In het spoor van de jonge Rembrandt

Het meeste licht liet Rembrandt vallen op de gekruiste sleutels naast de apostel op de grond van de gevangenis

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en doet daarover hier een jaar lang verslag.

Rembrandt van Rijn, De knielende Petrus (1631). Beeld The Israel Museum, Jeruzalem / Elie Posner

In de tijd van Rembrandt werd het gezicht op Leiden op de horizon gedomineerd door drie grote kerken: de Onze-Lieve-Vrouwekerk in het westen, de Hooglandse of Sint Pancraskerk in het oosten en de Sint Pieterskerk in het hart van de stad. Als drie gigantische schepen zeilden ze over de zee van daken van de stad, al voeren ze zonder mast.

Hoge torens hadden de kerken niet – en dat is nog altijd zo. De Vrouwekerk, waarvan niet meer dan een paar brokken steen resten, had een bescheiden spits. Die van de Hooglandsekerk werd wel gepland, maar nooit gebouwd. Daar staat nu een houten hoedje, niet eens zo hoog als de naaf van de kerk. De bijna 70 meter hoge toren van de Sint Pieterskerk, bijgenaamd de ‘Coningh der Zee’ omdat schippers voor de kust hem als baken gebruikten, was bij een storm in de nacht van 4 op 5 maart 1512 met donderend geraas in elkaar gestort. Wonderbaarlijk genoeg viel er niet één slachtoffer.

Zou de heilige Petrus daar zelf voor hebben gezorgd? Tot hem werd door de vissers altijd gebeden. Maar het waren niet alleen zij die zich tot hem richtten. Petrus was de patroonheilige van alle Leidenaren. Zijn sleutels tot het Koninkrijk der Hemelen, gekruist, bloedrood en met de baarden naar boven, vormden het wapen van de stad.

Sommigen zagen in het kruisen van de sleutels een spiegeling van de twee takken van de Rijn, die uit elkaar gingen, zich splitsten in de Oude en de Nieuwe Rijn en in het midden van de stad weer samenkwamen. Maar de sleutels werden toch vooral metaforisch gezien: als de voorwerpen die op aarde het slot op het hart van de gelovigen konden openen.

‘Jij bent Petrus’, had Christus gezegd, ‘de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn’ (Mattheüs 16:18-19).

Rembrandt schilderde en tekende Petrus een aantal malen: discussiërend met Paulus, of met Johannes bij de tempelpoort. In 1631 schilderde Rembrandt de apostel in de gevangenis, nadat deze door koning Herodes is opgepakt, geboeid en in de cel gesmeten (Handelingen 12: 1-4). Herodes wil Petrus ter dood laten veroordelen, maar de gevangene wordt door een engel bevrijd, die zijn handboeien breekt, de cel opent en hem als in een droom langs zijn bewakers loodst.

Rembrandt verbindt hier – en dat deed hij vaker – een aantal Bijbelverhalen met elkaar. Petrus is niet geboeid, maar in diep gebed verzonken. Zijn handen zijn samengewrongen – en dat lijkt te slaan op Petrus’ berouw nadat hij Jezus driemaal heeft verloochend. ‘En hij ging naar buiten en huilde bitter’(Mattheüs 26:75).

Als model zal Rembrandt een van de arme, oude mannen uit zijn eigen buurt hebben genomen. De schilder leefde zich uit in de rimpels op het kale voorhoofd, de weerbarstige grijze haren in de baard. Maar het meeste licht liet Rembrandt vallen op de gekruiste sleutels naast de apostel op de grond van de gevangenis.

Zijn heilige Petrus was een Leidenaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden