Het Joods-zijn van journalist Ivo Weyel kwam in een ander licht te staan door het oorlogsdagboek van zijn vader

Door het oorlogsdagboek van zijn vader ziet journalist Ivo Weyel het verleden en zijn eigen Joods-zijn in een nieuw licht; het kan zomaar weer misgaan, óók hier. 

Ivo WeyelBeeld Valentina Vos

Met krakende stem, in plechtige bewoordingen nog bekakter dan Beatrix, schrijft hij, hing ze aan de lijn, de verre oude oudtante: ‘Nee Ivo, het is niet juist wat je doet. Je maakt je eigen wat niet van jou is, je neemt iets van een ander en dat is niet anders dan diefstal.’

Journalist Ivo Weyel (63) deed het toch: hij publiceerde het dagboek van zijn vader, dat hij vond na de dood van zijn moeder, in 2015, toen hij samen met zijn broer het ouderlijk huis in Amsterdam moest ontruimen. Achter in de boekenkast stonden drie ordners met duizend pagina’s luchtpostpapier, volgetikt met regelafstand0, over zijn ‘onderduik’ tussen 1943 en 1945.

Weyel gooide in de afgelopen twee jaar als jonge wees wel vaker de kont tegen de krib. Als zelfverklaarde ‘Joodse nicht’ die zich in lijn met zijn opvoeding extravaganza diende te ontzeggen, schafte hij zich een zescilinder Jaguar aan, van 0 tot 100 in nog geen zes seconden en een top van 250kilometer, ‘voor een prijs waar je ook een aardige boerderij in Drenthe voor kunt kopen’.

Vader Arnold Weijel en moeder Rose-Mary Kahntelg uit de rijke handelsfamilie die voor en na de oorlog het modepaleis Hirsch exploiteerde aan het Amsterdamse Leidseplein hadden dit zeker ordinair en patserig gevonden. Zoiets doe je toch niet, Ivo.

Maar Ivo deed het wel. Want dat beeld na de oorlog, uit zíjn jeugd, dat moeders bijous in de kluis werden bewaard en er alleen nog uitkwamen in vertrouwd, intiem gezelschap, dat beviel hem maar matig. Hij was van jongs af aan dol op haar ringen en parelkettingen. Maar zoals grootmoeder zei: ‘Schatz, laat nooit zien dat je rijk bent, dat werkt maar agressie en jaloezie in de hand.’

En antisemitisme.

Dus kom nu maar op met dat clichébeeld van de rijke jood: Ivo Weyel viert het leven, houdt van luxe ‘ja, ik heb wel iets patserigs’. ‘Ik was dol op mijn ouders’, zegt hij. ‘Maar het wees-zijn bevalt me zeer. Er is een grote vrijheid op me neergedaald.’

Oorlogszoon is een dubbeldagboek: van de vader, maar vooral ook van de zoon. Weyel beschrijft hoe hij het dagboek vond, las, in de hoek legde en er weer uithaalde, hoe hij met zijn nieuw verworven kennis aankijkt tegen zijn vader en hoe hij zichzelf hervindt.

Het boek heeft door het inkijkje in de verwoeste geest van vader Arnold een zwaarmoedige lading, en Ivo Weyel zelf blijven de depressies niet bespaard, want hij is in de kern net als zijn vader een tobberige, angstige man - een weglopertje, zoals hij zelf schrijft. Maar door Weyels ontspannen stijl en geestige zelfrelativering beschikt zijn debuut over een heerlijk draaglijke toon.

Zo wil hij in de huid van zijn ouders kruipen, hun wanhoop en uitzichtloosheid ervaren, en dus huurt hij een afgelegen huisje in de Ardennen om er ‘onderduikertje te spelen’ en dat in oktober, midden in het wildseizoen, ‘met everzwijn en hazenpeper binnen handbereik’.

Daar zat u met de verwarming uit en enkel wat korsten brood en een aardappel.

‘Het was een infantiele onderneming. Als je in de auto stapte, was je binnen een kwartier in het dorp, waar de dampen uit de restaurants geurden. Ik ben niet naïef, dus ik wist dat het onzin was wat ik deed: er was geen doodsdreiging en de deadline liep niet verder dan een week. Maar ik wilde in mijn onmacht toch proberen in te voelen wat het is.’

U beleefde het als ‘een derderangs Bekende Nederlander die meedoet aan Expeditie Robinson’. Maar voor u de lachers op uw hand krijgt: die week eindigt wel bij uw psychiater op de sofa.

‘Ik kreeg er een klap van. Ik had The Forsyte Saga meegenomen, omdat mijn grootouders van moederskant dat als enige boek hadden in de eerste jaren van hun onderduik, ik was volop bezig met de oorlog. Het werd me te veel, ik raakte geobsedeerd. Ik ga in mijn leven altijd rustig van a naar b naar c, maar nu was ik bloedfanatiek. Etentje met vrienden? Was er wéér die oorlog. Mijn psychiater maande me tot kalmte: slow down, je trein gaat veel te snel.’

Weyel heeft lang getwijfeld wat hij met het dagboek aanmoest. Toen hij het opensloeg en er voor het eerst in zijn leven een Jodenster aantrof (de draden van vaders jas hingen er nog aan), liep hij kokhalzend door zijn huis. Het heeft een tijd geduurd voor hij het kon lezen en dan vaak nog ondersteund door een paar flessen wijn, om van de droefenis te bekomen.

Op de website van het Joods Historisch Museum telde hij dat er minstens 853Joodse dagboeken bewaard waren gebleven, inclusief dat van Anne Frank. Wat had hij nog toe te voegen? Desondanks moedigde zijn omgeving, onder wie Adriaan van Dis, hem aan het verhaal te boek te stellen. Dit was niet zomaar een dagboek in de reeks ‘het was koud en we hadden honger en we missen onze familie zo’ want, zegt Weyel, heel veel van die dagboeken hebben ongeveer dat niveau. En om de deprimerende reeks te doorbreken, besloot hij er direct maar wat vrolijkheid in te brengen.

Ivo Weyel beschrijft zijn jeugd als één groot feest: ‘Happy days.’ Waar bij Joodse vriendjes in huis vaak een dikke lucht hangt omdat vader of moeder migraine heeft (‘De oorlog’, klinkt er dan), staan in zijn beleving thuis de deuren naar de tuin wagenwijd open, alsof het altijd zomer is.

‘Dokter Weijel’, praktijk aan huis en noodgedwongen zielenknijper van de Joodse weduwen en wezen in Zuid, weet het leed gevangen te houden in zijn spreekkamer. In het gezin is hij de schijnbaar zorgeloze vader die hard klassieke muziek draait en al dirigerend door de huiskamer loopt. Moeder piest regelmatig in de broek, vader laat een boer of een scheet en iedereen ligt dubbel.

Ivo en zijn drie jaar oudere broer worden niet religieus maar wel traditioneel Joods grootgebracht: geen dagelijkse gebeden, maar wel bar mitswa, inclusief sjoeldienst, receptie, diner en honderden cadeaus voor de gelukkige 13-jarige: tientallen gouden manchetknopen, Hebreeuwse bijbels in alle soorten en maten en stapels oorkondes van boomplantingen in het Heilige Land.

Ivo WeyelBeeld Valentina Vos

Over zijn opvoeding hangt één grauwsluier: zijn homoseksualiteit is voor vader onbespreekbaar. Hij wilde er niet over praten, ‘sans mots’. Dit leidt tot zo’n diepe wanhoop, dat Ivo op een avond de huisapotheek plundert en een overdosis pillen slikt. Na drie dagen in het ziekenhuis komt hij weer thuis met een leeggepompte maag. Er verandert niet veel in de relatie. Het zwijgen duurt voort, af en toe hoort Ivo dat zijn vader per abuis over hem spreekt als zijn ‘dochter’.

Na zijn dood kwam er een condoleancebrief binnen van een man die zijn dankbaarheid uitsprak over uw vaders rol bij zijn coming-out. U was geschokt.

‘Ja, en ik haat die brief. Mijn vader had eindeloos gepraat om de christelijke ouders van die man begrip bij te brengen. Het is compleet het tegenovergestelde van wat bij mij gebeurde. Ik kan me er nog kwaad over maken. Pas na lezing van zijn dagboek begrijp ik dat zijn gevoel en verstand twee aparte werelden waren. Hij kon beredeneren dat er niks mis was met mijn seksuele geaardheid, maar als het over zijn zoon ging, kon hij het emotioneel niet aan. Zijn koffertje met leed zat vol.’

Had u een betere relatie met uw moeder?

‘Ja. Ten eerste omdat nichten naar hun moeder trekken. Ik heb nooit ruzie gehad met mijn vader, maar er stond een denkbeeldige slagboom tussen ons in. Hij was erg bezig met politiek. Ik neig meer naar de flamboyante stijl van de familie Kahn aan moederskant.’

Ivo WeyelBeeld Valentina Vos

Uit het dagboek blijkt dat uw vader over onwaarschijnlijke kennis en inzichten beschikt voor een 19-jarige jongeman die zit ondergedoken bij de buren. Hoe verklaart u dit?

‘Ik begrijp daar niets van. Hij heeft altijd een enorme honger naar kennis gehad. Ik denk dat hij toen al zeer belezen was. Hij was een kei in het veralgemeniseren van dingen. Hij heeft het over ‘De oorlog’ en over ‘De toekomst’. Dat was toen al een manier om niet aan zichzelf te hoeven toekomen. Als ultiem voorbeeld schrijft hij op een zeker moment wat de Duitsers na de oorlog zullen zeggen: Wir haben est nicht gewollt. Ongelooflijk, hij zit er dan slechts één woord naast.’

Waarom is dit boek zo’n zware therapeutische zelfsessie geworden?

‘Ik gooi mijn vader voor de leeuwen. Ik vond het niet meer dan fair dat ik dat dan ook met mezelf zou doen. Ik wilde niet buiten schot blijven.’

Sinds het dagboek worstelt u hevig met uw Joodse identiteit.

‘Ik heb niets met religie, heb nooit op Joodse clubjes gezeten ofzo. Mijn nichtje Helene Weijel heeft een boek geschreven over kinderen met een KZ-syndroom, dat vond ik grote onzin, juist omdat ik zo’n leuke jeugd heb gehad. Ik ging gewoon naar Duitsland en mijn ijskast, ik weet het niet, maar die zou zomaar van Bosch kunnen zijn.

‘Door het dagboek ben ik me bewuster van mijn eigen Joodse identiteit. Ik merk dat veel zaken waarop mijn vader zijn hele leven hamerde veel waardevoller zijn dan ik altijd heb gewild. Ik was nooit geconfronteerd met antisemitisme, was er ook niet bang voor. Mijn vader beleefde dit tot in het extreme: alles wat niet-Joods is, is eropuit om je pijn te doen. Ik was er al van overtuigd dat de mens van nature slecht is en dat hij niets heeft geleerd van de geschiedenis, en dat die zich dus zal blijven herhalen. Iedere generatie maakt nieuwe fouten. Maar nu besef ik dat het morgen weer kan gebeuren, ook in Amsterdam, en dat als het misgaat, ze ook achter mij zullen aangaan.’

De kranten staan vol over homogeweld en oplevend antisemitisme. Voelt u zich dubbel kwetsbaar?

‘Ik durf nog steeds ’snachts over straat, maar ik ben alerter geworden. Mijn vader had gelijk: van alle kanten loert het gevaar. Je wilt dat de beschaving een stijgende lijn blijft volgen, dat we hebben geleerd van de fouten. Toen ik jong was, was het Amsterdamse uitgaansleven voor homo’s een feest waar iedere hetero bij wilde horen: vrijheid, blijheid. Dat is weg. Na het bereiken van de top zijn we de berg weer aan het aflopen. We hebben de stijgende lijn verlaten.’

U concludeert in uw boek dat uw vader na de oorlog een camouflagenet over zijn leven heeft gegooid. Daaronder broeide en knetterde het, maar hij hield dat zijn hele leven verborgen.

‘Had ik het geweten, dan was de situatie compleet anders geweest. Dan had ik mijn coming-out met mijn ouders beleefd: hé, kom eens luisteren. Mijn moeder wilde er wel over praten, maar vader hield haar tegen. Goed beschouwd zou het helemaal geen dramatische avond zijn geworden. Zijn dagboek heeft zo veel voor me verklaard. Maar ik word er tegelijkertijd zo verdrietig door, omdat dit een leven is van gemiste kansen. Als ik had geweten wat er in hem omging, had ik een arm om hem heen kunnen slaan. Welbeschouwd heb ik mijn vader pas na zijn dood leren kennen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden