Het grote genieten van de gulzige lezer; ALBERTO MANGUEL SCHREEF VIRTUOZE GESCHIEDENIS VAN LEESGEDRAG

ER BESTAAT een soort vermicelli waarbij het deeg niet in van die onpraktische slierten is gerold, maar - heel speels - is gevormd naar de letters van het alfabet....

Dat het woord vlees zou worden is een, maar deeg, of - erger nog - vermicellisoep? En kun je die letters zomaar opeten - zou in de ogenschijnlijk volmaakt toevallige volgorde waarin je ze oplepelt niet een geheime boodschap verborgen zitten die de oplossing bevat over de kwellende raadsels van je leven? Wat gebeurt er met de woorden die zich spontaan op de bodem van je maag vormen, wanneer die letters eenmaal zijn neergestort?

Een schervengericht van lettersoep, dat kan niet missen, omtrent de strekking waarvan de eter in het duister tast. Boeken mogen verslonden worden, maar woorden dringen zich door ogen, oren en soms zelfs vingertoppen met golven tegelijk het lichaam binnen - en niemand vraagt zich af waar ze blijven.

Zodra een mens kan lezen, is de voorraad onuitputtelijk, en dreigt een duizelingwekkende inflatie. Vergeten raakt hun individuele gewicht, hun waarde, hun uitwerking. De geheimzinnige kracht van het woord kun je misschien alleen maar proeven.

In de Middeleeuwen, zo vertelt de Israëlisch-Argentijns-Brits-Franse schrijver Alberto Manguel in zijn A History of Reading, werden joodse jongetjes in de studie van de schriften ingewijd door ze een leitje te tonen waarop het Hebreeuwse alfabet stond, een bijbeltekst en een motto: 'Moge de Tora je levensvervulling zijn'. De leraar nam het kind bij zich op schoot, noemde de letters op en las de woorden stuk voor stuk, maar niet uitgespeld voor. Daarna smeerde hij het leitje in met honing en verzocht het kind die honing eraf te likken. Ook werden wel doorslaggevende teksten op hardgekookte eieren geschreven of in het deeg van zoete cakejes gebakken, met hetzelfde oogmerk.

Zou vandaag de dag iemand zoiets nog wel eens doen, zijn kind bij de overgang van groep 2 naar groep 3 een taart geven, waarop in kleurig slagroom het alfabet gespoten is? Zou iemand zich op zo'n moment nog realiseren welke ongeëvenaarde stap het is, van ongeletterd naar geletterd?

De achterliggende bedoeling van het eetlezen, zoals dat in de joodse traditie in de letterlijke betekenis van het woord werd gepraktiseerd, is duidelijk: als je voor een kind de deur naar de bibliotheek, naar het eindeloze geheugen en de verbeelding van de mensheid, openzet, dan moet je dat met rituelen doen.

En de zin van dit ritueel is al even duidelijk, al moet het begrip 'lettervreter' voor die wonderlijke geschiedenis met het leitje even worden omgezet in 'woordenlikker'. De woorden moeten worden geproefd, beproefd, ze moeten langs de smaakpapillen, 'want niet wat de mens ingaat maakt hem onrein', maar wat bij hem even later uitgaat. Het gaat niet om de kennis op zichzelf, maar om het gebruik ervan.

De jonge lezer wordt in de gelegenheid gesteld voortaan op eigen gezag te gaan eten van de boom van kennis van goed en kwaad; als dominee Nico ter Linden zijn toffe versie van het Oude Testament nog eens herziet, moet hij en passant die paradijselijke boom ook maar vervangen door een gaarkeuken met gamellen lettersoep - of, beter nog, een openbare bibliotheek. Het ritueel is weg, verloren geraakt in onverschilligheid en overvoerdheid, maar het wonder, de verbijstering en de opwinding zijn gebleven, voor wie, vingertje op papier, zijn eerste gedrukte woorden proeft, compleet met de latere herinneringen aan jeugdige gulzigheid en leeslust.

Een lei vol letters - en, voor wie er gevoelig voor blijkt, een leven lang de klos. Een plankje wordt een kastje, een kast een wand, en die woekeren door tot ze kamers vullen met bedrukt papier - en zelfs de geduldigste en lankmoedigste huisgenoot ten slotte, gekrenkt en beledigd door zoveel oneerlijke concurrentie, de lezer verlaat.

'Als je leest ben je nooit alleen', riepen de analfabeten van een ministerie een jaar of wat geleden tijdens zo'n moedeloos stemmende campagne ter bevordering van het lezen. Onzin, natuurlijk, want als je leest ben je altijd alleen: dat is een van de charmes ervan. Iedere lezer herinnert zich de kwelling van het klassikaal lezen, de vette walm van andermans traagheid en onbegrip, van verkeerd uitgesproken woorden en fout gescandeerde regels, van gebrek aan verbeelding en ontbrekende associaties.

Wat iedere lezer ook weet, is dat hij, zodra die kast er een keer is en de planken daarvan naar alle kanten uitbotten, uniek is. Naarmate hij meer gelezen heeft, wordt dat sterker. Al zijn lectuur verwijst naar alles wat hij eerder las, naar zijn hoogst persoonlijke, onvervreemdbare biografie, zijn bibliobiografie.

Maar hij is uniek, zoals zijn boeken stuk voor stuk uniek zijn, in welke bedenkelijke oplage ze indertijd ook ooit van de persen zijn gerold. Zijn ezelsoren, zijn koffievlekken, zijn doodgedrukte insecten, zijn potloodstreepjes en marginalia, zijn individuele samenhang in wat op zichzelf algemeen toegankelijk is.

Het ontroerende is dat het unieke verhaal van de lezer volkomen universeel is: nergens staan ontogenese en fylogenese dichter bij elkaar dan daar. Maar omdat lezen een eenkennige, individuele aangelegenheid is, stelt bijna niemand zich de vraag naar zijn plaats in de traditie.

Daarom is het zo aangenaam dat Alberto Manguel dat wel heeft gedaan en zijn bevindingen thans ter lezing aanbiedt. Hij roept een stoet op van denkers en querulanten, geleerden en innemende zonderlingen, schrijvers en verzamelaars, die allemaal aan eenzelfde nukkige afwijking leden, en hij plaatst ze in een geschiedenis waarvan ieder hoofdstuk de lezer vertrouwd voorkomt.

'Laat maar', zei de grootmoeder tegen de ouders wanneer het meisje een boek ter hand nam waarvoor ze nog niet rijp werd geacht, omdat het te gekruid was of te ingewikkeld. 'Ze leest alleen maar wat ze weet.' Het is een van de raadselachtige paradoxen van het lezen waar Sokrates al over rept - dat het bestaat bij gratie van de herkenning, dat je geen letter kunt lezen als je de context niet al kent, dat niet alleen het ene boek het andere uithaalt, maar dat 'het ene boek' niet gelezen kan worden - eenvoudig omdat 'het ene boek' niet bestaat.

MANGUELS A History of Reading is een virtuoze demonstratie van die noodzakelijke herkenning; wat hij vertelt is tegelijkertijd nieuw en bekend. Hij is veel geleerder en erudieter dan wie van zijn lezers ook ooit durft dromen te worden, en toch komt ieder stadium in zijn thematisch-historische beschrijving zijn lezer vertrouwd voor. Dat is bovendien zo'n warme vertrouwdheid die je, als het niet zo klef en zo kerstig klonk, het 'familiegevoel' van de lezer zou moeten noemen. In de ontwikkeling van de soort weerspiegelt zich de ontwikkeling van het exemplaar.

Daar is de overgang van het hardop lezen naar het stil lezen, in de befaamde passage van Augustinus, die Ambrosius dat ziet doen en dat opmerkelijk vindt. Voor welke raadsels het de historicus ook stelt - kwamen er in de antieke drama's al geen scènes voor waarin een van de personages zwijgend kennis nam van een brief? - de lezer weet er wel raad mee.

Die herinnert zich te goed hoe hijzelf het hele traject heeft afgelegd, stamelend en proevend als een Romein, even later meelezend met de onderwijzer als een karolingische kloosterling met zijn prior, en ten slotte in de beslotenheid van zijn privé-vertrekken, op en neer wandelend naar zijn boekenkast, zoekend en vergelijkend, als een humanistisch geleerde. Zijn aantekeningen in de marge zijn de sententiae van duizend jaar terug, zoals zijn strips en pictogrammen terugverwijzen naar een beeldtaal van millennia her, en zelfs de tekst die zich op zijn beeldscherm ontrolt, refereert aan de boekrol.

In A History of Reading heeft Alberto Manguel de geschiedenis van het lezen gethematiseerd en hij heeft daarbij telkens de grote en kleine verhalen met elkaar verweven. De 'Verboden Lectuur' is zowel de geschiedenis van de grote, de officiële censuur, als die van de angstvallig waakzame ouder. In het verhaal van Kafka's wijze van lezen - als een schriftgeleerde altijd in de weer met betekenislagen en verwijzingen, steen voor steen oppakkend uit het bouwwerk van de verbeelding - duikt zowel het virtuoze commentaar van Walter Benjamin op als de warhoofdige praatjesmakerij van Paul de Man, zodat de lezer als terugschrijver, als tegenspreker geïntroduceerd is.

Aan een commentaar op de Talmoed, zegt Manguel, ontbrak doorgaans de eerste pagina, om de lezer duidelijk te maken dat hij, hoeveel hij ook gelezen had, nog niet eens aan de eerste pagina toe was. Zoals de Prediker al zei (Statenvertaling): 'Mijn zoon, wees gewaarschuwd: van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezen is vermoeiing des vleesches.' Waarmee we moeiteloos bij Borges zijn, en de wereld een bibliotheek wordt - dezelfde Borges die Manguel als jonge boekhandelsemployé in Buenos Aires nog heeft voorgelezen, eind jaren vijftig, begin zestig. Sommige lezers treffen het onredelijk goed.

'Aangezien het onmogelijk is, mijn zoon, net zoveel boeken te lezen als men kan bezitten, waarom zou men dan meer boeken bezitten dan men kan lezen.' Dat is Seneca, in een van zijn moralistische brieven, een citaat dat iemand lichtjarenlang als een repeterende nachtmerrie vergezelt. Wat een geluk dat hij in Manguel een adequate opponent vond. Het maakt diens hoofdstuk over de verzameldrift, ja, de noodzaak van het verzamelen, zijn even hypocriete als troostrijke apologie voor het overvolle huis, tot een lust om te lezen. Lezen en verzamelen, ze horen bij elkaar, goddank. Misschien dat je vermicelli-letters in enkele uren kunt verteren, gedrukte letters bevorderen op hun beurt hooguit de honger - en wel subiet.

En ze verteren nooit. Niemand herinnert zich de maaltijden die hij genoot, zelfs de gulzigste lekkerbek niet. In Manguels boek komen ze langs, de vertrouwde citaten en de bekende verhalen - en niets blijkt verdwenen. Wat doen we er eigenlijk mee, met de geschreven of gedrukte woorden, nu al ettelijke millennia - sedert de pictografische tabletten uit het vierde millennium voor Christus, die in het Syrische Tell Brak gevonden werden en waarop iemand vermoedelijk 'tien geiten' en 'tien schapen' noteerde? Wat nou, tien geiten en tien schapen? Wie leest wil meer lezen, zoekt het onbereikbare: geen bibliotheek spreekt zo tot de verbeelding als die van Alexandrië - en die is verbrand.

Waarom? Om nog meer onverteerd te laten?

Laatst kreeg ik een taart die een zee voorstelde met een onbewoond eiland erin. Op dat eiland bevond zich een marsepeinen bordje waarop in sierlijke letters een afscheidswoord geschreven was. 'Kunstredactie', stond er. Ofschoon de verhouding van een journalist of een schrijver met woorden per se een promiscue is, prakkiseer ik er niet over het op te eten.

Maar ik heb het al menigmaal herlezen, and thereby hangs a tale.

Michaël Zeeman

Alberto Manguel: A History of Reading.

HarperCollins, import Nilsson & Lamm; 372 pagina's; ¿ 75,50.

ISBN 0 00 255006 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden