Het goud van de Gouden Eeuw

Behalve voor economen en bankiers is geld weinig boeiend; rijken zijn nog oninteressanter, misschien vooral hierdoor: ze doen met hun geld bijna allemaal hetzelfde....

Geïnspireerd door die club van vijfhonderd, zijn nu de tweehonderd vijftig rijksten uit de Gouden Eeuw bijeengebracht in een kolossaal boek. Kees Zandvliet, die hoofd is van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum, is de auteur of samensteller ervan, want velen hebben meegewerkt, met name aan de afzonderlijke ‘familieportretten’. Daarvan zijn er zeker tweehonderd vrij vervelend, want geld maakt ook een lezer niet gelukkig. Ik denk dat ik de allerbeknoptste de mooiste vind, deze tekst dus: ‘Dit adellijk Groningse echtpaar had naast een huis in de stad Groningen, de borgen Ten Post en Nijenhuis in eigendom. Hun zoon Edzard werd geboren in 1656.’

Zoveel is de rijkdom van Wilhelmina Polman, weduwe van Egbert Rengers ten Post, waard. Ze is de 247ste op de ranglijst met een vermogen van ¿ 200,000,-. Helaas is ze niet als vele rijke weduwen in het boek met een andere rijke hertrouwd; ze zou hoger op de lijst geëindigd zijn. (Voor de onverwoestbaarheid van de Nederlandse weduwen is dit boek een schitterend document, er wordt wat hertrouwd en in tweede ronde ook gebaard, kinderen waren de grootste investering.)

De algemene geschiedenis van de 17de-eeuwse rijkdom, als beschreven in de inleiding, die ‘Kapitaal, macht, familie en levensstijl’ heet, is het boeiendste deel van het boek. Een mooi overzicht van de soorten rijken (een fraai stukje over de ‘nieuwe rijken’, die ook toen dachten dat geld de voornaamste deuren opent), over de verspreiding van de rijkdom over de provincies (Holland en daarin weer Amsterdam is natuurlijk het rijkst), over de herkomst van de rijkdom (de buitenlandse handel is grootste geldwinner), over faillissementen (daar kan althans ik nooit genoeg over lezen), over de kapitaalvermeerdering door huwelijken, een vermenigvuldigingsspel zonder weerga.

Het bijzonderst is de paragraaf ‘Levensstijl’, die de gelijkvormigheid goed laat uitkomen. Een van de mooiste uitspraken staat hier. De echtgenote van een Goudse regent merkte tegenover haar man op: ‘Fatsoen koopt men bij de silversmit.’ (Zilver was een verzamelobject bij de rijken en een ogen uitstekend bezit voor andere rijken.) Ze wordt misschien overtroffen door de Amsterdamse vrouw die een paar jaar geleden zei: ‘Als ik geld had, had ik ook smaak.’

De sporen van levensstijl in de afzonderlijke biografieën kenmerken de betere en dus interessantere stukken. Er zijn natuurlijk de conventies: in Amsterdam een huis aan de Herengracht (de hogere nummers!), in Den Haag op het Lange Voorhout, en daarbij de buitenplaatsen, waarvan er heel veel geweest moeten zijn. Wanneer de levensstijl een groot cultuurbesef gaat manifesteren, worden de rijken en hun biografieën pas interessant. Dat levert een schitterend stuk op als dat over Guillelmo Bartolotti, koopman en bankier, die ¿ 1.200.000,- naliet. Zijn huis op de Herengracht, nu naar hem genoemd, verraadt zijn smaak en cultuur. De cultuurdragers van de tijd kwamen niet toevallig allen bij hem over de vloer. (Hij had, toppunt van rijkdom en cultuur, zilveren bestek voor vele gasten. Het was toen de gewoonte, zelf zijn bestek mee te nemen als men uit eten ging.) De bijdrage over Adriaan Pauw had wel uitbreiding verdiend: hij was de bezitter van de grootste bibliotheek van zijn tijd. Mooie stukken over voorbeeldige cultuurdragers, en verzamelaars, bij wie de platte rijkdom onzichtbaar wordt, zijn die over Nicolaas Witsen, Constantijn Huygens (met Cats de waarschijnlijk rijkste dichter uit de Nederlandse literatuur), Nicolaas Tulp (van de ‘Anatomische les’ van Rembrandt), Joan Six en uiteraard dat over de Oranjes, die met een vermogen van ¿ 25.000.000,- het boek openen – de basis werd gelegd door Maurits – en dat ook met de nooit meer geëvenaarde pracht en praal als zichtbaar gemaakt door Frederik Hendrik, de meest vorstelijke van het geslacht.

Er wordt, helaas, achter het geld weinig ongerechtigheid zichtbaar. Geld maakte toen kennelijk deugdzaam, in elk geval fatsoenlijk. Verkwikkend is het schandalig niets van waaruit Arend Maartens tot grote rijkdom kwam: ‘Arend Maartens was de buitenechtelijke zoon van een priester die, tegen de kerkelijke wetten in, in die tijd samenwoonde met een vrouw. Zijn vader en moeder bleven zo’n twintig jaar bij elkaar tot de dood hen scheidde.’

Kleine verslagen van erfenisruzies heffen de saaiheid en deugdzaamheid soms ook op. Bij slechts één rijke helaas zien we de kwaal van de rijkdom, de jicht (gevolg van veel drinken en veel vlees eten). De secretaris en griffier Laurens Buysero, goed voor ¿ 250.000,- was een grote en klagende lijder aan de jicht, aan het einde van zijn leven een totaal verkrampte burgerman.

Het boek is in elk geval een heel mooie portrettengalerij. Veel rijken hebben zich, met hun vrouw of (het mooist) met hun hele gezin laten schilderen. De schilderijen zijn een beschouwing, om niet te zeggen een meditatie waard. De allergrootste portrettist blijft natuurlijk Rembrandt, maar Van Mierevelt blijkt hier, in zijn precisie, toch groter dan meestal geacht. Natuurlijk zijn de meeste portretten conventie – men kreeg waarvoor men betaalde – maar daarbinnen treffen toch bijzonderheden als de uiterlijke vitaliteit van de meeste mannen en de kwetsbaarheid, zwakheid zelfs, van veel jonge vrouwen, met hun lijkbleke gezichten en grote verdrietige ogen. Vleierij moet veel schilders vreemd zijn geweest. Het allermooiste vrouwenportret is dat van Maria Trip door Rembrandt, het allerdroevigste dat van Agatha Geelvinck, die dan ook in de vijfde maand van haar huwelijk bezweek.

Al die portretten, ze horen, als veel verzamelobjecten van de oude rijken, nu tot het nationale cultuurbezit. Een aantal van de rijken heeft de grachten volgebouwd en de huidige musea gevuld. Hun nalatenschap is verreweg het boeiendst. Misschien had men die als uitgangspunt voor hun geschiedenis moeten nemen. Maar dan was er een 17de-eeuwse Quote geweest.

De volgorde is die van het vermogen. Dat heeft tot gevolg dat de geschiedenissen van de grote rijke families – de familie Trip, de familie Bicker – over het boek verspreid staan. Van de vele Bickers werd de dikke Gerard, zoon van Andries, in zijn vrij onsmakelijke gedaante (al tweemaal eerder voor het omslag van een ander boek gebruikt), tot eerste beeld verheven. Het zegt iets over de opzet, die bij eerste idee heel leuk moet hebben geleken, maar de idee werd bij uitwerking steeds zwakker. En dan is er ten slotte het boek.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden