Het krankzinnig leven van Gabriele d’Annunzio aan de vergetelheid ontrukt


Gabriele d’Annunzio: De schoonheid van de nacht; Uit het Italiaans vertaald en ingeleid door Jan van der Haar. De Arbeiderspers; 479 pagina’s; € 29,99.

Een lul van een vent, maar o wat schreef hij prachtig. Als auteur is Gabriele d’Annunzio (1863-1938) in Nederland zo goed als vergeten, wat ongetwijfeld met zijn even opmerkelijke als omstreden levenswandel – een kunstwerk op zichzelf – te maken heeft.

Nadat hij zich aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog steeds nadrukkelijker als felnationalistische oorlogshitser had gemanifesteerd en daarmee de weg had geplaveid voor Benito Mussolini, waagde geen serieuze uitgever zich nog aan zijn werk. Het groote vuur, een vertaling uit 1900 van Il fuoco, geïnspireerd op d’Annunzio’s verhouding met actrice Eleonora Duse, is zo’n beetje het laatste wat er van de vader van de moderne Italiaanse letterkunde in het Nederlands verscheen.

Onterecht, meent Jan van der Haar, die in 2014 verraste met de vertaling van Dagboek van een vreemdeling in Parijs, een onbekend werk van Curzio Malaparte; ook zo’n omstreden, lastig te plaatsen figuur. En dus maakte Van der Haar een eigenzinnige selectie uit d’Annunzio’s omvangrijke oeuvre, dat nu als De schoonheid van de nacht als nummer 296 in Privé-domein is verschenen.

Erin opgenomen zijn Solus ad solam (1908), het dagboek dat d’Annunzio bijhield toen een van zijn ontelbare maîtresses mede door zijn toedoen in een psychose was beland, Nocturne (1916), dat hij na de crash van zijn gevechtsvliegtuig in blinde toestand schreef, en Het geheime boek (1922), een fragment uit zijn memoires.

Van der Haars selectie is een perfecte inwijding: in minder dan 500 pagina’s komen de belangrijkste avonturen uit het krankzinnige leven van Il Vate, de dichter, voorbij, al verdient het aanbeveling om er een biografie naast te lezen, zoals het voortreffelijke The Pike (2013) van Lucy Hughes-Hallett.

Gravin Giuseppina Mancini was bepaald niet de eerste adellijke verovering van d’Annunzio, die opgroeide in Pescara in de Abruzzen, als wonderkind naar het prestigieuze Cicognini-lyceum in Prato werd gestuurd en op 16-jarige leeftijd als dichter debuteerde.

Aan de gravin gingen onder meer twee prinsessen en een markiezin vooraf, en hertogin Maria di Gallese met wie hij was getrouwd en drie kinderen had. D’Annunzio bedroog haar stelselmatig – een constante in zijn relaties – en liet haar opdraaien voor de vele schulden die zijn exorbitante levenswijze uitlokte – slechts het duurste van het duurste was goed genoeg – waarna zij zich van het leven probeerde te beroven.

Met de gravin, ‘Giusini’, was het anders, blijkt uit Solus ad solam. Want zij kiest, in tegenstelling tot andere liefdes, tenslotte voor haar echtgenoot; een afwijzing die d’Annunzio tot op zijn sterfbed bleef kwellen. Hij adoreerde haar, bedacht zelfs namen voor haar tepels: Muriella (zwarte bes) en Fragoletta (kleine aardbei).

Het dagboek vangt aan op 8 september 1908, als Giusini, verscheurd door schuldgevoelens, de affaire heeft opgebiecht aan haar man, Lorenzo Mancini, een vriend van d’Annunzio. Na een dramatische omzwerving, waarbij ze wordt aangezien voor prostituee en kortstondig wordt ontvoerd, keert ze in overspannen toestand terug naar de echtelijke woning in Florence, waar een dokter haar verzorgt.

In het appartement dat hij speciaal voor hun avontuurtjes huurde en driemaal daags van verse bloemen voorzag, wacht d’Annunzio tevergeefs op haar. De dokter, niet gehinderd door zijn beroepsgeheim, houdt de destijds immens populaire bard nauwgezet van het ziekteverloop op de hoogte. ‘Je verloochende mij, verloochende je liefde!’ noteert d’Annunzio, alsof de gravin niet met Mancini maar met hem is getrouwd. Zijn hart breekt als de dokter vertelt dat Giusini zijn kostbare juwelen niet meer draagt en de wanstaltige trouwring van Mancini, die ook nog eens kleding voor haar blijkt te hebben aangeschaft in een ordinaire confectiezaak, weer om haar vingers heeft geschoven. ‘De heiligschennis is compleet’, schrijft d’Annunzio als ze zijn liefdesbrieven verbrandt.

Acht jaar na het bloemrijk noteren van deze kostelijkheden ligt d’Annunzio blind en stevig vastgesnoerd te bed in zijn chique Venetiaanse appartement.

Een maand eerder, 16 januari 1916, heeft Oostenrijks-Hongaars afweergeschut een Italiaanse tweedekker uit de lucht geschoten. Bij de noodlanding op het water raakt piloot Luigi Bologna een zandbank, waardoor zijn beroemde passagier, die in de oorlog meevliegt in Italiaanse gevechtsvliegtuigen om zijn ronkende propaganda over Groot Italië van levendige observaties te voorzien, hard met het hoofd tegen een machinegeweer slaat.

Pas een maand later meldt d’Annunzio zich bij een arts, die blindheid aan het rechteroog constateert. Om het zwaargehavende linkeroog te behouden dient hij absolute rust in acht te nemen. Gekluisterd aan het ‘ellendebed’ – dochter Renata verzorgt hem, een arts dient zware medicatie toe – slaagt hij er toch in om zinnen te noteren, op strookjes papier. Na drie maanden duisternis heeft hij er al meer dan tienduizend volgekrabbeld, die door Renata worden uitgewerkt.

In Nocturne, hiervan het resultaat, laat hij zijn onstuimige leven, afgewisseld met het verslag van zijn ziekbed, in een reeks hallucinante beelden passeren. In zijn oog, schrijft d’Annunzio, fladdert een vlinder rond. Het oog staat in brand; een demon blaast erin, waarop het vuur oplaait en de herinneringen komen.

‘Vandaag is het zeeleven op de bodem fantastisch’, schrijft hij als de arts een zoutinjectie toedient in het helende oog. In de ‘oceaankolk’ ziet d’Annunzio sirenen, tritons en waternimfen verschijnen, immense koraaltuinen en bloeiende zeeanemonen. Maanden later mag het kompres af en waggelt hij aan de hand van zijn dochter de tuin in, waar hij in het bloemenperk een rozenkever aan het werk ziet: ‘Wie zich voedt met schoonheid, groeit in schoonheid.’

Na dit herstel volgt zijn huzarenstuk: in het najaar van 1919 neemt d’Annunzio met een troep getrouwen Fiume in, het huidige Rijeka, Kroatië. Na de oorlog heeft Italië ondanks geallieerde toezeggingen niets van de Dalmatische kust gekregen, wat de almaar chauvinistischer d’Annunzio (‘Zo sterk als wij zijn, zo sterk is het vaderland’, lezen we in Het geheime boek) niet over zijn kant kan laten gaan.

Na deze onbesuisde coup wordt Il Vate listig door Mussolini opzij geschoven: hij koopt hem af met grof geld en talloze eerbewijzen, waarmee de spilzieke d’Annunzio op zijn landgoed Il Vittoreale, verslingerd aan cocaïne, een soort Neverland creëert. ‘Een rotte kies trek je uit of je overlaadt hem met goud’, lichtte de Duce toe.

Foto Silvia Celiberti
cover besproken boek Foto rv
Meer over