Het handje van een pasgeboren kind in een weckfles op sterk water

De Nieuwe Kerk en het Historisch Museum in Amsterdam tonen een keuze uit de schatkamers van de Russische tsaren Peter de Grote en Catharina de Grote....

IN DE WINTER van 1768 schreef Voltaire, schrijver, filosoof en stokebrand te Frankrijk, aan Catharina II, keizerin van Rusland en beschermvrouwe van kunsten en wetenschappen, ook als die aan de verlichte kant waren: 'Ik heb de voorlopige 'Nakaz' gelezen, die u zo goed was mij te sturen. Alles is daarin duidelijk, kort en oprecht en uitgevoerd op standvastige en menslievende wijze. Wetgevers staan op de eerste plaats in de tempel van de roem, strijders komen pas na hen. Weest ervan overtuigd, dat niemand van uw opvolgers zo'n roem zal vergaren, als Uwe hoogheid...'

Het is maar één citaat, ter lengte van nog niet eens één alinea, uit een van de talloze brieven die Voltaire schreef, en zelfs maar een verwaarloosbaar fragment, - maar het spreekt boekdelen, en je hebt inmiddels boekdelen nodig om het op waarde te schatten en uit te leggen. Een sceptische libertijn, die een absolutistische vorstin bijvalt in haar omstreden hervormingszin. Een schrijver die het op gezette tijden aan de stok had met het staatsgezag en nochtans de wetgever een prominente plaats gunt op de Olympus. Een lastpak en een plaaggeest, die doorgaans nooit verlegen zat om een originele, bijtende opmerking, maar die zich hier uitput in loftuitingen voor een gedisciplineerd levend staatshoofd. Een Franse filosoof, die een knieval maakt voor een Duitse prinses.

De grote vraag is hoe het zo ver kon komen, hoe Catharina II, geboren Sophie Auguste Friederike von Anhalt-Zerbst, erin geslaagd was de grootste geesten van haar tijd om haar vinger te winden. Want het geval van Voltaire staat geenszins op zichzelf: de dagboeken en brieven van haar prominente tijdgenoten staan bol van superlatieven om haar persoonlijkheid en haar werken te prijzen, de beschrijvingen van de intelligentie, ondernemingslust en vindingrijkheid die ze aan de dag legde om haar hof, land en leven luister bij te zetten, zijn legio en stuk voor stuk gesteld in uitzinnige bewoordingen. Zelfs de kritische commentatoren laten niet na, naast haar eerzucht, egoïsme en zelfingenomenheid, gewag te maken van haar vriendelijkheid, sluwheid en ijver.

Het is alsof zij een vorm van absolutisme had uitgedokterd die ook op de meest liberale geesten indruk maakte. Want het kan niet enkel bevangenheid, plichtpleging en geslijm zijn, dat de strijkages moet verklaren.

Die Nakaz, die ze Voltaire ter inzage gestuurd had, was haar voorschrift voor de Wetgevende Commissie die zij in 1767, vijf jaar na haar gewelddadige troonsbestijging, bijeen geroepen had om een wetboek op te stellen - het eerste in de geschiedenis van Rusland. Montesquieus De l'Esprit des Lois was haar gids geweest, en het werk van de belangrijkste denkers van de Verlichting haar bron. Dat de aristocraten in de commissie haar werkzaamheden dwarsboomden en zij zich genoodzaakt zag die commissie in 1768 te ontbinden, doet niets af aan het indrukwekkende karakter van de onderneming zelf.

Zij was nog op de troon terechtgekomen door een staatsgreep cum vorstenmoord - haar man, de rechtmatig op zijn troon terecht gekomen tsaar Peter III, werd omgelegd door de broer van Catharina's toentertijd dienstdoende minnaar - maar voor haar onderdanen stond haar een verhoudingsgewijs ordentelijk ingerichte samenleving voor ogen. Zelfs de diep in de Russische geschiedenis verankerde lijfeigenschap moest wat haar betreft worden afgeschaft. En alweer, dat dat er niet van kwam, is niet in de eerste plaats haar te verwijten.

De portretten die op de tentoonstelling Catharina, de keizerin en de kunsten in de Amsterdamse Nieuwe Kerk van haar voorhanden zijn, verschaffen op het eerste gezicht weinig uitkomst. Een plompe en kordate vrouw, dat wel, van onmiskenbaar Duitsen bloede - blond, blozend, blauwogig -, gelegenheidskleding in de grotere damesmaten. Een vrouw die je zelfbewust aankijkt, maar dat kan aan de dienstbaarheid van de schilders liggen - het ligt in ieder geval aan haar zekerheid van een substantieel inkomen, haar meer dan adequate huisvesting en beschikking over genoeg personeel, van kindsbeen af.

En een praalzieke vrouw, gezien de objecten waarmee ze zich op die portretten omringde. Maar toch niet iemand met wie je onbevangen een boom opzet over de nieuwste, zojuist door haar Franse collega verboden publicaties van de Verlichtingsfilosofen - laat staan iemand bij wie je je als kunstenaar of vrijdenker in alle gemoedelijkheid vervoegt.

De omgeving, die op de tentoonstelling spreekt uit de talrijke portretten van haar echte en onechte kinderen, haar overige familie, haar minnaars en vertrouwelingen, maakt het er niet inzichtelijker op. Vroegoude kindertjes in de carnavaleske uitdossing van das Militär, uniformgeile pruikendragers met een aanzienlijk gewicht aan medailles op hun revers, met sjerpen en steken, glimneuzen en onderkinnen. Forbidding en ongenaakbaar, allemaal.

Dat is het decor waarin de intellectuele flirts met Diderot en Voltaire en de gedachten aan modernisering van wet en staat tot stand kwamen. Eigenaardig blijft het.

Op een aantal van die portretten van Catharina zelf bevindt zich, temidden van de parafernalia, in een nisje in de schemering een buste van haar illustere voorganger, Peter de Grote, de grootvader van wijlen haar man. Op het schilderij dat de Zweed Alexander Roslin in 1776 van haar maakte staat er een motto boven dat borstbeeld: 'Wat hij begonnen is, maakt zij af.' Het vervaarlijke attribuut in haar rechterhand - een pook? een baton? - wijst schijnbaar achteloos in de richting van haar scepter en theemutsvormige hoofddeksel, die op een krukje liggen, maar ook wel enigszins in die van Peters conterfeitsel.

Macht en schatplichtigheid, met een zekere onverschilligheid beleden, zoveel is zeker, maar naar welk van die twee haar voorkeur uitgaat als er aangewezen moet worden, is niet helemaal duidelijk.

Wat dat betreft is de miniatuur van koper en beschilderd email, temidden van tientallen van dergelijke kleinoden uit haar verzameling die in de Nieuwe Kerk getoond worden, een stuk ondubbelzinniger: de Nakaz, nog in handschrift, ligt voor haar, ze heeft er kennelijk zojuist de titelpagina van voltooid, wat Franse boeken onder handbereik - en vlak voor haar neus Peter, met het voorjaarsgroen in zijn haar en de dunne adolescentensnor op zijn bovenlip. Hij houdt haar instemmend en waakzaam in de gaten.

Zij ging verder met wat hij begon: het is de vraag of het waar is, maar gewild heeft ze dat stellig. Niet alleen in die portretten heeft Catharina Peter de eer bewezen die hem toekwam. Ook het liquideren van haar onbezonnen echtgenoot kan als een honorering van Peters staatkundige opvattingen gezien worden, en de opdracht aan de Franse beeldhouwer Etienne-Maurice Falconet een beeld van Peter de Grote te maken is dat zeker. Dat werd de Bronzen Ruiter, en het staat er nog, daar in St. Petersburg, uitkijkend over de Neva, en, zoals Poesjkin bezong, dromend van een nieuw, of althans beter ingericht rijk.

Toen het werd onthuld, in september 1782, kon Catharina lange tijd niet naar hem kijken. 'Ik was aangedaan', schreef zij haar vertrouweling baron Grimm, 'hij stond te ver van mij af om met mij te praten, maar hij scheen tevreden, en het moedigt mij aan om te proberen het in de toekomst, indien mogelijk, nog beter te doen.' Een vadercomplex, dat moet haast wel - psychologen proberen ons al tijdenlang wijs te maken dat de bezeten verzamelaar in zijn trofeeën de warmte zoekt die hij als kind miste. Op de gravure van die scène is Catharina te zien, terwijl ze vanaf het balkon van het Senaatsgebouw ziet hoe Peter als een duveltje uit de bekisting van het beeld springt. Hij al op zijn sokkel, zij op haar balkon: vooralsnog op gelijke hoogte.

Maar wie de bloemlezingen uit hun verzamelingen vergelijkt, zoals ze voor wat betreft Catharina in de Nieuwe Kerk en van Peter in het Amsterdams Historisch Museum zijn uitgestald, komt helemaal niet tot de conclusie dat zij quitte stonden. Indrukwekkend van kwaliteit, onbesuisd van aanpak en onbekommerd om de breedte, dat zijn ze beide - maar tussen die van Catharina en die van Peter manifesteert zich prompt een verschil dat nog het beste gesymboliseerd wordt door de gebouwen die ze voor hun collecties lieten stichten. Hoe ambitieus en onmatig ze alletwee geweest mogen zijn, hoe spilziek en teugelloos ook, Peters Kunstkamera draagt een ander karakter dan Catharina's Hermitage. Het een is instituut, het ander een uitstalkast. De drijfveren verschillen.

Het kan door de accentuering van de selectie komen - met de geboekstaafde getallen van de door hen beide aangeschafte schilderijen, tekeningen, boeken, cameeën, medaillons, instrumenten, antiquiteiten, beelden, gebruiksvoorwerpen en wat je nog meer aan rubrieken op veilingen aantreft, is alles wat je ervan bekijkt een selectie waarvan het representatieve karakter zich niet meer laat vaststellen -, maar het is alsof er bij Peter de Grote altijd sprake was van een zekere functionaliteit in zijn aankopen.

Een brandspuit of een luchtpomp met dubbele werking: die zal je bij Catharina's spullen niet aantreffen. Toegegeven, van haar zijn er een gouden koets en een vergulde slee, maar hun decoratieve en rituele belang zijn groter dan hun nut. Dat kan je van Peters reisapotheek en extractietang niet zeggen.

Ik zwijg nog over de wondermooie letterkast waarin de 32 kiezen zijn uitgestald die Peter met dat angstaanjagende stuk gereedschap uit de monden van zijn tijdgenoten heeft verwijderd.

Misschien is dat het verschil: Catharina de Grote heeft een verzameling aangelegd, maar Peter de Grote heeft verzameld. De een schafte voorwerpen aan, van het grootste cultuurhistorische belang en onschatbare waarde, de ander bewaarde wat hij gebruikt had of gebruiken kon. Zelfs tussen hun schilderijencollecties, op zichzelf immers onnutte voorwerpen, is het verschil markant: een bloemlezing van Hollandse meesters tegenover het puikje van de Europese kunst; verbeeldingen van het land dat hij, Peter, bezocht had, versus grootse, tijdloze voorstellingen.

Het maakt dat de tentoonstelling van Catharina's trofeeën artistiek indruwekkender is, maar die van Peters hebben en houden menselijker en ontroerender. Je ziet het al aan al dat op paspoppen uitgehangen textiel: haar feestjurken, zijn lange schippersjas, haar uniformjapons, zijn baadje.

VAN CATHARINA zijn er een uitzinnige en schitterende verzameling gesneden stenen, glaswerk, porselein en aardewerk, die het mooiste tonen van wat er op elk van die verzamelgebieden in haar tijd voorhanden was. Van Peter zijn er eveneens die gesneden stenen, maar ze flankeren zijn penningen, die bovenal historische waarde hadden. Het is de zoeker tegenover de vindster, de onderzoeker tegenover de krijgster, of, zo men wil, de nieuwsgierigheid tegenover de macht - hoeveel macht Peter de Grote op zijn beurt ook bezeten heeft.

Het ontroerendst en het meest bizar is wat dichtbij komt - niet haar schitterende doeken van Titiaan en Rubens, hoezeer die ook hoogtepunten op de tentoonstelling zijn. Maar het handje van een pasgeboren kind, door Frederik Ruysch omstreeks de overgang van de zeventiende naar de achttiende eeuw in een weckfles op sterk water gezet, een kanten mofje om de pols, ter hoogte van waar het ontleedmes indertijd heeft toegehapt. Gerimpeld als het is bedelt het nu al drie eeuwen om een aalmoes, een handdruk. De verkrampte koppen van doodgeboren of mismaakte kinderen, die je vreugdeloos aankijken, bewaard en verzameld uit een behoefte te leren, te begrijpen - en niet uit een drang tot tonen.

Niet altijd valt het kunsthistorici makkelijk daar mee om te gaan: 'baarmoeder, Hollands, zeventiende eeuw', staat er op het bijschrift van wat op het eerste gezicht een even exotische als mislukte vleermuis schijnt. Maar zelfs die hilarisch onhandige omschrijving benadrukt het persoonlijke: dat is hem dus, de bron waar ook alle verzamelaars en hun verzamelingen aan ontsproten zijn. Museaal zal het ding nooit worden - zoals Peter het niet wordt, terwijl Catharina het van jongs af aan was.

En misschien schuilt precies daar de verklaring voor de referentie van al die notoire tegensprekers, Voltaire en Diderot voorop. Zij stond op de schouders van een reus, en zij wist het. Dan beweeg je je anders - maar je koopt ook anders.

Catharina, de keizerin en de kunsten. De Nieuwe Kerk, Amsterdam, tot en met 13 april 1997. Dinsdag tot en met zondag, van 10 tot 18 uur. Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag gesloten. Catalogus, uitgave Waanders: ¿ 65,-.

Peter de Grote en Holland. Amsterdams Historisch Museum, tot en met 13 april 1997. Maandag tot en met vrijdag van 10 tot 17 uur, zaterdag en zondag van 11 tot 17 uur. Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag gesloten. Catalogus, uitgave Toth: ¿ 55,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden