‘HET IS NET ALS TAFELTENNISSEN’

Vijfenvijftig jaar al is Erik Vos verbonden aan het theater. Bij het Nationale Toneel regisseert hij nu Maria Stuart, een historisch drama dat volgens hem parallellen vertoont met onze huidige regering....

Hij buigt voorover, het lijf gespannen als een veer. Alsof hij zichzelf tegen moet houden om niet meteen op te springen. Erik Vos (77) kijkt gefascineerd naar zijn actrice. Als een vogeltje zit ze in elkaar gedoken. Op het grote, lege toneel lijkt ze nog nietiger. Een koningin op haar troon, maar totaal vertwijfeld. Zal ze het doodvonnis ondertekenen waarmee haar nicht wordt onthoofd? ‘Mooi’, zegt Vos, zichtbaar geraakt, met iets van triomf. En meteen daarna dwingend: ‘En nu tekst.’

Vos repeteert in een Haagse kerk met acteurs van het Nationale Toneel aan Maria Stuart van de Duitse schrijver-filosoof Friedrich Schiller. Een historische tragedie uit 1800 over twee vrouwen, Maria en Elisabeth. Maria zit gevangen en wacht op haar doodvonnis, dat Elisabeth moet ondertekenen. Hij had de voorstelling graag in Carré gezien, dat kon niet. Nu probeert hij in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag zijn eigen ruimte te scheppen met een reusachtig draaitoneel. Vos: ‘Daardoor wisselt het perspectief: het ene moment kijk je als publiek naar het hof, het volgende naar de gevangenis. Dat maakt zo’n voorstelling filmisch. In een toneellijst heb je die spanningswisseling niet. Dat is veel saaier.’

Hij zoekt naar de spanning van een thriller. ‘Om die twee vrouwen dwarrelt het bijenvolk, allemaal mannen. Twee koninginnen, dat gaat niet. Dit stuk gaat over macht, over de erotiek van de macht. En over vrijheid. Maria zit gevangen, Elisabeth denkt dat ze vrij is. Maar heeft ze eenmaal getekend, dan is juist zij de gevangene van haar besluit. Terwijl Maria dan bevrijd is, verlost van de angst.’

Dit politieke spel lijkt voor Vos veel op wat er bij onze regering gebeurt. Wat is rechtvaardigheid, wat is eigenbelang, wat doet macht met mensen en wat doen mensen met macht? ‘Als een publiek dat niet herkent, hebben wij gefaald.’

De katholieke Maria van Schotland (1542-1587) en haar nicht, de protestantse Elisabeth I van Engeland (1533-1603), bevochten elkaar op leven en dood, met de Engelse troon als inzet. Maar ze hebben elkaar in werkelijkheid nooit gezien. ‘Schiller zet er zijn poëtische waarheid tegenover. Maar hun ontmoeting zou even goed een droom kunnen zijn. Ik zie een dans voor me of zo’n straatmeidengevecht. De actrices, Will van Kralingen en Mirjam Stolwijk, hebben dat een keer gedaan. Mirjam sprong bovenop Will. Die gilde en rende weg. Mirjam achter haar aan.’

Acteurs kunnen bij hem blijven rotzooien, blijven zoeken waar ze het vandaan moeten halen. ‘Ik geef ze veel vrijheid. Kennen ze hun tekst niet, dan is dat hun eigen verantwoordelijkheid. Dan lopen ze met tekst in hun hand, dat is lastig. Maar dat heeft ook weer voordelen, dan doen ze vaak dingen die je totaal niet verwacht.’ Hij vraagt veel van zijn spelers, maakt lange dagen. ‘Ik pik er hier en daar scènes uit, niet volgens een psychologische lijn. Er zijn zoveel andere lijnen, associatief, muzikaal, beeldend.’ Pas op het laatst legt hij dingen vast. ‘Dat is het kloppend maken van het niet kloppende.’

Vos is als regisseur een van de gezichtsbepalende figuren geweest voor het theater van de laatste vijftig jaar. Lijfelijk theater stond hij voor, waarin techniek, beweging en een beeldende tekstbehandeling ruimte lieten voor impulsiviteit. Als drijvende kracht achter de Haagse theatergroep De Appel werd hij verguisd en bejubeld. ‘In Amsterdam noemden ze ons esthetische antroposofen.’ Maar 28 jaar lang loodste hij het gezelschap door tal van stormen. Het trouwe publiek zorgde voor een eigen theater, waardoor het gezelschap nauwelijks hoefde te reizen. Nog steeds kan Vos fulmineren tegen de reisverplichting. ‘Het is dodelijk, een voorstelling slijt. Elke zaal heeft een eigen adem, een eigen resonans, dat went niet in een dag.’

In 1948 ging hij medicijnen studeren. Dokter wilde hij worden, net als zijn vader. Maar in 1950 brak hij zijn studie af en ging naar Parijs. ‘Mime was mijn ding, ik had Jean-Louis Barrault zien spelen, dat vond ik magie. Ik wou hem ontmoeten.’ Daarna kwam Vos terecht bij de wereldberoemde mimespeler Marcel Marceau. ‘Die zei: wil je het echt doen of alleen voor de lol? Nee, zei ik, ik wil het echt. Nou, zei Marceau, dan moet je naar Étienne Decroux, de grondlegger van de mime corporel. Dat is de basis. Daar ben ik twee jaar geweest. Decroux was geniaal, bezeten door het idee dat er een beweging zou bestaan die naar iets zou leiden wat we niet kennen.’

Na Parijs volgde de Toneelschool in Amsterdam en de opleiding tot regisseur. Bij zijn sollicitaties kon hij nergens terecht, daarom besloot hij voor zichzelf te beginnen, met De Appel. In 1972 richtte hij met een groepje gelijkgestemden het gezelschap op dat uit zou groeien tot een vaste plek waar onder zijn leiding circus en klassiek theater een eenheid werden. Tien jaar geleden vertrok hij. Zonder gezelschap op zijn nek ging hij heel andere dingen doen. Opera regisseren in Rusland, toneel bij de Schaubühne in Berlijn, een choreografie maken voor Jirí Kylían en een boek schrijven over theater, De hele wereld is toneel.

Samen met zijn vaste ontwerper Tom Schenk maakte hij vier jaar geleden een tentoonstelling in Museum Beelden aan Zee over 9/11. ‘We bouwden het hele museum om. Een massa Afrikaanse beelden die keken naar die brandende wolkenkrabbers. Over media-aandacht gesproken. De Amerikaanse ambassadeur opende de expositie. Die schrok zich dood.’ Hij vindt zichzelf geëngageerder dan vroeger. En minder ijdel. Zelfs succes interesseert hem niet langer. ‘Ik heb vooral meer respect voor de acteur, voor de zwaarte van hun vak. Vroeger had ík altijd gelijk. Wat ik wou was het beste dat er was.’

Hij vindt het leuk om nog iets te doen, maar hij kan zich ook voorstellen dat het op een gegeven moment niet langer hoeft. Elk jaar geeft hij workshops aan acteurs op de Toneelschool in Amsterdam en Maastricht. ‘Veel acteurs zijn zich totaal niet bewust van wat ze doen. Van de ruimte, van hun lichaamstaal. Je moet de woorden die je zegt echt voelen in je lijf. De beelden die de schrijver je aanreikt, moeten actueel gemaakt worden door de acteur. Anders blijft het klassiek geneuzel. Schiller laat Maria zeggen: een vlam van haat. Die woorden moeten je echt verschroeien, anders kun je net zo goed zeggen: een pan vol kaas.’

Voorlopig is zijn werklust nog onverminderd, een voorstelling bereidt hij minstens een jaar voor. Het liefst in zijn boerderij in Frankrijk. Zonder telefoon, televisie, krant of kleinkinderen. Zijn vrouw, de schrijfster Inez van Dullemen, werkt in een andere vleugel, ‘dan horen we mekaar niet’. Hij maakt regieboeken, nauwkeuriger en uitvoeriger dan wie dan ook. Hij laat er een zien. Woord voor woord is de tekst ingedeeld, overal strepen, kleuren, aantekeningen. ‘Ik ritmeer, kijk in de dialogen wie aanvalt en wie antwoordt. Het is net tafeltennissen. Kijk, hier geef ik aan waar muziek moet komen; de kernmomenten van een scène maak ik geel of blauw. Mijn geheugen wordt minder, als ik visioenen heb, noteer ik ze. Invallen, plaatjes uit kranten, kijk, hier een tekening over ruimtegebruik.’ Eenmaal aan het repeteren, kijkt hij er geen moment meer naar om. Het is hoogstens een steun in de rug.

‘Tijdens repetities kunnen acteurs zulke geweldige vondsten doen – die kun je nooit bedenken. Neem Will, als Elisabeth aarzelt ze almaar om het doodvonnis van Maria te ondertekenen. Ze improviseerde, duwde haar troon in wanhoop van zich af, maar haar hand bleef haken, ze had een flinke splinter. Die trok ze eruit, bloed. En ineens pakt ze het papier dat daar maar lag te wachten en ondertekent het vonnis met een bebloed stukje hout. Dat verzin je niet.’

Hij hangt aan zijn vaste acteurs. Met een aantal is hij bevriend, zoals met Carol Linssen. ‘Een vriendschap van veertig jaar, we schrijven elkaar nog altijd. Dat is kostbaar, met acteurs komt dat bijna niet voor. Die zijn met je bevriend zolang je met ze werkt.’ Hij probeert zijn acteurs regelmatig in een chaos te gooien, dan doen ze juist mooie, impulsieve dingen, weet hij. Het denken zit de creativiteit vaak in de weg, Schiller zei het al.

Elke twee jaar reikt hij een prijs uit met zijn naam aan een veelbelovend jong talent. Dit seizoen aan de 28-jarige regisseur Jetse Batelaan, vanwege zijn fantasie en durf. Hoe denkt hij over de jonge generatie regisseurs? ‘Wat me beangstigt, is hun onbekendheid met techniek. Beweging, een inzet nemen, doseren, opbouwen. Niet in het begin alles weggeven. Dat geldt voor alle kunst. Denk aan het begin van de Mattheüs Passion, hoe de muziek toewerkt naar het openingskoor. Spanning creëren. Je moet een emotionele omslag kunnen maken midden in een tekst. Dan luisteren mensen. Niet voor de tekst begint al een omslag hebben gemaakt en dan met de tekst rechtdoor lopen.’

Hij vertelt bevlogen, gepassioneerd. Wat heeft hem toch aan dat theater gebonden al die 55 jaar? Het samenwerken met anderen? De dichters, de schrijvers, de muziek? Net als zijn vader speelt hij piano, Bach. Toen zijn kinderen nog klein waren, kwam elke zondag de hele straat binnen. ‘Dan speelden we cantates met zijn allen, het mooiste dat er is.’ De meeste van die kinderen zijn naar het conservatorium gegaan, net als zijn zoon Matthijs die al jaren muziek bij zijn voorstellingen maakt.

Ooit spijt dat hij geen arts is geworden? ‘Wat is het verschil? Ik ben ook zielendokter. Neem Lessing, Duits toneelschrijver en arts, die beschrijft hoe hij een lichaam ziet op de snijtafel. Elk deel lag open, behalve het hoofd. Precies in dat hoofd zou hij het liefste doordringen. Dat herken ik. Dat verlangen zet ook mij steeds weer in beweging. Wat speelt zich onder die hersenpan af?’

Maar voor alles is het de pijn. Hij wil de verschrikking voelen van zijn eigen emoties die door het regisseren van een voorstelling naar boven worden gehaald. Zoals bij Ghetto, het stuk van de Israëlische auteur Joshua Sobol over de verschrikkingen in een concentratiekamp. ‘Aus Greidanus speelde daar een SS-officier die aan het slot iedere gevangene executeerde. Als laatste richtte hij op Sacha (Bulthuis), die een pop speelde. Ik zei vanaf de kant tegen haar dat ze heel langzaam dood moest gaan. Eerst een arm, een andere arm, het hoofd. Zo coachte ik haar en ineens voelde ik dat ik degene was die haar aan het fusilleren was. Ik stortte volledig in.’

Zijn vader was joods, directeur van een sanatorium in Hellendoorn. ‘In huis droeg hij geen ster, dat hoefde ook niet. Toen dicht bij ons huis V2’s zouden worden afgeschoten, kwam er een Duitse officier langs. Mijn vader stond in de gang. ‘Bent u joods?’ ‘Ja.’ ‘Waarom heeft u geen ster op?’ ‘Die hoef ik binnenshuis niet op.’ Hij werd wel gewaarschuwd. Als hij zou onderduiken, zouden zijn vrouw en kinderen worden opgepakt. Na een paar dagen werd hij gehaald. Het liep al tegen het eind van de oorlog. Niemand wist waar hij was.

‘Een tijd later kwam hij plotseling weer thuis, lopend vanuit Almelo. De avond voordat de Duitsers vluchtten, hadden ze alle gevangenen doodgeschoten. Ze trokken gewoon de celdeur open en maakten elke gevangene af. Toen een bewaker mijn vaders cel opende, schrok de man en zei: ach, bent u het dokter? En hij gooide de deur weer dicht. Het was een oud-patiënt van hem. Hoe is het mogelijk? Mijn vader was de enige overlevende. Ik moet daar altijd aan denken als Het Lot ter sprake komt. Is er een lot? Zijn wij zelf het lot? Dat vind ik in het toneel, dat soort vragen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden