Recensie Niets om het hoofd op neer te leggen ****

Het indrukwekkende relaas van een Joodse boekverkoopster op de vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog


Over haar biografie is niet veel meer bekend dan wat ze zelf openbaarde. Begin jaren twintig opent Françoise Frenkel, in 1889 geboren in een intellectueel Joods milieu in Polen, de eerste Franse boekhandel van Berlijn. Ze houdt van haar winkel ‘zoals een vrouw liefheeft, het was echt liefde’. Onder dwang van de nazi’s moet ze de zaak in 1939 liquideren, tot verdriet van de Berlijnse intelligentsia. Pal voor het uitbreken van de oorlog vlucht ze naar Frankrijk: eerst naar Parijs, later naar Nice. Maar als het Vichy-regime met groot enthousiasme anti-Joodse maatregelen doorvoert, beseft ze dat ‘de dodendans’ ook voor haar is begonnen.

Een bizarre trektocht langs onderduikadressen volgt. In 1943 lukt het haar de grens met Zwitserland over te steken. Daar zet ze zich aan haar memoires. Als zoveel overlevenden beschouwt ze het als haar plicht om getuigenis af te leggen opdat ‘de doden niet worden vergeten en degenen die in het verborgene tot zelfopoffering in staat zijn geweest, de erkenning krijgen die hun toekomt’.

Françoise Frenkel: Niets om het hoofd op neer te leggen. De vlucht van de Joodse boekverkoopster. 

Met een voorwoord van Patrick Modiano. 

Uit het Frans vertaald door Marianne Kaas. Atlas Contact; 237 pagina’s; € 19,99.

Haar boek, in september 1945 verschenen bij een kleine uitgeverij in Genève, krijgt nauwelijks aandacht en raakt vergeten – een lot dat trouwens ook de meeste Nederlandse getuigenissen trof. Pas onlangs werd het herontdekt en bij Gallimard opnieuw uitgebracht, mét aanbevelend voorwoord van Patrick Modiano.

Terecht. Niets om het hoofd op neer te leggen maakt diepe indruk. Frenkel beschrijft haar ervaringen in prachtig, elegant proza, met een scherpe blik op de schurken en de engelen die ze tegenkomt. En zelfs onder deze omstandigheden weet ze enige lichtvoetigheid te behouden. ‘Zeker, ik hield van katten’, schrijft ze als ze arriveert op weer een nieuw onderduikadres, ‘maar in minder groten getale.’ En wat te doen als de vrouw op je valse persoonsbewijs een wrat heeft op haar kin? Een nepwrat bij jezelf fabriceren? Of de pasfoto retoucheren?

Maar de bittere waarheid dat zij kon ontkomen, terwijl tallozen hun ondergang tegemoet gingen, ‘drukt tot op de dag van vandaag zwaar op me en zal dat blijven doen tot het einde van mijn dagen’.

Raadselachtig genoeg rept ze met geen woord over haar echtgenoot Simon Raichenstein, met wie ze de Berlijnse boekhandel dreef. Al in 1933, meteen na Hitlers machtsovername, emigreerde hij naar Parijs, werd daar in juli 1942 bij een razzia opgepakt en stierf in Auschwitz-Birkenau. Waarom ze zijn bestaan in dit boek verzwijgt – we kunnen er alleen maar naar gissen. Françoise Frenkel zou in de dertig jaar dat ze nog leefde geen letter meer publiceren.