‘Het grote drinken , dat mis ik wel’

Briljant causeur. Gulzige lezer. Het waren enkele kwalificaties voor Anthony Mertens (60), tot voor kort redacteur bij Querido, een van de grootste uitgeverijen van Nederlandse literatuur....

Tekst Jaap Stam

Foto Stephan Vanfleteren

Van lezen word je asociaal. Als je de hele dag hebt gelezen, snak je naar contact met mensen. Dan kun je het best naar het café gaan. Daar zijn de drempels het snelst geslecht. Als je met elkaar drinkt, heb je meteen een intieme verhouding* nou ja, een quasi-intieme verhouding met degene die tegenover je zit. Je hoeft niet het hele parcours over: mooi weer en hoe gaat het met je? Je kunt meteen doordringen tot de kern van de zaak.

Ik had op een gegeven moment de afwijking vragen af te vuren op een wildvreemde. Dan zei ik: ik ga je honderd vragen stellen en die moet je allemaal beantwoorden. En verdomd, ze deden dat. Ik vroeg de gekste dingen en ze gaven antwoord. Vroeg ik: welk geluid was er het eerst in jouw leven? Dat is de stem van je moeder, als je nog in haar buik zit. Had je meteen een geweldig gesprek.

Ik heb een jaar niet kunnen lezen. Dat was de verschrikkelijkste tijd van mijn leven. Ik ben door de diepste eenzaamheid gegaan die je je maar kunt bedenken. Ik ben erachter gekomen dat ik lees om mijn eenzaamheid te bestrijden. En daarna ging ik naar de kroeg. Maar het grote drinken, kan ik niet meer, dat mis ik wel. Ik kom nauwelijks nog in het café, ik word ook niet meer dronken. Ik klok niet meer, ik nip. Pils moet je klokken. Klok, klok, klok – heerlijk. Nu zit ik de hele avond op een Westmalle of een Koninckje.

Hij spreekt binnensmonds, slikt lettergrepen in en zoekt met dichtgeknepen ogen naar een woord. Na een stotterende aanloop volgen enkele rake formuleringen. Als een woord hem in de steek laat, slaat hij met zijn vuist tegen zijn voorhoofd. Vroeger sloeg hij je op de schouder, nu heeft hij zijn armen nodig om zijn woorden te ondersteunen. Als hij grinnikt, schokschoudert hij geluidloos. De vriendelijke blik is gebleven, ook al is ie berustend. Af en toe neemt hij een slokje Aloe Vera, Surinaams water uit een vierkant flesje. Water met een plant erin. Heeft hij op de sportschool leren drinken.

Dit is een interview met een handicap. Ik haat het dat ik me niet goed kan uitdrukken. Dat gaat tegen mijn hele wezen in. Vroeger dacht en praatte ik tegelijkertijd. Nu moet ik eerst denken en dan praten. Er is veel meer dan ik kan uitdrukken. Mijn retorisch talent, het snelle denken en lezen – alles is me in één klap ontnomen.

Het was halfzes en nog donker buiten, 14 juli 2004. Ik wilde de injectienaald met insuline in mijn buik planten, maar het ging niet. De insuline lekte over mijn dijbeen. Mijn vrouw belde de ambulance. In het ziekenhuis werd ik in een buis geschoven. Terwijl er een scan werd gemaakt, werd ik getroffen door een tweede herseninfarct. ’s Avonds was ik bijna dood.

Godzijdank heb ik de ochtend gehaald. Mijn rechterkant was verlamd. Ik kon niet meer slikken, niet meer praten. Ik kon niet meer lopen en werd in een rolstoel gehesen. Ik kon niks meer. Helemaal niks. Er volgde langzaam herstel. Na anderhalf jaar heb je je maximum bereikt. Ik kan weer praten, lezen en schrijven; het gaat moeizaam, ik moet elk woord over de drempel dragen, maar het is een wonder.

Dat ik nog besta, heb ik te danken aan mijn vrouw en zonen. Ik kan je ontvangen en nog net een kop koffie geven, dan houdt het op. Alleen al met aankleden ben ik een paar uur bezig. Mijn vrouw zorgt voor alles, werkelijk alles. Ik hoef nergens aan te denken. Dat kan ik ook haast niet.

Laatst ben ik met de trein naar Den Haag geweest. Alleen. Ik moest naar Centraal en belandde op Hollands Spoor. Volgens de conducteur was mijn kaartje niet goed. Dan raak ik helemaal in de war en word ik kwaad. Ik heb een kort lontje gekregen. Dan gedraag ik me op een manier waarvan ik zelf sta te kijken. Ik ben een hooligan geworden.

Mijn zonen hebben mij weer leren praten en leren lezen. Martijn heeft met mij Oriëntalisten van Edward Said gelezen. Per alinea moest ik samenvatten wat ik had gelezen. Ik moest elke alinea veroveren. Martijn heeft veel bijgedragen aan mijn memorisatietechniek. Tim is heel ad rem. Hij vertelt veel en is razendsnel met zijn grappen. Hij heeft mij weer leren reageren. Al is dat geen fractie meer van mijn vroegere snelheid.

Ik las tien boeken per week. Elke dag was ik met twee, drie boeken in de weer. Vroeger las ik een bladzijde per minuut. Die snelheid, dat enorme speed-gevoel, ben ik helemaal kwijt. Nu doe ik een half uur over een bladzijde. Ik ben nu bezig met Mijn komedie: Hel van Dante. Op de achtergrond daarvan lees ik De cultuur van middeleeuws Europa van Jacques Le Goff.

Ik ben altijd op zoek geweest naar de ultieme leeservaring uit mijn jeugd. Lezen en vergeten dat je leest. Dat je om 2 uur begint en om 5 uur ontwaakt. Was ik de hele woensdagmiddag Witte Veder geweest uit Arendsoog. Dat is de opperste vorm van lezen. Veertig jaar ben ik op jacht geweest naar die sensatie – het is me een enkele keer gelukt.

Nee, ik voel me niet verraden door mijn eigen lijf. Ik heb te veel gezopen en te veel gerookt. Dat was het eerste dat ik dacht toen ik in het ziekenhuis lag. Sinds het infarct heb ik geen sigaret meer aangeraakt. Een wonder. Ik rookte twee pakjes per dag. Ik heb mijn lichaam uitgewoond. Dat gaat een keer fout. Ik had ook een hartaanval kunnen krijgen. Spijt heb ik er niet van. Het was noodzakelijk, het hoorde nu eenmaal bij mij.

Spijt heb ik dat ik niet meer met mijn zonen naar het café kan gaan – het wordt me snel te druk. Eindeloos zaten we te ouwehoeren. Dat mis ik verschrikkelijk. We waren bezig met een roman. Zaten we in het café de plot te bedenken. Tegenwoordig ga ik naar de sportschool, drie middagen per week. Ik had nog nooit gesport. Ik ga er depressief heen en als ik terugloop naar huis is de lucht helemaal opengetrokken.

Bij Querido begeleidde ik vijftig schrijvers. Het waren tropenjaren, ook al zag ik er veertig niet vaak, die schrijven eens in de vijf jaar een boek. Ik werd leeggeroofd, ik was compleet op. Omdat je moet meedenken met de auteur moet je zijn werk tot in de puntjes kennen. Als je een alinea anoniem krijgt voorgelegd, moet je zo kunnen zeggen: dat is Kees ’t Hart. Je moet weten welke thema’s een schrijver bezighouden, welke obsessies hij heeft en welke stilistische eigenaardigheden.

Hella Haasse levert haar manuscript vlekkeloos in. Bernlef ook. Heb je amper werk aan. Met Tomas Lieske kon ik uren praten over een intrige. Dan was ik een projectiescherm. Adri van der Heijden heb ik een jaar begeleid. Toen kregen we een aanvaring. Hij is een meester in het uitlokken van conflicten en een grootmeester in het bijleggen ervan. Zakelijk klikte het niet tussen ons, vriendschappelijk wel. Als schrijver is hij op zijn best als hij woedend is.

We hebben veel samen in het café gezeten, hele nachten hebben we doorgehaald. Van der Heijden heeft een fabelachtig geheugen. Hij rijgt de ene anekdote aan de andere, compleet met alle details. Ik heb een bizar geheugen voor de raarste feiten. Weet jij wie in 1851 het gipsverband heeft uitgevonden? Dokter Mathijsen.

Met Kees ’t Hart, een boezemvriend uit mijn studententijd, doe ik altijd een quiz over het Eurovisie Songfestival. Tijdens de afwas, als hij bij ons heeft gegeten. Ik win altijd. Kees houdt ook van dingen waarvan je eigenlijk niet mag houden: Corry Konings en topvijftigmuziek.

Als redacteur moet je empatisch zijn, je moet een enorm groot invoelingsvermogen hebben. Je denkt met andermans hoofd. Lezen is denken met andermans hoofd. Die uitspraak is van Aad Nuis. Je slaat een boek open en kijkt zo in het hoofd van een ander. Omdat ik vaak in de hoofden van anderen heb gekeken, begrijp ik heel goed hoe anderen denken en voelen. Vooral voelen. Het lezen heeft mij veel gebracht.

Je moet goed kunnen luisteren. Urenlang. Auteurs vinden het heerlijk om te praten. Over zichzelf en vooral over het boek waar ze mee bezig zijn. Eenmaal aan het schrijven, maalt dat boek in hun hoofd. Ze kunnen nergens anders aan denken. De successen zijn voor de schrijver, als er dingen niet goed gaan, ligt het aan de redacteur. Je staat op het tweede plan, en dat kan ik eigenlijk niet. Dat was een grote fout van mij.

K. Schippers vond ik het leukst om te begeleiden. Hij schrijft zoals ik zelf zou willen schrijven: goed observeren en elegant beschrijven. Elke week zat ik met hem in de Engelse Reet, een kroeg vlakbij het Spui in Amsterdam. We kwamen op briljante ideeën, elke week bedachten we wel een roman. We zouden samen een boek gaan schrijven over de voorbijganger. Wat doe je als er iemand voorbij komt?

De ene keer knik je. Een andere keer zeg je iets. De volgende keer kijk je weg. Daar kwamen we op terwijl we geen voorbijganger zagen. Voor de ramen van de Engelse Reet hangen dikke, zwarte gordijnen. Als alles dicht is, kun je ver zien, want dan kun je het best fantaseren. Met Schippers kan ik zo diep in gesprek raken dat we dezelfde droom hebben.

Schippers ziet dingen die een ander niet opvallen. Door hem ben ik anders gaan kijken. In Zilah keert hij terug naar zijn eerste geliefde. Dat heeft hij bijzonder mooi opgeschreven. Het deed mij herinneren aan mijn eigen eerste verliefdheid – dat was in de kerk, ze zat vooraan in een bank en keerde zich om naar mij. Haar glimlach in dat schitterend gebrandschilderde licht, die onbeschrijflijke blik, haar honingkleurige haren* Ik was het totaal vergeten, ik heb haar naam nooit gekend, en kon het me opeens precies herinneren. Ik liep er helemaal vol van.

Ik moet veel aan vroeger denken. Als ik nip aan een Westmalle hoor ik de harmonie in de kiosk in het Stadswandelpark van Eindhoven. Daar zaten wij op zondagmiddag met de hele familie naar te luisteren, de ouderen met een Westmalle in de hand. Ervaringen van vijftig jaar geleden, waar ik het nooit meer over heb gehad, komen spontaan naar boven. Het herseninfarct heeft alles door elkaar gegooid en nu moet ik me opnieuw uitvinden aan de hand van de geuren, kleuren en smaak van mijn jeugd.

Die herinneringen zijn een geschenk van het infarct. Ik herinner me dingen die ik totaal vergeten was. Ze ontroeren me, ik moet er vaak om huilen. Huilen is sinds mijn infarct geen uiting meer van verdriet. Ik jank om de raarste dingen, het is verlegenmakend. Ik ben aan het uitzoeken waar het wel een uiting van is. Ik wil weten wat mijn hersenen hebben aangericht in mijn emotionele systeem. Dat houdt me de hele dag bezig.

Net zoals ik weer heb leren praten, moet ik weer leren voelen. Ik noteer alle herinneringen en probeer zo mijn persoonlijkheid te reconstrueren. Ik moet aandachtig luisteren naar de ritselingen van mijn bewustzijn. Een compliment draagt bij aan de reconstructie van mijn persoonlijkheid. De gevoelens van een ander zijn van wezenlijk belang voor mij.

Wat is mijn smaak? Wat is de rol van snobisme? Die probeer ik zo veel mogelijk uit te bannen. Het gaat erom wat ik écht belangrijk vind. Ik houd van Duitse schlagers. Dat durfde ik vroeger niet te zeggen. Als je van Duitse schlagers hield, was je cultureel uitgerangeerd.

Ik ben bezig een boek te schrijven over wat me is overkomen, ik schrijf een alinea per dag. Dat is een voordeel van het herseninfarct: de belemmeringen om te schrijven zijn weggevallen. Je moet een soort argeloosheid hebben om te schrijven.

Vroeger was ik te geïmponeerd door schrijvers. Ik heb het voordeel dat ik veel heb gelezen en toch die staat van onbevangenheid kan bereiken. Ik ken een heleboel stijlen en toch is de kans groot dat ik er niet één navolg. Ik heb het gevoel dat ik mijn eigen toon heb gevonden.

Vroeger ben ik een paar keer aan een boek begonnen, er kwamen afschuwelijke clichés op papier. Het was prut. Mijn kennis belemmerde mij. Schrijven is een hels karwei. Je moet een goede intrige bedenken en pakkende scènes. Je moet een register kiezen, een stijl, de bewoordingen – alles moet je mobiliseren en dan heb je nog niks op papier.

Mensen praten over het algemeen heel rap. Ik praat moeizaam en moet schreeuwen om er tussen te komen. Dat vind ik verschrikkelijk. Ik was gewend de zaken in de hand te hebben, maar ik heb de regie verloren. Ik word afgetroefd. Overal.

Dat verklaart mijn boosheid. Ik kan op iedereen boos worden. Ik heb het gevoel dat ik in een cel zit opgesloten, dat is mijn eigen lichaam. Ik sta tegen de deur te bonken: hé, godverdorie, ik ben er nog. Maar niemand hoort het. Iedereen loopt voorbij en denkt: niks aan de hand.

Tomas Lieske bereidde ooit een diner, zoals beschreven door Nabokov in Ada. Alle gerechten waren origineel, voor sommige spijzen was hij helemaal naar Parijs geweest. Het was verrukkelijk. Ik zat met schrijvers aan tafel die de Libris Literatuur Prijs hadden gewonnen of nog zouden winnen. Lieske zelf, Robert Anker en Willem Jan Otten.

We lazen passages voor uit Ada en hadden daar hele discussies over. Onder het genot van menig glas schitterende wijn: Pomerol. Fantastisch hoe de literatuur en eten waren verenigd. Het was een gouden avond, ik was ’s ochtends om vijf uur thuis.

Lekker eten, doe ik graag; ouwehoeren, doe ik ook graag. Dat is allemaal voorbij. Ik leef in blessuretijd. Sterker nog: ik ben al dood, maar ik mag nog een paar jaar leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden