Jong over de bezetting was een doorbraak, maar zijn geschiedschrijving van Nederland in de Tweede Wereldoorlog ligt nu in de ramsj. En het volksgevoel gaat z'n eigen gang. Baehr: 'Voetbalsupporters roepen 'Hamas Hamas, de Joden aan het gas'. Ze weten niet waarover ze spreken. Dat maakt hen echter niet minder gevaarlijk.' In de conclusie van zijn boek noemt Baehr het werk voor de mensenrechten de 'mobilisering van de schaamte'. En hij eindigt: 'Niemand doet ooit genoeg aan de rechten van de mens.' Hij heeft recht van spreken.

Emoties zijn veel minder terug te vinden in Op kruistocht in de Derde Wereld van Peter Malcontent. Dit proefschrift, dat mede onder Baehrs toezicht tot stand kwam, is een vooral feitelijke beschrijving van wat de kabinetten van Den Uyl en Van Agt tussen 1973 en 1981 aan de mensenrechten deden - en nalieten. Het eerste jaar is niet willekeurig gekozen, want de mensenrechten moesten wachten op Max van der Stoel als minister van Buitenlandse Zaken en Jan Pronk als zijn collega van Ontwikkelingssamenwerking, voordat ze een belangrijk onderdeel werden van het Nederlandse buitenlandse beleid. Malcontent laat zien hoe het beleid daarna gestaag won aan praktische en principiële betekenis.

Van der Stoel was vanaf het begin een diplomatieke activist voor de mensenrechten. Hij liet al in 1973 bij de totstandkoming van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa weten dat wat hem betreft het succes of falen van de organisatie zou afhangen van de mate waarin concrete afspraken konden worden gemaakt over mensenrechten. In 1975 zei hij het met nog meer nadruk: 'Ik durf wel te stellen, dat geen land ter wereld actiever is dan Nederland op het gebied van het opkomen voor mensenrechten.'

Pronk was uit ander hout gesneden. Hij was een Nieuw-Linkser uit de PvdA, een van de oprichters van het Chili-comité, en was door Den Uyl ooit 'een vervaarlijk klein ideoloogje' genoemd. Maar als ontwikkelingsdeskundige bij uitstek kreeg Pronk toch een ministerspost, en wat de mensenrechten betreft ontpopte hij zich als een gewetensvol man. De treurige ironie wilde dat de twee PvdA-ministers Van der Stoel en Pronk het helemaal niet met elkaar konden vinden. Volgens ambtenaren spraken ze soms wekenlang niet met elkaar.

Hun opvolgers Van der Klaauw (VVD) en De Koning (CDA) liepen juist bij elkaar in en uit. Ze zorgden voor een hoogtepunt in het mensenrechtenbeleid met de kabinetsnota De rechten van de mens in het buitenlands beleid van 1979. En dat had ook iets ironisch. Want Van der Klaauw was een opmerkelijk naïeve minister. In een interview met Vrij Nederland zei hij in 1978: 'Goed, in Argentinië verdwijnen mensen, maar niet in opdracht van de president. Welnee, zoiets gebeurt en hij kan niet alles controleren.'

En zijn collega De Koning had veel meer op met armoedebestrijding dan met mensenrechten. Hij wilde de ontwikkelingshulp voor Cuba en Jamaica schrappen, omdat die landen gewoonweg een te hoog inkomen hadden, zonder er rekening mee te houden dat juist die twee landen de schaarse welvaart heel wat eerlijker verdeelden dan andere landen die forse Nederlandse hulp kregen.

Malcontent is het meest op dreef in zijn behandeling van de kwestie van de mensenrechten in Indonesië, waaraan hij bijna een derde van zijn boek wijdt. Als een van de negen landen van de IGGI, de groep van donorlanden, zou Nederland tussen 1966 en 1981 meer dan twee miljard ontwikkelingshulp aan dat land geven. Die IGGI werd de proeftuin voor het mensenrechtenbeleid. Pronk gaf organisaties voor mensenrechten de gelegenheid in de wandelgangen van de IGGI-conferenties te lobbyen. Onderwijl bracht Van der Stoel de politieke gevangenen ter sprake bij de Indonesische regering. Beide ministers werden op hun huid gezeten door organisaties als het Comité Indonesië, dat veel fellere actie wilde.

Er ontstond een curieuze coalitie, juist omdat de partijen niet hetzelfde gezicht toonden. Van der Stoel moest onder druk van de achterban wel iets zeggen, maar kon zich ook de begripvolle diplomaat tonen. Het werkte. Indonesië liet tienduizenden gevangenen vrij.

Pas in 1992 zei Indonesië uit protest tegen de aanhoudende kritiek de ontwikkelingssamenwerking eenzijdig op. Toen was het recept uitgewerkt: de Nederlandse regering was eenduidig in haar kritiek, en voor Indonesië waren er geen Nederlandse partijen meer die tegen elkaar konden worden uitgespeeld.

Het mensenrechtenbeleid was door de jaren heen niet alleen een kruistocht, maar al te vaak ook een hypocriete bedevaart. Pronk, die wel verder wilde, moest rekening houden met zijn ambtenaren die het in 1977 nog te vroeg vonden om te spreken van schending van mensenrechten op Oost-Timor, ook al had de Indonesische bezetting daar inmiddels aan tweehonderdduizend mensen het leven gekost. Buitenlandse Zaken woog onderwijl het belang van een order van drie Nederlandse korvetten. Van der Stoel wilde uit de weigering van Indonesië om het Rode Kruis tot Oost-Timor toe te laten, niet de conclusie trekken dat het regime iets te verbergen had. Dat had hij wel gedaan toen Chili een VN-onderzoekscommissie had geweigerd.

Selectieve verontwaardiging bleek ook bij Pronk, die zich weinig gelegen liet liggen aan kritiek op Cuba. Zijn opvolger De Koning draaide prompt de geldkraan dicht, toen Cuba soldaten naar Afrika stuurde, maar verhoogde de hulp aan Indonesië ondanks de bezetting van Oost-Timor.

Volgens Malcontent hebben humanitaire overwegingen in het Nederlandse beleid geen grote rol gespeeld. Zijn materiaal, ontleend aan de archieven van de ministeries, steunt die conclusie volop. Maar de keuze van die bronnen heeft het proefschrift ook gekleurd. Naast het cynisme van de politiek vinden we juist in de bronnen die Malcontent spaarzaam gebruikt, zoals interviews met ministers, wel degelijk persoonlijke betrokkenheid. Malcontent is zo gespitst op het beleid dat de werkelijkheid van de mensenrechten nauwelijks aan bod komt.

Zo doet hij de massamoorden in Indonesië van 1965-1966 af in een halve zin. Voor Van der Stoel en Pronk persoonlijk zijn de honderdduizenden slachtoffers zeker meer geweest dan een voetnoot.

Er waart in het Nederlandse optreden meer rond van de geest van Eleanor Roosevelt dan het boek van Malcontent doet bevroeden. Net als indertijd mevrouw Roosevelt reist Van der Stoel nu de halve wereld af om potentiële conflicten in de kiem te smoren. En zoals de Amerikaanse pers haar persoonlijke inzet onmisbaar noemde, zo zegt Baehr nu dat de kwaliteiten van Van der Stoel het moeilijk zullen maken straks een opvolger voor hem te vinden. Het Nederlandse mensenrechtenbeleid is lang niet altijd een fraai theaterstuk geweest, maar indrukwekkende hoofdrolspelers heeft het zeker opgeleverd.

Daan Bronkhorst

Peter R. Baehr: De rechten van de mens - Universaliteit in de praktijk.

Boom; 227 pagina's; * 43,50.

ISBN 90 5352 391 X.

P.A.M. Malcontent: Op kruistocht in de Derde Wereld.

Verloren; 269 pagina's; * 49,50.

ISBN 90 6550 593 8.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden