Recensie Een knipperend ogenblik – Portret van Remco Campert

Het levensverhaal van Remco Campert: een eenling op zoek naar familie

Mirjam van Hengels ‘portret’ van Remco Campert is geslaagd als biografie. Maar zij en Campert zitten elkaar soms wel in de weg als verteller van zijn levensverhaal.

Beeld Typex

Mirjam van Hengel: Een knipperend ogenblik – Portret van Remco Campert (drie sterren)

De Bezige Bij; 592 pagina’s; € 29,99

Het werd Mirjam van Hengel vaak gevraagd, schrijft ze in het nawoord van haar boek. Of het niet vreemd is een boek te schrijven over ‘iemand die nog leeft’. Nee hoor, dat was het voor haar niet. Remco Campert, het onderwerp van haar boek dat zij geen biografie noemt maar ‘een portret’, gaf haar ‘alle denkbare vrijheid’. Doordat het boek grotendeels is gebaseerd op haar recente gesprekken met de schrijver, is ‘iets van zijn hartenklop in het boek terechtgekomen’.

Dat laatste is zeker waar. En wel meer ook dan iets. Dat is het mooie aan dit boek: het is op elke pagina doortrokken van Campert. Van zijn schuchterheid, zijn overtuigdheid, zijn slordigheid, zijn poëzie, zijn somberheid en blijmoedigheid, zijn lichtheid, zijn zwaarmoedigheid, zijn gretigheid en luiheid en zijn toon. We gaan mee met zijn dichterlijke kijk op het leven, de bronnen waaruit hij put, zijn bewondering, zijn liefdes, zijn gruwel.

We lezen over zijn rommelige jeugd in vele huizen; hij werd vaak ondergebracht bij anderen. Over de oorlogstijd op het platteland, in Epe, waar hij, een stadskind dat de drukke volwassenen teveel was, het heerlijk had. Een leven lang miste hij zijn vader, de dichter en verzetsman Jan Campert, die in een concentratiekamp stierf toen Remco 13 was.

We krijgen de hele Campert, we kennen hem na lezing nog beter dan we hem dachten te kennen uit zijn proza, poëzie en zijn columns. Tenminste die illusie wordt ons gegund; Campert lijkt mij iemand die de regie houdt en altijd dingen voor zichzelf houdt. Als biografie is dit boek dat geen biografie wil zijn grotendeels geslaagd.

Toch vond ik het als lezer wél af en toe vreemd, een biografie, laten we het zo toch maar noemen, te lezen waarin de terugkijkende, nu 89-jarige schrijver over zijn leven vertelt, maar waarin dat leven ook wordt uitgeplozen, beschouwd, gewogen en gedocumenteerd door een ander. Er zijn daardoor op zijn minst twee vertellers aan het woord, die elkaar soms tegenspreken of voor de voeten lopen. De twee ‘ikken’ vervullen ieder ook nog eens verschillende rollen. Dat maakt het boek overvol en onrustig.

Van Hengels rol is in de eerste plaats die van interviewer, een vrouw die eens in de week aan tafel zit te praten met Campert en zijn vrouw Deborah Wolf. Iemand die luistert en zíjn versie geeft. Eén lang interview met Campert, dat had ik ook graag willen lezen. En dan later nog eens een biografie.

De interviewer zit ook op zijn werkkamer, leest correspondenties, spit in archieven. Daaruit vist ze dingen die Campert allang vergeten was. Mooie dingen, zoals de lieve, vaderlijke brief van Gunning, de directeur van het Amsterdams Lyceum waarvan de 16-jarige Remco werd afgestuurd omdat hij spijbelde. Na al die jaren ontroert die brief hem. Hij werd gezien door die man.

Campert zit er in dit boek vaak wat weerloos bij. De onderzoekende schrijfster vindt soms ook bewijsmateriaal dat zíjn versie ontkracht: die en die datum klopt niet, hij was toen en toen juist wél somber, in dat interview zei hij dat hij het wél erg vond; hij vroeg wél een paar keer subsidie aan. En hé, die en die waren toch zijn minnares? Zij betrapt hem op een slip of the tongue of een onvaste stem. Zij is ook een groot kenner van het werk, bij elk onderwerp, bij elke gebeurtenis heeft ze wel een passende dichtregel of een citaat uit een verhaal of column paraat. Zij is het ook die ons vertelt of een gedicht goed is of niet. Allemaal niet zo raar voor een biograaf, maar het lastige is dat Campert, bij leven toch dé autoriteit over zichzelf, er wel bij zit, met zijn vrouw.

Van Hengel sprak ook met mensen uit Camperts omgeving, zoals zijn twee dochters en de kinderen van Deborah. Die zeggen niet alleen aardige, maar ook pijnlijke dingen over hun ouders. Niet dat die liefdeloos waren, maar zij gingen al te zeer op in hun eigen sociale en artistieke leven en hadden weinig oog voor de kinderen. Het is een treffende parallel, die Van Hengel goed uitwerkt: Jan Campert verliet zijn gezin, was vervuld van zijn eigen opwindende leven en besteedde weinig aandacht aan zijn zoon, die daarnaar hunkerde. Hij dichtte: ‘Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw en strijdt den ijdlen strijd’, maar zijn zoon denkt niet dat híj dat kind is. Het is ‘een poëziekind, een symbolisch kind, geen kind van eigen vlees en bloed’. Dat zijn aangrijpende momenten in dit boek.

Camperts moeder, actrice Joekie Broedelet, deed haar best maar moest vaak weg voor haar werk. Remco werd al jong gedwongen zijn eigen weg te kiezen; hij voedde zichzelf op. Bij zijn kinderen ging het precies zo. Gelukkig is de onderlinge verstandhouding nu goed, maar als Van Hengel Campert en Wolf confronteert met dit slordige ouderschap leidt dat in het boek tot ongemakkelijke passages. Campert wordt dan door de alomtegenwoordige biograaf/interviewer in het nauw gedreven; de lezer kijkt met gêne toe.

Op andere momenten is de identificatie van de schrijfster met haar onderwerp weer zo groot dat je niet weet wie er eigenlijk aan het woord is. Ze kent het jongetje Remco door en door. Ze beschrijft hem, met een knipoog naar Kees de jongen, van buitenaf maar ze kruipt ook ín hem: ‘De jongen die je daar het portiek uit kon zien komen, het brilletje stevig op zijn neus, de blik schuw, leek heel gewoon. Maar hij had dromen, beginnetjes van dromen. Hij had een gedicht zitten schrijven, dat was iets wat hem op een of andere manier interessant leek. En hij had dingen te verstouwen gehad.’ Hier wordt de biograaf alwetende verteller, het jongetje haar kneedbare personage.

Dat overkomt ook bijfiguren, zoals vriend Rudy Kousbroek. ‘Rudy was het tokkelende paradijs van zijn jeugd verloren, hij had de oorlogsjaren in een onwereldse geluksbubbel doorgebracht.’ Hoe weet Van Hengel dit, is het een parafrase uit een interview, of haalt ze het uit Kousbroeks werk? En wat is een ‘tokkelend paradijs’?

Wel vaker is Van Hengels taal poëtisch. Mooiig. Over een foto van de jonge Joekie Broedelet: ‘Zij ziet eruit als uit het schuim geboren, rijzig in haar gestreepte zomerrok, in alles een trotse moeder.’ Over de invloed van Lucebert: ‘een paar jaar lang scharrelde door zijn gedichten soms diens beelden en toon’. En: ‘De zware deken van schaarste en een benauwende moraal begon weg te vallen.’

Nog afgezien van de ongrammaticaliteit van de laatste twee zinnen: een scharrelende toon? Een deken van schaarste? Iemand die in een zomerrok uit schuim wordt geboren? Een foto waarop je kunt zien hoe iemand ‘in alles’ is? Soms is er een stilzwijgende verwijzing naar een dichtregel. Het statige, klassieke Franse huis van de Camperts ligt ‘als een beminnelijke olifant’ in het dorp. Wie de verwijzing mist leest onzin en ook als je die wel ziet is het een mislukt beeld.

Verbetering: in deze boekbespreking wordt biograaf Mirjam van Hengel verweten dat ze ‘ongrammaticale zinnen’ had geschreven. Het gaat onder meer om de frase: ‘Over de invloed van Lucebert: “een paar jaar lang scharrelde door zijn gedichten soms diens beelden en toon”.’ De recensent had zich daarbij gebaseerd op de drukproef van het boek, in de uiteindelijke versie stond het correcte ‘scharrelden’. Ook sloeg die zin niet op Lucebert, maar op Hans Lodeizen.

Eén dichter is genoeg in dit boek, vooral omdat dat een van onze allerbeste dichters is, die ondanks zijn aarzelende manier van praten altijd heel precies formuleert, ook in interviews, en die nooit met beeldspraak de plank misslaat.

De tweede helft van dit boek is veel beter en leesbaarder dan de eerste. Misschien omdat het boek dan op een gewone biografie begint te lijken. Er komt wat lucht in het levensverhaal, hoewel het drukker wordt bevolkt. Campert werd vanaf de jaren zeventig steeds actiever in de buitenwereld, hij werkte als columnist – vanaf 1996 voor de Volkskrant, schreef voor tijdschriften, ging naar festivals, ging met anderen op reis en stond met vrienden op theaterpodia. Nog steeds zit hij graag alleen op zijn kamer, maar hij gaat ook graag naar het café en naar De Kring. Er komen veel mensen aan het woord, vrienden, vriendinnen, collega’s, uitgevers. Mensen die Van Hengel heeft geïnterviewd of die ze citeert uit brieven en bestaande interviews. Mooie anekdotes genoeg.

In de jaren zeventig en tachtig groeit Camperts populariteit, terwijl zijn literaire werk eigenlijk een beetje stil ligt; zijn succesboeken zijn vooral bundels columns. In de jaren negentig kwam er weer mooie nieuwe poëzie, en in de jaren nul van deze eeuw schitterend proza: Een liefde in Parijs, Over Mijn Vader, Het satijnen hart.

Verfrissend is ook dat Van Hengel niet lang doorgaat over de vraag of Campert nu wel of niet een echte Vijftiger was. Hoorde hij, de verstaanbare dichter, wel bij de toch meer duistere en experimentele collega’s als Lucebert, Schierbeek en Kouwenaar? Het benoemen van een ‘stroming’ is vooral handig voor handboekschrijvers en documentairemakers, zo’n echte generatie, een rebels vriendengroepje met eigen tijdschriften en cafés en een pers die er schande van sprak. Van Hengel laat het bij een stapeltje citaten van critici en literatuurwetenschappers.

Campert krijgt hier gelukkig het laatste woord. Niemand van hen was een ‘typische Vijftiger’, zegt hij, ze ontwikkelden zich heel verschillend. ‘Het was meer dan een vriendenclub, het was voor mij een soort familie, iets wat ik altijd had gemist.’ Een eenling op zoek naar familie, beter kan Campert niet worden getypeerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.