Het hangt aan de muur en het is van mij

Het private museum is in opkomst, de overheid trekt zich steeds meer terug als mecenas. Het publieke museum zit in zwaar weer. Maar voor kunstenaars noch bezoekers pakt het slecht uit, stelt Marc van den Eerenbeemt vast.

Vervelende vrijdenkers. Door Jean-Michel Basquiat, 1982. Te zien in The Broad, het museum in Los Angeles dat in september wordt geopend door voormalig huizenbouwer, verzekeraar en kunstmecenas Eli Broad.Beeld Jean-Michel Basquiat

Het was een pijnlijk moment voor het Stedelijk Museum Schiedam, vorig jaar zomer. De gemeente had een half miljoen euro bezuinigd op de subsidie aan het museum voor moderne kunst. En nu moest directeur Diana Wind bekendmaken dat het museum geen kunst meer kon aankopen. In plaats daarvan zouden de banden worden aangehaald met SNS Reaal, de bank die haar bedrijfscollectie aan het museum beschikbaar heeft gesteld. Directeur Wind zou, zo hoopte zij, misschien nog wel kunst kunnen verwerven onder de vlag van deze sponsor.

Een museum dat zijn kunstaankopen moet laten afhangen van de gunst van een sponsor. Het staat ver af van de tijden dat de musea helemaal zelf uitmaakten welke kunstwerken goed genoeg waren voor hun collectie - en wat zij wilden tentoonstellen. Dat waren de gouden tijden van het publieke museum; alles voor het volk en de eeuwigheid, met de overheid als trouwe donateur.

Een half uur rijden van Schiedam, in Wassenaar, werd toen al hard gewerkt aan de fundering van het museum van ondernemer Joop van Caldenborgh. Hij is bezig met de bouw van een eigen museum voor moderne en hedendaagse kunst. Het landgoed waar het museum komt te staan heeft hij speciaal voor dat doel aangekocht. Museum Voorlinden, vernoemd naar het landgoed, zal zijn internationale kunstcollectie herbergen. Een collectie van enkele duizenden werken, een aantal dat nog steeds wordt opgevoerd.

Weten waar de private musea voornamelijk zijn geopend de afgelopen tien jaar? In deze interactieve special kunt u zien waar de private musea zich bevinden.

Beeld de Volkskrant

Uitersten

Het publieke museum in Schiedam en het particuliere museum in Wassenaar: in de museumwereld laten de uitersten zich steeds sterker zien. Uit een inventarisatie van de Volkskrant bleek vorige week dat de particuliere kunstmusea bezig zijn met een stormachtige opmars. In tien jaar tijd zijn wereldwijd meer dan 150 volledig private musea geopend voor moderne en hedendaagse kunst. Veel van de nieuwkomers besteden miljoenen euro's, soms meer dan een miljard, aan hun verzameling en hun museumgebouw. En het publieke museum? Dat zoekt nog naar een antwoord op die nieuwe werkelijkheid. Daarbij lijkt alles tegen te zitten. De overheid heeft in veel landen de vanzelfsprekendheid van haar rol als kunstmecenas van zich afgeschud. De kunstmarkt heeft een nieuw, ongekend prijsniveau bereikt. Kunstenaars wentelen zich in de belangstelling van nieuwe groepen verzamelaars, nu op alle continenten. En het publiek kan de aandacht verdelen over meer kilometers museummuur dan ooit.

De voorsprong van de publieke musea op de kunstmarkt is grotendeels verloren. Galeries met gewilde kunst konden vroeger kiezen tussen twee afnemers: de publieke museuminstituten of vermogende verzamelaars. De collectioneur leverde kunstenaar en galerie doorgaans meer geld op - en in de beste gevallen ook prestige. Maar beter was het als het werk werd opgenomen in een publiek museum van aanzien. Zo'n overdracht bood misschien niet de hoogste prijs, maar wel de erkenning waarnaar iedere kunstenaar op zoek is.

Nu rammelt die derde partij aan de deur van galerie of atelier: de vermogende verzamelaar met een eigen museum. En die biedt vele voordelen: een topprijs, een goede collectie en een mooi tentoonstellingsgebouw. En ook bij jong talent plukken zij de schilderijen van de ezels.

De publieke musea steken daar steeds bleker bij af. Op een beurs als de TEFAF klagen de kunsthandelaren over hun traagheid, karigheid en onvoorspelbaarheid. Curatoren moeten voor een aankoop soms nog drie keer overleggen met het bestuur of een commissie. En lijkt de deal dan eindelijk rond, dan heeft het stadsbestuur de directie net vervangen.

Naakt. Door Carlos Alonso, 1990. Te zien in het museum in Buenos Aires van wijlen María Amalia Lacroze de Fortabat, die dankzij haar bouwonderneming ooit de rijkste vrouw van Argentinië was.Beeld Carlos Alonso
Wanneer trouw je? Door Paul Gauguin, 1892. Nu te zien in Fondation Beyeler in Basel, het museum van de oprichter van de kunstbeurs Art Basel. Een Zwitserse verzamelaar verkocht het werk voor 300 miljoen euro aan het ­koningshuis van ­Qatar.Beeld Paul Gauguin

Komen, kijken, beslissen

Nee, dan de nieuwe museumbouwer, zeggen de kunsthandelaren. Hij komt, kijkt en beslist. En betaalt vervolgens zonder omhaal de vraagprijs, al was het maar om een andere nieuwkomer de loef af te steken. En dan komt het werk ook nog eens te hangen in een museum van een beroemde architect als Frank Gehry (zoals in het door hem ontworpen museum Louis Vuitton in Parijs) of Renzo Piano (bijvoorbeeld in het Botínmuseum in Spanje). Steeds meer musea, steeds meer gebouwen die moeten worden gevuld, het is volgens kenners een van de oorzaken van de prijsstijging op de kunstmarkt.

Dan heeft het publieke museum ook nog eens last van een remmende voorsprong. De collecties zijn in decennia opgebouwd - dat betekent rijkdom en een waaier aan keuzemogelijkheden voor de curator, maar het is ook een kostenpost. Bovenal: per jaar ziet minder dan 5 procent van het werk in de publieke collecties een tentoonstellingszaal, zo wordt geschat. Kunstenaars houden niet van opslag van hun werk in een donker depot - hoe fraai de overige schilderijen op de stelling ook zijn.

De kraai is prachtig. Door He Duoling, 1988. Uit de collectie van Liu Yiqian, een ex-straatver­koper die zich ontwikkelde tot mega­­- investeerder. Te zien in een van de twee grote musea die hij opende in Shanghai: Long Pudong (2012) en Long Westbund (2014).Beeld He Duoling

Opslagruimte

Voor de kunstverzamelaar die werk zou willen schenken aan een museum geldt hetzelfde. Onder collectioneurs leeft de vrees dat hun geliefde kunst na schenking vooral in een opslagruimte zal verblijven, in plaats van in een museumzaal. De oprichter van het kledingmerk GAP wilde 1.100 kunstwerken schenken aan het San Francisco Museum of Modern Art. Toen het instituut niet wilde toezeggen dat het werk permanent zou worden getoond aan het publiek, dreigde hij dan maar zelf een museum te bouwen. Mijn kunst is te goed voor de kelder, vond Donald Fisher. Waarna het SFMOMA overstag ging en een nieuwe vleugel bouwde voor de verzameling.

Ondertussen moet het publieke museum zich in alle bochten wringen om te overleven. Het moet zich laten welgevallen dat in de politiek vooral wordt gesproken over de economische waarde van de kunst - in het aantal hotelovernachtingen dat een museum kan opleveren, bijvoorbeeld. Ook dwingt de politiek bij nieuwe subsidies af dat het museum zijn waarde zal bewijzen met hoge bezoekersaantallen. Blockbusters willen ze zien - geen experimentele avant-gardekunst waarop slechts een kleine schare liefhebbers afkomt.

Daar staat tegenover dat de meeste particuliere musea verrassend serieus zijn. Ze zijn niet per se geïnteresseerd in het maximale aantal bezoekers. Zij hebben vaak wel geld voor wetenschappelijk onderzoek en catalogi, ook in een kleine oplage. En ze raken steeds meer in de gunst van jonge, talentvolle curatoren, zoals de Fransman Vincent Honoré, die het grote Tate in Londen verliet om even verderop de Art Foundation op te bouwen van vastgoedondernemer David Roberts. Je vliegt dan wél mee naar de kunstbeurzen in Miami en Hongkong en kunt dan nog wel een stempel drukken op de vorming van een collectie.

Klaroenstoot

Een andere bedreiging is dat de 'particulieren' zich aan het verenigen zijn, zoals de 'publieken' al beschikken over hun internationale netwerken voor uitwisseling van informatie, kunstwerken en tentoonstellingen. In Londen werd vorige week de World Private Museum Association opgericht, door museumeigenaren uit een reeks van landen variërend van de Verenigde Staten en Italië tot China en Indonesië. De klaroenstoot die daarbij werd afgegeven: de 21ste eeuw is de eeuw van het particuliere museum.

De publieke musea rest, zo lijkt het, vooral de vlucht vooruit. Om de beste hedendaagse kunst te kunnen blijven tonen moet er water bij de wijn worden gedaan. Vroeger kregen verzamelaars die werk uitleenden een bescheiden naamsvermelding aan de muur, nu krijgen zij niet zelden een hele tentoonstelling onder eigen naam, zoals de Collectie De Heus-Zomer vorig jaar in het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen.

Of het museum toont werken die eigendom zijn van een galerie of art flipper - een verzamelaar die bekend staat als handelaar. De kunst stijgt zo in waarde, maar het onafhankelijk curatorium, de kernwaarde van het museum, komt in de knel.

Ondertussen lijken de particuliere musea van geen enkele tegenwind last te hebben. In de kunstwereld is het debat over de opkomst en betekenis van de particuliere musea nog maar net op gang gekomen. Moet de herkomst van het museumkapitaal een rol spelen bij de beoordeling van een museum? Het Braziliaanse openluchtmuseum Inhotim, bijvoorbeeld, is opgezet door een mijnmagnaat met een bedenkelijke reputatie op het gebied van de arbeidsomstandigheden van zijn mijnwerkers. En in de Verenigde Staten circuleert de vraag of de fiscale voordelen die gelden bij aankoop en expositie van kunst niet al te slim worden uitgebuit. Maar dat lijken geen factoren die het feestje werkelijk kunnen verstoren.

Toevluchtsoord

In de eerste helft van de vorige eeuw beleefde de wereld ook een boom in privaat museuminitiatief, in Nederland was er bijvoorbeeld het museum van het echtpaar Kröller-Müller. Die musea bleken uiteindelijk vaak niet zelfstandig te kunnen overleven, waarna de staat het toevluchtsoord was. Zo legde het particulier initiatief de basis voor de bloei van de publieke museumsector. Zo'n cadeautje lijkt er nu niet meer in te zitten.

De meeste particuliere musea houden zich goed staande, zoals Fondation Maeght in Frankrijk, Beyeler in Zwitserland en The Menil in de VS. Gesteund door een bruidsschat van de oprichter en een kostenbewust management. In het geval van The Broad, het megamuseum van ondernemer Eli Broad dat dit jaar opengaat in Los Angeles, bedraagt die reserve minstens 0,25 miljard euro.

In Schiedam zijn de zorgen inmiddels niet minder geworden. In november gaf de gemeente een noodkrediet aan het Stedelijk Museum van 450 duizend euro, boven op de jaarsubsidie van 2,2 miljoen euro. Nu is het afwachten of de gemeente nog wil meebetalen aan een nieuw plan om op de een of andere manier geld te verdienen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden