Het is niet plezierig te verdrinken

Michaël Zeeman

Wil dat enigszins dragelijk zijn gebleven voor zijn secretaris, dan betekent dit dat zij zeker tien uur per dag aan het werk zijn geweest, zon- en feestdagen meegerekend. Van een van Nederlands productiefste schrijvers van deze tijd, Arnon Grunberg, de auteur die ook het nawoord schreef van de nieuwe vertaling van Stendhals roman, De Kartuize van Parma, wordt beweerd dat hij iedere dag duizend woorden schrijft. Als híj daarmee in vergelijking met Stendhal al een luilak is, wat moeten we dan denken van al die anderen, Martin Bril uitgezonderd?

Natuurlijk, Stendhal was al eerder begonnen met het maken van aantekeningen die ten slotte tot fragmenten in De Kartuize van Parma zouden uitgroeien, dertig jaar eerder al zelfs, op de terugweg van Moskou met Napoleons leger. Wat hij toen aan narigheid onder ogen kreeg, een leger op de vlucht na het verlies van een veldslag, zou hij gebruiken voor de passages die in De Kartuize aan de Slag bij Waterloo zijn gewijd. En ook later, in zijn Italiaanse kronieken, oefende Stendhal als het ware op fragmenten over de geschiedenis van Italië, die ten slotte in zijn roman terecht zouden komen.

Dat neemt niet weg dat het duizelingwekkend is, vijfduizend woorden per dag, iedere dag opnieuw, ruim zeven weken ononderbroken - én dat het aan het resultaat te zien is. Ik heb het niet over de kleine slordigheden en vergissingen, die ondanks de correcties die Stendhal na de kerstdagen van 1839 nog in het manuscript aanbracht, in de tekst zijn achtergebleven, wisselingen in de spelling van eigennamen, kleine inconsistenties. Ook in zijn andere, minder vliegensvlug tot stand gekomen boeken zijn dergelijke ondergeschikte onregelmatigheden wel aan te wijzen. Die lichte slordigheid maakt hem juist zo sympathiek. Nee, je ziet het, meen ik, aan de ontspannen toon van veel van Stendhals zinnen en aan de wijze waarop hij soms afstand neemt van het verhaal en een bijna schalks onderonsje met de lezer begint.

Hier is iemand aan het werk die wil amuseren, iemand die op ongelegen momenten zichzelf even niet zo serieus neemt, misschien wel omdat hij op dat moment een kwinkslag jegens zijn geplaagde secretaris wilde maken. Dat La Chartreuse de Parma niet is geschreven maar gedicteerd, maakt het aantrekkelijk om veel ervan hardop te lezen, voor te lezen desnoods. Het is zelfs onvermijdelijk om, net als Grunberg in zijn nawoord doet, er hele zinnen in aan te strepen, zinnen waarom je glimlacht of zelfs halfluid in de lach schiet, zinnen die je subiet aan iemand moet voorlezen.

En nu komt het mirakel of het moment van de genade of allebei: dat werkt niet alleen bij de originele Franse tekst zo, het werkt minstens zo goed bij de nieuwe vertaling die Theo Kars ervan maakte.

Die vertaling is schitterend: fris, bij de tijd, soepel en vrijwel onafgebroken vindingrijk. Alle keren dat ik dacht: dat kan er niet staan, dat is veel te hedendaags, ben ik het gaan controleren in de grondtekst - en, verdomd, iedere keer had Kars gelijk: het stond er en het stond er zo. Kars heeft van Stendhals tekst geen quasi-19de-eeuws Nederlands gemaakt, maar juist gezocht naar een zo compact en levendig mogelijk Nederlands. Dat doet Stendhals ironie en plezier oplichten.

Het boek speelt aan het eind van de 18de en vooral in het begin van de 19de eeuw, behoudens het uitstapje dat de held van het verhaal naar het heuvelachtige achterland van Brussel maakt, in en rond Milaan, aan het Como-meer en in Parma en wijde omgeving. Onderwerp zijn de zich stierlijk vervelende aristocratie van Noord-Italië en de chaos die een enigszins onnozele jongeman in het sociale leven weet te veroorzaken door zijn behoefte een haast middeleeuwse held uit te hangen. Hij is nog klein als Napoleon zijn successen viert door heel Europa, Noord-Italië incluis, en als hij eraan toe is zijn idool een handje te gaan helpen is het in feite al afgelopen met de kleine Corsicaan. De inzet van het verhaal is vanaf dat moment een door alle betrokkenen verkeerd begrepen idee van heldhaftigheid.

Naar bekend is een held iemand wiens roekeloosheid ongestraft is gebleven. Van déze held wordt de roekeloosheid keer op keer gestraft, maar niet hard genoeg - bovendien krijgt hij, zodra hij in de penarie zit, hulp van allerlei figuren die zich tegelijkertijd willen onderscheiden en hun verveling willen bestrijden. Al bij al levert dat een soort hilarokomedie op, met alle zetstukken van de Middeleeuwen, geplaatst in een beduidend comfortabeler tijd. Het gaat om ridders en kastelen, om eer en hoofse liefde, maar dat alles is gevat in de papperige saus van de Romantiek - en dus is het allemaal fake, ook al beseffen de betrokkenen dat niet. Juist daarom werken Stendhals relativerende opmerkingen en spot, die vaak ook zelfspot is, zo goed.

De held raakt, bijvoorbeeld, te water, om zijn tamelijk maffe tante te redden. 'Het is ongetwijfeld niet plezierig te verdrinken', schrijft Stendhal dan, 'maar de verveling was wel opeens verdreven uit het feodale kasteel.'

Iemand beseft ineens dat hij welbeschouwd voor schut loopt in het type apenpakjes dat aan de Noord-Italiaanse oeuvre werd voorgeschreven. 'In Spanje trotseerde ik de kogels van de vijand, nu kleed ik mij als een figuur uit een blijspel om riant gehuisvest te zijn en een paar duizend lire te verdienen', laat Stendhal hem bij zichzelf overwegen. Die ontspannen toon, de toon van een verteller die zelf het artificiële van zijn hele onderneming wel inziet, bewerkstelligt gek genoeg een versterking van het verhaal.

Dat verhaal is vaak ronduit bespottelijk: ongeveer eenderde van het boek wordt besteed aan de ontsnapping uit een krankzinnige gevangenistoren bij Parma, waar de held op zijn executie zit te wachten, Terwijl zijn fans buiten kosten noch moeite sparen om hem eruit te krijgen, wil hij er helmaal niet uit, want hij is voor het eerst in zijn leven smoorverliefd geworden, en wel op de dochter van de gevangenisdirecteur.

Stendhal leeft zich uit in de beschrijving van de architectuur van die gevangenis en de excessen die worden aangewend voor de ontsnapping. Zonder zijn virtuoze ironie zou dat hooguit een wat langdradig jongensboek hebben opgeleverd, maar met die toon komt er een moment waarop je, als een kleine jongen, al die onzin serieus gaat zitten nemen (en zelfs - ik beken het met lichte gêne - opgetogen gaat zitten uittekenen hoe die gevangenis eruitgezien moet hebben). De verteller verleidt, de verteller betovert, zeker voor de duur van een weekeinde, dat is de tijd die het neemt om die zeshonderd pagina's te lezen.

Dat is groots, dat is indrukwekkend - en dat 'wegraken' is voor een niet gering te danken aan de vertaler.

Stendhal: De Kartuize van Parma.
Uit het Frans vertaald door Theo Kars.
Athenaeum-Polak en Van Gennep; 608 pagina's; euro 36,90.
ISBN 90 253 4980 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden