Het leven bezien vanuit een ooghoek

DE TITEL is zo gewoon dat daar vast goed over is nagedacht. Familieberichten. Kun je daar niet iets pakkenders van maken, heeft de uitgever misschien nog geopperd....

Nee. Hij moest liever zakelijk dan gekunsteld aandoen, die titel, om de inhoud van het boek een zeker tegenwicht te kunnen geven. Die inhoud namelijk bestaat uit persoonlijk en gevoelig materiaal.

Hoe Chantal van Dam (1951) er in haar derde boek in slaagt de dood van een moeder en de aftakeling van een stiefvader te beschrijven zonder in de fout te vervallen dat ingrijpende gebeurtenissen vragen om schetterende bewoordingen, dat is de bezienswaardige prestatie van deze familieberichten.

Wat was het immers gemakkelijk geweest om als een echte schrijver te zwichten voor een symbooltje zus of metafoortje zo, als het gaat over een moeder met een trauma dat zij opdeed in de Tweede Wereldoorlog en dat haar tijdens de Golfoorlog in 1990 noopt huis en haard te verlaten, zonder er nog terug te keren.

Geen pose bij Van Dam. Hoewel haar vrouwelijke ik-figuur als biologe in Wageningen werkt bij het Informatie- en Kenniscentrum Natuurbeheer, en Chantal van Dam uitgerekend in die plaats hetzelfde werk doet, heeft de schrijfster aan de vertelster de naam Solange gegeven. Deze roman bevat weliswaar familieberichten, maar aangezien het een roman is, hoeven dat niet noodzakelijkerwijs nieuwtjes over haar familie te zijn. Dát aspect maakt hun belang niet uit.

En dat de ik-figuur opmerkelijk veel lijkt op de vrouw die in Chantal van Dams vorige boek, de novelle Het Maggischip (1991), het woord voerde, dat beiden hun biologische vader op hun tiende jaar verloren, dat zijn graf en dat van haar broertje intussen geruimd is, dat ze hun stiefvader 'oom' Max noemen, dat in het eerstgenoemde boek het Amsterdamse Bos 'de juiste ambiance voor herinneringen' heet en diezelfde plek dat in het recentelijke meer dan ooit is - daaruit moeten we geen verstrekkende conclusies trekken.

Beter gezegd, de enige gerechtvaardigde slotsom is dat de schrijfster niet veel moeite heeft gedaan te verhullen dat haar verhaal autobiografisch is, maar ze brengt net die opvallende verandering aan waardoor de lezer gemaand wordt, het verháál te beoordelen - niet de persoon van de schrijfster achter het boek, zoals de damesbladen-interviewers het verlekkerd believen te noemen.

De stijl van Chantal van Dam is, alweer, ongebruikelijk prozaïsch. Wellicht is dat de reden dat ze niet eens voorkomt in Dames gaan voor (1999) van Elsbeth Etty, terwijl in dat overzicht strijdlustig en onbekrompen werkelijk alle Nederlandstalige schrijfsters worden opgesomd, zonder merkbare selectie op de kwaliteit van hun werk.

Als Van Dam een vergelijking maakt, ziet die er zo uit: 'Sinds zijn vierde hersenbloeding produceert hij bizarre lettercombinaties, alsof er een kat over zijn inwendige toetsenbord loopt.' Of deze, over haar moeder en haar (tweede) man, die nog op hoge leeftijd bij het boodschappen doen lopen te hannesen en goedaardig bekvechten: 'Ja, ze konden het nog, maar ze deden aan bejaarde artiesten denken die het tapdansnummer uit hun gloriedagen opvoerden. Je hield je hart vast dat ze hun benen zouden breken. In die Amstelveense supermarkt had ik opeens het besef dat ook zij sterfelijk waren.'

Voorbeeldig lopende zinnen, met treffende doch geen ongehoorde beelden. Van Dam behoort tot het type dat zich niet als schrijver profileert, maar gewoon eens in de zoveel tijd een boek maakt, nadat er iets vermeldenswaards in haar leven is voorgevallen. Maar dat dan wél goed weet dat het in een verhaal op vertellen aankomt, en niet op bekennen. Vertellen houdt bijvoorbeeld in doseren en uitstellen, zonder de lezer de kans te geven af te dwalen - met opbouwen kortom. Net zoals ze in Het Maggischip deed, waar het schrijnende gedeelte over de dood van het broertje en de vader wordt afgewisseld met het wedervaren van de 'ik' met een kat. De zwaarte komt eigenlijk pas aan de oppervlakte vanwege die onaanzienlijke avonturen met dat diertje.

Zo plompverloren en ongezocht opereert rouw. Tegelijk drukt Van Dam uit dat de onbevattelijke en loden zaken des levens alleen gesignaleerd en verwoord kunnen worden als je een scherp oog houdt voor de gewichtloze.

'Je weet meer dan je denkt. Je ziet meer dan je je realiseert. Aan de randen van je blikveld, op de achtergrond, vanuit een ooghoek. From a corner of the eye, het zou de titel van een lied kunnen zijn, gezongen door Billie Holiday of Dinah Washington', merkt ze op in Familieberichten naar aanleiding van de diefstal van haar rugzak (met alles erin) in Amerika, maar het is ook een leidend motief voor haar werkwijze. 'Na haar dood zocht ik tekens in het halfjaar ervoor', schrijft ze over de moeder. 'Kleine gebeurtenissen kregen reliëf en een dreigende lading.'

Achteraf wil de dochter weten hoe het zat met de oorlogservaringen van haar moeder. Die kwam uit Venray, brak uit haar omgeving om als verpleegkundige te gaan werken in de psychiatrische inrichting Sancta Maria in Noordwijkerhout, en moest in de oorlogswinter van 1942-'43 meehelpen de patiënten te evacueren toen de Duitsers het gebouw vorderden. De reis ging naar . . .Venray, waar ze nu net vandaan was geraakt. Een gevoel van benauwdheid bezorgde haar in de loop van 1943 een ernstige depressie.

Deze episode heeft ze voor haar dochter altijd geheim gehouden. Die reist na haar dood terug, raadpleegt documenten en mensen, allemaal middelen om de stilte van moeders verleden met beeld en geluid te vullen, vergelijkbaar met de achterwaartse reis die Gerard van Westerloo maakt in zijn mooie boekje over zijn moeder Roosje (1994) en die hem bij een naburige instelling in Noordwijkerhout brengt.

Van Dams Roosje heet Toosje, en ook haar kind schenkt haar postuum een liefdevol portret. Minder direct dan dat van de journalistieke Van Westerloo, maar Van Dam houdt dan ook bijna het hele boek lang het schokkende slot van moeders leven achter de hand. Zij moet omzichtiger te werk gaan, omdat ze weet wat wij niet weten - en wat wij pas mogen weten nadat we ons in het voorafgaande hebben aangewend vanuit de ooghoek te kijken.

'Een plaats benaderen' heet het achtste hoofdstuk, waarin alles op zijn plaats valt, ook de mededeling dat de ik-figuur een biologe is. In zinnen die er schijnbaar onaangedaan bij staan, en die het enige moment dat er in het boek sprake is van 'opeens moeten huilen' een passende omlijsting geven.

Buiten dit kernhoofdstuk is er meer dat van Familieberichten een literair document humain maakt, om maar eens een slappe poging te ondernemen tot rubriceren van deze roman. In het hoofdstuk 'Emotionele restwaarde' wordt het verhaal over de ontvreemding van Solange's rugzak verteld via het bezoek van de verzekeringsmedewerker, die haar geheel volgens verwachting duidelijk maakt dat de economische waarde van voorwerpen pijnlijk kan verschillen van hun betekenis.

De droge verwoording van deze ontmoeting, die neigt, maar niet doorslaat naar hilariteit, staat haaks op de afwisseling hiervan met de fragmenten waarin de nalatenschap van de moeder wordt getaxeerd, zowel economisch (door de taxateur) als emotioneel (door de dochter). Om het bekijken van zo'n compositorische vondst alleen al is Familieberichten aan te bevelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.