Het innerlijk uitspansel; AMERIKAANSE PSYCHOLOOG ONDERZOEKT WERKING VAN 'IMPLICIET GEHEUGEN'

ONS GEHEUGEN is kwetsbaar en taai tegelijk. Er is maar weinig voor nodig om het te ontregelen. Een bloedinkje, een kort zuurstofgebrek, een infectie van het hersenvlies - een kleinigheid kan al onherstelbare schade aanrichten....

Maar zelfs bij de meest ingrijpende vormen van geheugenverlies blijft er ook veel intact. Mensen met amnesie herinneren zich nog wel de betekenis van woorden en symbolen, weten nog hoe je spreekt en welke bewegingen je moet maken als je je aankleedt of wilt eten. Hoe groot de ravage bij hersenletsel ook is, sommige delen van het geheugen blijken er naderhand merkwaardig ongeschonden bij te staan.

Uiterst vatbaar voor verstoring is - ironisch genoeg - juist wat men in het dagelijks spraakgebruik onder 'geheugen' verstaat: het vermogen je persoonlijke ervaringen vast te leggen en weer in je herinnering terug te roepen. Deze innerlijke autobiografie kan in het ongerede raken door twee soorten geheugenverlies, die zich laten afpassen op een tijdas.

Bij de ene vorm, retrograde amnesie, zijn de herinneringen aan gebeurtenissen vóór het letsel aangetast. In de meest extreme vorm is alles weg: waar je vandaan kwam, wat je deed, wie je was. Tegenover je verleden sta je even onwetend als tegenover je toekomst, tegenover jezelf even onwetend als tegenover een vreemde.

De andere vorm, anterograde amnesie, verhindert het vastleggen van herinneringen na het letsel. Bij deze vorm van geheugenverlies behoud je je verleden, maar zal je toekomst, hoe lang je ook leeft, nooit jouw persoonlijke verleden worden.

Of de patiënt nu aan de ene of de andere vorm lijdt, in beide gevallen is de tijd voor hem in één richting afgesloten. Wie door een combinatie van deze twee stoornissen wordt getroffen, komt terecht in een segment van de tijd dat naar beide richtingen is afgesloten, een heden zonder breedte; zo iemand leeft, zoals de vrouw van een Alzheimerpatiënt het eens omschreef, 'in het nu en het nu en het nu'.

In De kunst van het geheugen schrijft Daniel Schacter, hoogleraar psychologie aan Harvard University, dat geheugenverlies soms zijn eigen vorm van barmhartigheid met zich meebrengt. De patiënt wordt geconfronteerd met de pijnlijke gevolgen van zijn defecte geheugen - en vergeet ze onmiddellijk weer.

Bij onderzoek waar mensen zelf via vragenlijsten moeten rapporteren over de kwaliteit van hun geheugen, is het een beruchte methodologische complicatie: als de respondenten vergeten hoe vaak ze iets waren vergeten, komt een verslechtering van het geheugen tot uiting in steeds gunstiger scores. Sommige mensen hebben zo'n slecht geheugen dat ze zich geen enkele reden tot klagen herinneren.

Is dat werkelijk een troost? Nauwelijks. Wie niet kan onthouden dat hij veel vergeet, zal zichzelf er moeilijk toe kunnen brengen vervangende strategieën te leren. Ook zit er iets meewarigs in valse geruststelling. Sommige patiënten met een letsel in de voorhoofdskwabben weten het vertrouwen in hun geheugen te behouden door te confabuleren. Ze vullen de leemten in hun geheugen met verzonnen gebeurtenissen die ze later zelf niet meer van authentieke herinneringen kunnen onderscheiden. De menselijke geest kent, net als de natuur, een horror vacui: liever een fictief verleden dan leegte.

Geheugenverlies is het moeilijkst te verdragen in de eerste periode. Patiënten met Alzheimer doorlopen alle stadia tussen lichte verontrusting en regelrechte paniek bij het besef iets niet meer te weten dat een normaal, gezond iemand wél weet. Het vooruitzicht dat je ten slotte zult vergeten wat je allemaal bent vergeten en dat je dat dan ook niet meer zult missen, is geen troost, want het betekent dat je uiteindelijk zelf gewist bent.

Wat de omgang met dierbaren die hun geheugen kwijt zijn zo pijnlijk maakt, is dat de instrumenten voor een gesprek - de woorden en het vermogen die te begrijpen - vaak nog lange tijd intact blijven, terwijl uit de gesprekken zelf gevoel en diepte beginnen te verdwijnen. Toespelingen op gedeelde ervaringen brengen aan het licht dat die ervaringen niet langer werkelijk gedeeld zijn. De woorden betekenen nog wat ze vroeger betekenden, maar laten geen associaties meer meeklinken, er resoneert geen verleden. Het is alsof je snaren aanslaat die niet meer over een klankkast gespannen staan.

De kunst van het geheugen gaat, zoals de meeste boeken over geheugen, vooral over vergeten. Schacter onderscheidt tientallen soorten amnesie en elke vorm heeft zijn eigen oorsprong en effecten. Amnesie als gevolg van een plotseling hersentrauma heeft een ander verloop dan amnesie door Alzheimer en 'bronamnesie', het vergeten wat de herkomst is van je herinnering (werkelijk beleefd, film, gelezen, gedroomd), heeft weer andere consequenties dan geheugenverlies door het syndroom van Korsakov. Met sommige mensen lijkt er helemaal niets aan de hand te zijn, zolang de omgeving het steunweefsel van vertrouwde associaties intact laat.

0 N EEN HOOFDSTUK over de effecten van hersenziekten op het geheugen beschrijft Schacter zijn belevenissen tijdens een partij golf met Frederick, een man van in de vijftig met beginnende Alzheimer. Frederick speelde al dertig jaar. Bij de twee ronden die ze spelen, raakt Schacter onder de indruk van wat er allemaal goed gaat: de kwaliteit van Fredericks slagen is in overeenstemming met zijn handicap, hij kiest de juiste clubs, hanteert moeiteloos zijn golftermen en praat honderduit over birdies, doglegs en finesse-slagen. Ook zijn kennis van de golfetiquette laat niets te wensen over: als zijn eigen bal tussen de hole en de bal van Schacter ligt, pakt hij hem op, markeert de plek met een munt en wacht netjes tot Schacter geput heeft. Het terugvinden van de bal na de slag is geen probleem voor Frederick: hij slaat en gaat achter de bal aan.

Halverwege de ronde besluit Schacter tot een experiment; men is tenslotte psycholoog. Hij stelt voor de volgorde van afslaan om te draaien: eerst Frederick, daarna hijzelf. Onmiddellijk ontstaan er problemen. De tijd dat Frederick moet wachten tot ook Schacter heeft geslagen, is net te lang om te kunnen onthouden waar zijn eigen bal terechtkwam. Als ze van de tee vertrekken, moet Schacter hem helpen zijn bal te zoeken.

Na afloop, in het clubhuis, zijn alle herinneringen aan de ronde gewist en houdt Frederick de schijn op met algemeenheden als 'mijn putts waren vandaag niet geweldig'. Een week later, als Schacter hem afhaalt voor een tweede partij, waarschuwt Frederick dat hij er niet al te veel van moet verwachten: hij heeft al maanden niet meer op de golfbaan gestaan.

Al die soorten van vergeten, hoe ontwrichtend ook voor de patiënt, zijn een zegen voor de theorievorming in de geheugenpsychologie. Selectieve uitval van functies geeft een indruk van de verbindingen tussen verschillende vormen van geheugen en kan tot ontdekkingen leiden op plaatsen waar niemand zou vermoeden dat er iets te vinden was. Het experimentele werk van Schacter zelf bevat daarvan een intrigerend voorbeeld.

Schacters reputatie in de psychologie berust op zijn onderzoek naar een verschijnsel dat hij het 'impliciet geheugen' heeft genoemd. Het impliciet geheugen bevat de neerslag van ervaringen waaraan je geen bewuste herinnering hebt en die toch je beleven en handelen beïnvloeden. Het is een compartiment in het geheugen waar introspectie geen toegang heeft. Dat het bestaat blijkt alleen uit de effecten op gedrag.

Het impliciet geheugen werkt ondergronds en is vrijwel onvernietigbaar. Zelfs patiënten waarbij zo goed als alle normale geheugenfuncties zijn uitgevallen, blijven vaak de beschikking houden over een werkend impliciet geheugen.

De eerste aanwijzingen dat er zoiets moest bestaan als een impliciet geheugen, doken eind jaren zestig op in proeven met patiënten waarbij de diagnose anterograde amnesie was gesteld. Als men deze patiënten liet oefenen met het lezen van spiegelschrift, leerden zij dat even snel als mensen zonder geheugenstoornis. Het wonderlijke was dat zij de oefeningen zelf vergaten - en zich iedere ochtend heel beleefd opnieuw aan de proefleider voorstelden - maar toch net zo snel vooruitgingen als gezonde proefpersonen. Ze onthielden het geleerde, niet het leren.

De afgelopen vijftien jaar is getracht dit merkwaardig resistente deel van het geheugen voor experimenteel onderzoek te ontsluiten. Lange tijd werd gedacht dat het impliciet geheugen beperkt bleef tot eenvoudige motorische en perceptuele vaardigheden, maar recent hebben Schacter en zijn collega's ook 'hogere' psychische functies als het begrijpen van zinnen onderzocht, met al even tegenintuïtieve uitkomsten.

In een van de proeven kregen mensen met geheugenverlies zinnen aangeboden waaraan zonder uitleg geen touw was vast te knopen. Een voorbeeld is: 'De hooiberg was belangrijk omdat het doek scheurde.' Pas na toevoeging van 'parachute' kun je een betekenis verzinnen: de parachute scheurde, maar gelukkig viel de springer in een hooiberg. Op dezelfde manier kun je de zin 'De noten waren vals omdat de naden barstten' pas begrijpen na de aanwijzing 'doedelzak'.

De geheugengestoorden kregen een reeks van dit soort zinnen te horen, samen met de oplossing. Toen ze enkele dagen later dezelfde zinnen voorgelegd kregen, zonder de aanwijzing, kwamen de zinnen hun volkomen vreemd voor: 'Nooit eerder gezien.' Gegeven hun stoornis is dat niet vreemd. Toch hadden ze geen enkele moeite met de betekenis. Als de proefleider vroeg hoe het kon dat ze die cryptische zinnen zomaar begrepen, kreeg hij als antwoord dat de betekenis toch volkomen duidelijk en logisch was. Onder een laag waarin alles binnen een paar minuten weer was gewist, bleek iets te zijn vastgelegd dat niet meer voor het bewustzijn was op te roepen, maar wel invloed had op het verwerken van taal.

Het is verleidelijk dat impliciet geheugen op te nemen in de ruimere theorie van het volmaakte geheugen. Zou ons geheugen niet zo kunnen werken dat alles wat we zien, meemaken, denken, dromen of fantaseren, wordt opgeslagen? In 1980 hield Elizabeth Loftus een enquête onder psychologen, die uitwees dat een forse meerderheid (meer dan 80 procent) ervan overtuigd was dat ons brein een volledig register van al onze ervaringen bevat. Schacter is daarover, net als Loftus zelf, sceptisch.

Allereerst zou een geheugen dat alles bewaart, al snel niet meer efficiënt kunnen werken. In de massa aan materiaal zouden zelfs de krachtigste zoekprocedures met overload te kampen krijgen. Een geheugen dat niet kan vergeten, zou een pathologie zijn, een handicap.

Bovendien is het biologisch onwaarschijnlijk. Herinneringen liggen opgeslagen in hersenweefsel dat allerlei organische veranderingen ondergaat: groei, stofwisseling, beschadiging, verval, sterfte. Dat de sporen van onze ervaringen een mensenleven lang onaangetast blijven, is niet goed denkbaar.

En ten slotte zou een volmaakt geheugen in strijd zijn met de in duizenden proeven bevestigde globale 'wet' dat we meer vergeten naarmate er meer tijd verstrijkt.

Die 'wet' moet tussen aanhalingstekens, want er zijn een paar uitzonderingen. Aan de randen van ons geheugen doen zich verschijnselen voor die juist een inbreuk zijn op de globale verhouding tussen tijd en vergeten. Bij ernstig depressieve mensen die elektroshocks ondergaan en als gevolg daarvan tijdelijk aan retrograde amnesie lijden, komt het verre verleden eerder terug dan het recente verleden. Herinneringen herstellen zich van veraf naar dichtbij. Deze uitzondering is vastgelegd in een eigen 'wet', genoemd naar de Franse neuroloog Ribot.

Ook in de ouderdom maakt het geheugen een beweging tegen de tijd in. Als men mensen trefwoorden voorlegt met het verzoek bij elk woord een herinnering te vertellen, zullen de meeste van die herinneringen betrekkelijk recent zijn. Anders gezegd: bij het trefwoord 'verhuizing' vertelt iemand waarschijnlijk een herinnering aan de laatste verhuizing die hij meemaakte.

Als je de gerapporteerde herinneringen dateert, onderbrengt in staafdiagrammen en uitzet op de tijdas van iemands leven, zie je de staven naar rechts oplopen, met de langste bij de meest recente gebeurtenissen. Maar als je dezelfde proef doet met oudere mensen, valt er aan de linkerzijde, bij de korte staven, iets merkwaardigs te observeren. Rond de late adolescentie en vroege volwassenheid staan staven die langer zijn dan de staven direct links of rechts daarvan.

0 ET verschijnsel staat bekend als de 'reminiscentiepiek'. Nu is 'piek' een groot woord voor wat in feite niet veel meer is dan een hobbel op een verder gelijkmatige helling, maar de afwijking is significant en wordt groter naarmate men oudere proefpersonen onderzoekt. De hobbel tekent zich het duidelijkst af als men ouderen uitnodigt herinneringen te vertellen aan gebeurtenissen die een grote persoonlijke betekenis voor hen hadden.

Over de verklaring voor deze reminiscenties lopen de meningen uiteen. Dat je je gebeurtenissen uit die periode goed herinnert omdat je geheugen juist toen in de beste conditie was, lijkt niet waarschijnlijk: het geheugen heeft zijn grootste kleefkracht op jongere leeftijd.

Ook is wel geopperd dat ons geheugen goed overweg kan met 'eerste keer'-ervaringen: niet alleen de eerste keer herinneren de meesten zich goed, maar ook de eerste keer dat je rijles kreeg of zonder je ouders op vakantie ging. Helaas laat deze theorie weer onverklaard waarom mensen van middelbare leeftijd géén reminiscentiepiek hebben. Misschien zal onderzoek naar de herinneringen zelf die in de piek liggen opgetast, kunnen ophelderen waarom nu juist deze ervaringen de associaties van de ouderdom naar zich toe weten te trekken.

In een brief uit 1922 kwam Proust te spreken over tijd en geheugen. In de herinnering, schreef hij, bedienen we ons van 'een telescoop, een telescoop op de tijd gericht, want een telescoop maakt sterren die voor het blote oog onzichtbaar zijn, zichtbaar voor ons, en ik heb geprobeerd voor het bewuste onbewuste verschijnselen zichtbaar te maken, waarvan sommige, die geheel vergeten zijn, in het verleden liggen'.

Het is een prachtig beeld, passend bij de optica van de terugblik. Het maakt van ons geheugen een innerlijk uitspansel waarin de herinnering de tijd naar believen kan verkorten en gebeurtenissen van een mensenleven geleden je opeens weer helder voor de geest staan.

Douwe Draaisma

Daniel L. Schacter: De kunst van het geheugen - De herinnering, de hersenen en de geest.

Ambo/Anthos; 446 pagina's; ¿ 59,50.

ISBN 90 414 0204 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden