Recensie Fritzi ten Harmsen van der Beek

Het leven van Fritzi ten Harmsen van der Beek is tragischer dan de mythe (vier sterren)

Maaike Meijer: Hemelse mevrouw Frederike - Biografie van F. Harmsen van Beek (1927-2009)
De Bezige Bij; 670 pagina’s; € 39,99.

Fritzi Harmsen van Beek. Beeld Bezige Bij

Ze woonde, kraakster avant la lettre, in de jaren vijftig van de vorige eeuw op Jagtlust, een vervallen landhuis, dat ze adembenemend had ingericht. Daar gaf ze legendarische feesten, waar ‘iedereen’ die ertoe deed kwam en de drank uitbundig vloeide. Ze was mooi, slim, erudiet en had overal lak aan. Na er een erfenis doorheen te hebben gejaagd, was ze arm als een kerkrat maar ze bleef door en door chic. Ze had een onovertroffen gevoel voor schoonheid en een onnavolgbaar vocabulaire. Uiteraard had ze een constante stroom veelal beroemde mannen achter zich aan, die haar snel verveelden. En o ja, ze schreef en ze tekende. Gedichten, prozastukjes en artikelen voor de krant, door haarzelf geïllustreerd.

Dat was de mythe. Zo iemand zou ‘Fritzi’ zijn, de excentrieke kunstenares op wie de media zich stortten na het debuut van Fritzi ten Harmsen van der Beek, Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten, in 1965. Een bijzonder, ‘gek’, mens, met een levensverhaal waarvan de lezers smulden. ‘Fritzi’ – steevast werd gemeenzaam haar koosnaam gebruikt – was een droompersonage. De kwaliteit van haar gedichten deed minder ter zake.

Die mythe kwam in 1998 weer even tot leven toen Annejet van der Zijl de feestende vriendengroep op het kasteel portretteerde in Jagtlust, een boek waaraan Harmsen van Beek niet had meegewerkt en dat haar diep kwetste. Elf jaar later overleed ze. Drank, werd gefluisterd. Toch nog 81 geworden.

Mythe? 

Het belangrijkste wat biograaf Maaike Meijer doet in haar biografie Hemelse mevrouw Frederike is die mythe ontzenuwen. Zij wil onderzoeken wat er gebeurd is en waarom het zo ging. En: waardoor dat een mythe werd. Ze beseft dat ‘de’ waarheid niet bestaat, maar wil die benaderen door zoveel mogelijk bronnen te gebruikten. Ze schrijft het levensverhaal van een vrouw die Frederike heette en genoemd wilde worden; de dweperig uitgesproken naam ‘Fritzi’, schrijft ze, ‘maakte haar klein’. Ze verbindt dat leven met het kleine oeuvre van de kunstenaar F. Harmsen van Beek. Net als in haar biografie van M. Vasalis zou het werk het ‘eerste onderwerp’ zijn.

Maaike Meijer slaagt glansrijk in het ontrafelen van de Fritzi-mythe. Het leven van Frederike Harmsen van Beek was gecompliceerder, banaler en pijnlijker dan het kunstenaarssprookje wilde. Over dat leven gaat dit boek uiteindelijk meer dan over het werk, al kreeg ik veel zin om het te herlezen en begrijp ik nu beter wie deze aantrekkelijke, springerige en niet altijd begrijpelijke gedichten en miniatuurtjes heeft gemaakt.

Meijer is, lijkt mij, in deze biografie stelliger in haar analyse van een karakter, wat minder terughoudend dan in haar Vasalis-biografie. Ze schroomt niet om Frederikes onuitputtelijke behoefte aan vriendschap en liefde, en de ontsporing van elke vriendschap en liefdesrelatie omdat het nooit genoeg is, toe te schrijven aan een gebrek aan moederliefde in haar jeugd. Frederike is heftig in haar voorkeur en afkeer en haar gevoelens kunnen bliksemsnel omslaan, maar de term ‘borderliner’ vindt Meijer te ver gaan.

Drama

Die jeugd van Frederike en haar broer Heintje is op zichzelf al een mythe. Het leek een sprankelend, schatrijk maar bohemienachtig kunstenaarsgezin; – haar vader Eelco was de schepper van Flipje uit Tiel en haar moeder Freddie Langeler illustreerde ook. Maar haar vader adoreerde haar moeder en zat altijd te werken, en de moeder trok Heintje voor en was stinkjaloers op haar dochter, die uiterlijk op haar leek. Ze wreef het kind in dat ze dik, lelijk en dom was en liet haar in afschuwelijke kleren rondlopen. Ze beval haar, waar Canadese militairen bij waren, vloeren te dweilen, en gaf haar een schop toen ze zich daarover beklaagde. Haar geliefde vader keek toe maar durfde niet op te treden. Meijer beschrijft het op basis van bronnen én laat zien hoe Harmsen van Beek haar jeugdverhaal dramatiseerde, in haar werk, haar brieven en monologen die ze tegen vrienden afstak.

Haar leven blijkt ook tragischer te zijn geweest dan de mythe. Als het erop aankwam was Harmsen van Beek geen autonome, vrijgevochten vrouw. Haar eerste echtgenoot, een Fransman met wie ze een zoon kreeg, mishandelde haar. Een volgende geliefde ging er met haar erfenis vandoor. Remco Campert, met wie ze korte tijd getrouwd was, drong weliswaar aan op uitgave van haar gedichten, maar híj was de dichter om wie het draaide, niet zij. Het langst was ze nog met een man die lijstjes maakte met al haar tekortkomingen. Toen ze daarna een vriend kreeg die haar alle ruimte liet, vond ze die weer te slap; ze had leiding nodig. Het was nooit goed.

Ze hield van haar zoon Gilles en probeerde goed voor hem te zorgen, maar hij kwam wel aandacht tekort. Jagtlust-bezoeker Cees Nooteboom herinnert zich het ‘radeloze gepiep’ van Gilles’ driewielertje als iedereen ’s ochtends zijn roes uitsliep. Met Gilles liep het slecht af. Hij werd verslaafd, kwam in het criminele circuit terecht, raakte besmet met hiv en overleed betrekkelijk jong. Tegen die tijd was zijn moeder zo boos dat ze niet naar zijn begrafenis ging.

Als het zo uitkwam hing ze het hulpeloze vrouwtje uit. Vaak liet ze anderen de kastanjes uit het vuur halen. Anderen moesten haar financiën maar doen, wat in de praktijk betekende dat ze betaalden. Toen ze weg moest uit Jagtlust kocht een weldoener een huisje voor haar in Garnwerd, Groningen. Ze was woedend en vond het gebaar vernederend maar ging er toch wonen. Ze deed weinig om in haar onderhoud te voorzien, al deden die kansen zich wel voor. Deadlines, subsidie aanvragen, het was allemaal te lastig. Dat kwam ook doordat ze naarmate ze ouder werd, eigenlijk pas ná Jagtlust, een flink drankprobleem ontwikkelde.

Werd Harmsen van Beek als dichter serieus genomen? Aan de ene kant wel. Haar drie dichtbundels en enkele prozabundels kregen positieve recensies en werden herdrukt. Collega’s als Gerard Reve, Judith Herzberg, Vasalis en later Charlotte Mutsaers (die door Renate Rubinstein ervan werd beschuldigd Harmsen van Beek te hebben geplagieerd; een onterechte beschuldiging volgens Meijer) bewonderden haar werk en raakten met haar bevriend. Meijer laat zien dat haar werk en persoon verwantschap hebben met Reve: de ironie, het ongrijpbare, de volstrekte originaliteit. Al met al werd Harmsen van Beek bewonderd, maar toch niet helemaal serieus genomen. Ze bleef een ‘gek’, beneveld vrouwtje in haar Groningse schuilplaats. Misschien komt dat ook doordat ze zélf haar eigen talent te weinig serieus nam.

Meijer vindt een bewonderenswaardig evenwicht tussen het in bescherming nemen van haar onderwerp en het fileren van haar evidente tekortkomingen. Zij is een scherp kijkende onderzoeker, die met empathie interpreteert. Wat jammer toch dat dit wonderbaarlijk mooie oeuvre zo klein is gebleven. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.