HET LIEFLIJKE EN WREDE ODESSA

Het is moeilijk om door Odessa te lopen zonder aan de honger van de schrijver Paustovski te denken, of aan de in 1942 weggevoerde colonne joden....

‘Ik woonde toentertijd in Odessa, in de leegstaande kliniek van dokter Landesman, aan de Tsjernomorskajastraat.’ De zin staat op de eerste bladzijde van Konstantin Paustovski’s De tijd van de grote verwachtingen. ‘Toentertijd’ is februari 1920. De Witten hebben de stad verlaten, en eindelijk kan de revolutie ook hier zegevieren. Er heerst honger, er is geen elektriciteit en de tram wordt weer door paarden getrokken, maar Paustovski is gelukkig wanneer hij door ‘zijn’ straat loopt. Hij hoeft maar ‘het ruisen van de oude acacia’s te horen, de adem van de zee langs mijn gezicht te voelen, of ik werd weer rustig en opgelucht van binnen’.

Paustovski wordt redacteur bij de revolutionaire krant de Morjak en vindt op een dag bij de post een kort verhaal getiteld ‘De Koning’, ondertekend: Isaak Babel. Het is het begin van een vriendschap. Beide mannen hadden de revolutie omhelsd en schreven over Odessa: over de Richelieustraat, de Poesjkinstraat en de Italiaanse opera. Ik, die hen had gelezen voor ik naar Odessa vertrok, had Odessa bezocht voor ik er een stap had gezet.

Er zijn meerdere Odessa’s: het echte en het poëtische, het oude en het nieuwe, het lieflijke en het wrede. Terwijl ik de toeristen – meestal Oekraïners – boven aan de Potemkintrappen zag poseren, probeerde ik hén te lezen. Waren ze altijd zo vrolijk of had hun uitgelatenheid alles met dit uitstapje te maken? Er moesten in ieder geval veel foto’s worden gemaakt, al dan niet met een konijn, een leguaan, een papegaai of een aapje. Of bij een roze Cadillac. Odessa is rijk genoeg voor Lexussen, Mercedessen en Jaguars, maar ook zo arm dat sommige mensen hun centen verdienen met het verhuren van ‘fotogenieke’ dieren. Er zijn nu trendy restaurants, waar uitbundig wordt getafeld, maar de meeste Oekraïners kopen drank van een kraampje en drinken het op een bank.

Elke Oekraïner moet blijkbaar een keer de Potemkintrappen hebben gezien, maar het literatuurmuseum is duidelijk geen must. Er zijn zo weinig gasten dat het licht alleen wordt aangeknipt in de zalen waar iemand is. Elektriciteit kost meer dan personeel, want in elke zaal zitten vrouwen in het halfduister voor zich uit te staren. Aan de muren hangen foto’s van mannen die romans, gedichten en toneelstukken hebben geschreven, op de stoelen zitten vrouwen. Alleen Anna Achmatova hangt er ook, en een minnares van Poesjkin, en een dochtertje van Babel.

Ik krijg een rondleiding van de directrice, die speciaal voor mij haar lippen fel roze heeft gestift. Waar zij binnentreedt, gaat het licht branden. Op een teken van haar wordt met een stok op de klok van de revolutie geslagen. Triomfantelijk weergalmt hij door de lege zalen. Lange tijd blijven we naar de foto’s en manuscripten van Isaak Babel kijken. We praten over hem als over een persoonlijke vriend en proberen elkaar met anekdotes te overtroeven. Ik vertel de directrice dat Babels moeder en zus in Brussel hebben gewoond en dat ik in Brussel ben geboren. Verrukt herhaalt de directrice dit weetje tegen de vrouw op de stoel. Dat veronderstel ik tenminste. Ze spreekt Russisch of Oekraïens. Odessa wil Russisch spreken, maar Kiev vindt dat Odessa Oekraïens moet spreken. Voorlopig wordt er officieel voor tweetaligheid geopteerd.

‘Ukrainian must’, zegt de directrice.

‘Babel Russian’, zeg ik.

‘Da’, antwoordt ze.

Babels bril hangt in een lijst aan de muur. Als ik kon, aaide ik het schamele ding. Wat had hij een lieve, goede kop, die Babel. ‘Ik had nog nooit een mens ontmoet die uiterlijk zo weinig op een schrijver leek als Babel’, schreef Paustovski. Ik denk dat Paustovski wist dat Babel een veel groter schrijver was dan hij. Babel noemde zichzelf een dwangarbeider. Hij schaafde en schrapte aan zijn teksten tot er alleen de essentie stond. Tegelijkertijd dikte hij de feiten aan. Zoals alle grote schrijvers loog hij om de waarheid te laten schitteren. ‘Ons huis rook naar uien en naar joods noodlot’, schreef hij in een van zijn adembenemende autobiografische verhalen. En aan Paustovski vertrouwde hij met stokkende stem toe: ‘Ik heb mijn nationaliteit niet zelf gekozen. Ik ben jood, een joet.’

Babel hoopte dat de revolutie een einde aan het antisemitisme zou maken. Hij had een hekel aan de joodse tradities, én hij had er groot respect voor. Hij wilde geen jood zijn, maar hij wás een jood. Jood zijn betekende dat je werd afgeslacht in een pogrom, dat je niet naar de school van je keuze kon, dat – zoals in het verhaal ‘De reis’ – je penis werd afgesneden en in de mond van je vrouw gestopt.

Babel identificeerde zich met het lijden en de vernedering van de joden, zelfs wanneer hij die niet zelf ondervonden had. In het zogeheten autobiografische ‘Verhaal van mijn duiventil’ wordt zijn grootvader omgebracht in de beruchte pogrom van 1905 en smeekt zijn vader op zijn knieën om zijn winkel niet te plunderen. Zelf wordt hij aangevallen. Zijn duif wordt de nek omgewrongen en met duivenveren aan zijn voorhoofd geplakt, strompelt hij naar huis. In werkelijkheid was Babel wel getuige van de pogrom, maar hij en zijn familie bleven gespaard.

De pogrom van 1905 was uitzonderlijk brutaal, maar niet uitzonderlijk. Onderweg naar Odessa viel mijn oog op een berichtje in de krant dat precies honderd jaar geleden in diezelfde krant was afgedrukt: ‘1906: Pogroms in Rusland. Odessa: De kans is groot dat de straten die in de slachting van vorig jaar werden vernield, opnieuw worden getroffen. De huizen worden vernield en geplunderd door de Kozakken*’ Nochtans had Odessa de reputatie een tolerante en kosmopolitische stad te zijn. Joden mochten er overal wonen. Er was geen getto, al woonden vele joden in Moldavanka, de wijk waar Babel het verhaal liet spelen waarmee hij de bewondering van Paustovski won. Joden mochten niet alle beroepen uitoefenen en velen werden bankier of zakenman, dief of rover. Er waren rijke joden en velen hadden zich geassimileerd. Het beeld van de schlemiel dat Babel in zijn verhalen schetst, is karikaturaal en klopt niet met de werkelijkheid. Maar de essentie is waarheidsgetrouw: de joden zouden niet aan hun noodlot ontsnappen.

Babel werd in 1940 door de geheime politie van Stalin geëxecuteerd. Lange tijd genoot hij de bescherming van de schrijver Maxim Gorki, maar na diens dood in 1936 kon hij de dans niet ontspringen. Hij slaagde er niet in het soort teksten te schrijven dat de Sovjets verwachtten, en beweerde het genre van de stilte te beoefenen. De teksten die hij schreef zonder ze te publiceren, werden bij zijn arrestatie in beslag genomen en meer dan waarschijnlijk vernietigd.

Babels eerste vrouw woonde in Parijs, waar hij haar ook nog in de jaren dertig bezocht. Hij had in Frankrijk kunnen blijven, maar hij keerde terug. Uit trouw, wordt gezegd, en omdat hij als balling niet kon schrijven. Ik denk dat hij zijn noodlot niet wilde ontlopen. Zo diep was zijn overtuiging dat het niet kan worden ontlopen, dat hij het ook niet wenste te ontlopen.

Dankzij Stalin ontliep hij het lot waarmee de nazi’s zijn joodse medeburgers troffen. Toen Odessa in oktober 1941 viel, kreeg de stad eindelijk zijn getto. Een jaar later werden de joden samengedreven op een plek in Moldavanka, vanwaar ze naar dorpen buiten de stad moesten marcheren. Odessa was nu judenrein. Wie het overleefde verkoos veelal te emigreren. Vandaag telt Odessa vijftienduizend joden, maar het kunnen er ook 45 duizend zijn. Er zijn twee synagogen en op de plek waar de joden aan hun mars begonnen, staat een sober monument.

Afstammelingen van de emigranten komen naar Odessa op zoek naar hun jewish heritage. Een van hen heeft over die zoektocht een mooie roman geschreven, getiteld Everything is Illuminated, ondertekend: Jonathan Safran Foer. Omdat de jonge Amerikaanse schrijver zo weinig sporen van zijn joodse voorouders vond, heeft hij zijn verbeelding het werk laten doen. Ook hij heeft gelogen om de waarheid te vertellen.

‘It snows history.’ Dat is een zin uit The Fixer van Bernard Malamud. In Odessa heeft een sneeuwstorm gewoed, al is de stad maar 212 jaar oud. Het is moeilijk om vandaag op het strand van Lanzjeron te lopen zonder aan de honger te denken die Paustovski er heeft geleden; het is moeilijk om de brede boulevards te zien zonder aan de colonne joden te denken. En tegelijkertijd is niets zo gemakkelijk. De zon schijnt; de zee waait koele lucht aan; mooie, schaars geklede, ranke vrouwen trippelen op hoge hakken; er vloeit bier.

Het gaat goed met Oekraïne, het gaat niet goed met Oekraïne. Het land is verdeeld, en jonge vrouwen hopen een buitenlandse echtgenoot te strikken. Overal in de stad adverteert www.ukrainebride.com. Kom naar Oekraïne en keer naar huis met een bruid. ’s Avonds, wanneer de hele stad door de straten flaneert, is het niet altijd duidelijk wie er zich nou prostitueert.

Bij de Potemkintrappen gaat het poseren onverminderd door. De leguaan, het aapje, de papegaai en de konijnen mogen nog lang niet naar bed. Wie van al die mensen weet waarom de trappen Potemkin heten, en wie Potemkin was, of Babel, of Paustovski? Ze zijn dood en begraven, maar zij die op de trap poseren, leven. Zij zijn het nu, het hier, het middelpunt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden