Het hoofd in de schoot Julia Kristeva verandert het Louvre in een mortuarium

De beklemming ligt op de loer in het Louvre, dat de schrijfster Julia Kristeva uitnodigde uit het bezit van het museum een expositie in te richten....

HET MOET IN de tweede helft van de jaren zestig zijn geweest: Nederland had, bij Slochteren, zijn eigen goudmijn ontdekt. Bleken wij ook eens een bodemschat te hebben, een gasbel zo omvangrijk dat het wel leek alsof het verhaal van de oliekruik van de weduwe van Zarfath in Oost-Groningen bewaarheid werd. Dat was even wennen, want aan bodemschatten waren de Nederlanders, afgezien van de vanzelfsprekende steenkool, niet gewend. De blubber waarop zij wonen geeft hooguit prijs wat je er zelf aan hebt toevertrouwd of wat je voorouders erin zijn kwijtgeraakt. Maar toen ze eraan gewend waren er voor onafzienbare tijden warmpjes bij te zitten, besloten ze er met zijn allen gebruik van te maken.

En dus werd door het hele land de bovenste blubberlaag van een fijnmazig net van gasbuizen voorzien. Mannen op laarzen en in blauwe overalls begonnen overal sleuven en loopgraven te spitten om ervoor te zorgen dat nagenoeg iedere inwoner van ons land voortaan zou kunnen delen in de nieuwe rijkdom.

Hun weg naar de toekomst groeven ze door de bovenste laag van ons verleden, een meter, hooguit anderhalve meter diep. Wie aan een kerkplein woonde werd daardoor geconfronteerd met een merkwaardig beeld van dat verleden.

Wij, de kinderen die aan het kerkplein woonden, kinderen van de jaren zestig en dus de blije erfgenamen van vrede en vooruitgang, die vaststelden dat gas toch vooral bedoeld was om er de centrale verwarming op te stoken en dat de toekomst dus een stuk lichter was dan het verleden, bleken al jaren te hebben gehinkeld en gehoepeld op de graven van ons voorgeslacht. De mannen van de NAM raapten hun resten uit de grond als waren het alruinwortels. Knoken en knekels wierpen zij terzijde, als betrof het de dode wortels van eeuwenoude bomen. Aan de rand van het kerkplein vormden zich stapels takkenbossen, van wat ooit dijen, kuiten, bovenarmen en ellepijpen waren geweest: het macabere tafereeltje moet zich in talloze Nederlandse dorpen en steden hebben afgespeeld. Ik geloof niet dat iemand er mee zat.

Maar met hun schedels sprongen ze anders om, de doodsengelen van de NAM. Ze visten ze uit de grond en hielden ze omhoog om er voorbijgangers of schoolgaande kinderen mee te vermaken. 'Kijk', zeiden zij dan, 'hij heeft al zijn tanden nog.' Soms poerden ze met een takje in de opening onderaan zo'n schedel en demonstreerden hoe er dan traag een liter aarde uitliep, mooie, rulle potaarde. Sedertdien vertrouw ik de etymologie van het woord kraan niet meer: kraan, crâne (schedel).

Wie nu in Het Louvre door de tentoonstelling Visions capitales loopt en even later kennisneemt van de opstellen die de samenstelster van de tentoonstelling, Julia Kristeva, voor de catalogus schreef, is er niet langer gerust op indertijd niet de getuige te zijn geweest van een oermenselijk, atavistisch ritueel. Het griezelige spel met andermans schedel, het goochelen met weerloze hoofden, het is een bezigheid die vermoedelijk zo oud is als de mensheid en waarvan bovendien een ongelooflijke iconografie voorhanden is.

Niks NAM, niks de onverschilligheid van de vooruitgangsgedachte van de jaren zestig. Wij hebben iets met hoofden, levende of dode. Het is jammer dat het Nederlands daar weliswaar met 'hoofdzaak', 'hoofdstuk' en alle uitdrukkingen met 'je hoofd verliezen' enigszins de aandacht op vestigt, maar toch niet die rijkdom aan suggestieve associaties biedt die het Frans tentoonspreidt met dat kapitale begrip dat in de naam van de tentoonstelling zit.

Julia Kristeva, praktiserend psychoanalytica en schrijfster, maar vooral gepokt en gemazeld door het onverbiddelijke associatiebeginsel van de Freudiaanse psychoanalyse en de laveloze woordendrang die de intellectuele kringen van de Parijse linkeroever domineert, lust er wel pap van, van alles wat je kunt uitspoken met de caput die in het woord 'kapitaal' de kop opsteekt.

Wie van ver benoorden de rechteroever komt, deinst er aanvankelijk voor terug en probeert al die uitzinnige verbanden tussen heinde en verre, verleden en heden naar het rijk der Weense fabelen te verwijzen - totdat hij de weelde aan prenten en schilderijen heeft gezien die Kristeva door het Louvre-personeel bijeen heeft laten brengen. Men grijpt verbijsterd naar zijn hoofd en weet dat er geen ontkomen aan is: wij zijn de schedelrapers en de doodshoofdbidders van de natuur en cultuur beide. De oudste op cultuur duidende vondsten getuigen ervan, de twintigste-eeuwse kunst is er nog van vergeven.

Kristeva's tentoonstelling maakt deel uit van een reeks kleine exposities, thematisch en door buitenstaanders ingericht, die het Louvre presenteert onder de verzamelnaam 'Parti Pris'. Maar oog in oog met het resultaat van Kristeva's bespiegelingen verdampt de verdenking van zo'n enigszins bizarre vooringenomenheid: hoofden, afgehouwen of slechts door de tekenaar van de romp geïsoleerd, daar gaat het om, in de cultuurgeschiedenis. Losse koppen uit een graf gesnaaid of van een fries gehaald, koploze rompen uit de nissen van een middeleeuwse kathedraal, met een houding van verwijt in hun schouders: waar is mijn hoofd gebleven?

En doordat ze, of ze ons nu verweesd en onthand aanstaren of hun afwezigheid opdringen vanwege die hunkerende rompen zonder kop, zo onweerlegbaar domineren, is de stap naar een dieptepsychologische verklaringsgrond op zijn minst begrijpelijk.

De cultuurgeschiedenis wordt, gereflecteerd door zoveel koppen, bovendien een verhalenkrans van lugubere geschiedenissen: van Medusa tot Judith, van Johannes de Doper tot de Franse Revolutie. En het houdt niet op, aan geen van beide uiteinden. Uit voorhistorische tijden zijn er de gekleurde schedels die mogelijk deel hebben uitgemaakt van een voorvaderritueel. Ze roepen in onze tijd zonder pardon de uitgeperste negerkoppen van de Outspan-boycotactie uit de jaren zestig in het geheugen op, en de schedelmuren van de regimes die even later Zuid-Oost Azië onveilig maakten.

Wie er even bij stil staat, ziet de geschiedenis zich transformeren tot een grote dodendans met maskers en bekkenelen. Bovendien zit er een geërotiseerde trek aan de meeste van die vroege onthoofdingsgeschiedenissen, zodat het lastig wordt Kristeva in haar psychoanalytische enthousiasme tegen te spreken. Judith wás immers in het gezelschap van de geile Holofernes alvorens ze met zijn kop naar buiten kwam, en Salome wás een jonge blom op de grens van de inwijding in de geheimen der volwassenen toen ze haar vader Herodes poeslief vroeg om het hoofd van Johannes de Doper.

De verhalen smeken als het ware om een Freudiaanse duiding. Van Salome naar Lorena Bobitt (de vrouw die in 1993 haar mans penis afsneed) is het maar een kleine stap.

Kristeva laat er geen gras over groeien: het hoofd van de moeder is de bron van alle melancholie; het staart ons aan van boven de smachtend omzogen tepel en meldt ons dat wij nooit meer verenigd zullen worden, juist doordat wij haar hoofd kunnen zien. Het afstandelijke hoofd van de vader nodigt uit tot penisnijd - - en dan heb ik het nog niet eens over de vrees voor de vagina dentataro die de westerse man in de nadagen van de romantiek beving toen hij zijn hoofd in andermans zaken begon te steken.

Wat zo, samenvattend, op je lachspieren werkt - het onbesuisde Freudiaanse associëren en leggen van weidse verbanden -, werkt in cultuurhistorische context en rijkelijk gedocumenteerd wel degelijk op je zenuwen. Er valt zowel een mortuarium als een museum in te richten met alle teruggevonden schedels - van alle tijden, van alle plaatsen - die bewerkt zijn: ingelegd, versierd, beschilderd, geciseleerd. Ze stammen uit Mexico, Indonesië, Nieuw Guinea, Australië, maar evenzeer uit Spanje of Zuid-Frankrijk.

Die passie, die misschien compassie is, is oppervlakkig beschouwd enigszins raadselachtig - waarom, in 's hemelsnaam, al dat geklieder aan en gevijl in andermans kop? Tenzij je, als Kristeva, teruggrijpt op psychoanalytische suggesties en de versiering van het afgehouwen hoofd ziet als een poging een verstandhouding te kweken met dat wat wij als het meest menselijk ervaren, namelijk iemands gelaat. Atavistische rituelen als de tweede begrafenis - bekend van Egypte tot in de Himalaya - of de plechtige consumptie van iemands hersenen, krijgen dan ineens veelbetekenende parallellen in de veel jongere geschiedenis van nabijere werelddelen.

WANT WAAR slaat welbeschouwd dat slepen met schedels op, dat vooral in de achttiende en de negentiende eeuw zo populair werd? De Duitse schrijver W.G. Sebald vertelt in zijn 'Engelse pelgrimage' De ringen van Saturnus over de strapatsen die er in de vorige eeuw werden uitgehaald met de schedel van de Engelse zeventiende-eeuwse medicus en essayist Thomas Browne: opgraven, tentoonstellen, opbergen in een vitrine en even later in een kastje dat meer aan een schrijn doet denken en dat zich nota bene in een hospitaal bevond, en vervolgens, een eeuw later, toch maar weer begraven. Browne - juist Browne, auteur van een boek waarin alle bekende ziekten op redelijke wijze verklaard worden, met een bijlage die probeert fabeldieren en monsters uit ons bewustzijn te verbannen: juist met zijn schedel vindt een hele pelgrimage plaats.

En de zijne is de enige niet: ook Immanuel Kant en onze eigen Dirk Rafaelsz. van Camphuysen waren de klos. Er is geen zeventiende-eeuws vanitas-schilderij of we treffen er een schedel op aan, als memento mori weliswaar, maar wel degelijk uit zijn graf verwijderd en met zowel een esthetische als een ritualistische bedoeling. En waren het niet de hersenen van Einstein, dat symbool van geleerdheid, die jaren na zijn dood werden teruggevonden, ver van zijn as, in een schoenendoos? De fascinatie die eraan ten grondslag ligt, aan al dat getob met schedels en hersenen, ligt misschien niet zo ver af van die welke al die exotische rituelen deed ontstaan. De beschaving dekt ze af, maar ze blijven onder handbereik - als de doden onder het kerkplein.

Dat trekje wordt door Kristeva gedisciplineerd geëxploiteerd. Haar gang door de kunstgeschiedenis is er een die vanzelfsprekend lang verwijlt bij de symbolische kracht van het hoofd van Johannes de Doper, de dubbelzinnigheid die er in de reflecterende trekjes van het hoofd van Medusa zit, maar daarna blootlegt wat er van de omgang met de schedel is geworden. Vanaf de Barok, naar de zwarte belangstelling van de laat-romantiek die nog wel vermoedt dat er achter de schedel een wereld ligt, maar niet meer weet welke. Het is de wereld van het onzegbare, van angst en vrees geworden.

De spookachtigste verbeelding is vermoedelijk die van Odillon Redon, die zelfs in het hardgekookte eitje een gezicht zag - waardoor het decapiteren van het eitje ineens weer terug is bij zijn eigenlijke betekenis: decapiteren, onthoofden. Het vruchtbeginsel wordt het doodsbeginsel en elk ontbijt een reprise van de Franse Revolutie, de seksualiteit in een moeite door de agressie.

En de weerspannige noorderling legt het hoofd in de schoot: inderdaad, de bodem is dun - wij lopen onwetend over een goudmijn of een graf. Van onder een dunne huid staren schedels ons aan, schedels die erom vragen bedwongen te worden - versierd, afgebeeld, desnoods, maar in elk geval afgehakt.

Visions capitales, in Musée du Louvre, Parijs. Tot en met 26 juli. Catalogus FF.190,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden