Het goud op de weg

Onder de koeiestaart vandaan

'Als er een eigen Friese poëtische traditie bestaat, dan is dat er een van akkers en weiland, van sloten, vaarten en luchten, van boerderijen en beesten, dorpen, dijken, kortom: van alles dat de open, naakte ruimte kenmerkt die Friesland is.'

Daar is geen woord Fries bij, maar dat ligt aan mij: de kernachtige omschrijving is van de Friese dichter en essayist Abe de Vries - drie jaar terug kreeg hij voor een van zijn dichtbundels de Gysbert Japikspriis, de hoogste literaire onderscheiding in Friesland - en zij komt uit één van diens pittige opstellen. Die zijn gebundeld in Identiteit & kowesturten, De Vries' Essays oer Fryske Literatuer ('kowesturten'

zijn 'koeiestaarten'). In die essays rekent De Vries af met allerlei nostalgische en pittoreske opvattingen over het karakteristieke van de Friese literatuur. Hij doet dat niet alleen door de enigszins amechtige propagandisten daarvan tot de orde te roepen, maar vooral door de Friese literatuur een perspectief te bieden, het perspectief van zijn royale belezenheid.

Daar ontstaat zijn nuchtere en soms ontnuchterende kijk op die literatuur. Zijn beschouwingen zijn geen beginselverklaringen of speurtochten naar een essentie, maar vergelijkingen: De Vries schrijft even makkelijk over Joseph Brodsky als over Douwe Kiestra, over Czeslaw Milosz met evenveel empathie als over Tsjêbbe Hettinga.

En dus heeft hij geen essentialistisch getoeter nodig: Brodsky kwam uit Rusland, Milosz uit Polen, nu ja, Litouwen, en Kiestra en Hettinga uit Friesland. In elke landstreek vind je wel karakteristieke landschappelijke eigenaardigheden, vaak compleet met typische boerderijtjes en bijpassend vee en allicht dat je daar in de poëzie van dichters afkomstig uit die streek beelden van aantreft.

Het verschil is de taal. Door zo de denken kan de essayist en bloemlezer doodgemoedereerd uitschrijven wat voor krampachtiger beschouwers een gevaar of een cliché zou zijn geweest, de realistische schildering van wat hem aan Friesland en zijn poëzie treft.

De Vries' overwegingen, die hij niet alleen ontvouwt in zijn opstellen maar ook inzichtelijk maakt door de keuzes in zijn bloemlezing Het goud op de weg - De Friese poëzie sinds 1880, staan los van het huidige neonationalistische discours met zijn bizarre retoriek van trots en volksidentiteit. Het Fries is in Nederland een minderheidstaal en dat brengt zowel onzekerheden teweeg als een aanhoudende druk; daar hebben die taal en haar sprekers allebei onder te lijden. De tijd waarin de hegemonie van het Nederlands een repressief en soms zelfs agressief karakter droeg ten koste van het Fries ligt weliswaar achter ons, maar de dominantie ervan in media, onderwijs en openbaar bestuur heeft vanzelfsprekend beklemmende consequenties voor het Fries.

Traditioneel kent de Friese literatuur daardoor een sterke hang naar zelfrechtvaardiging, zowel expliciet - in beginselverklaringen omtrent haar unieke eigenschappen - als impliciet in de nadrukkelijke keuze voor een zo zuiver mogelijke literaire taal. In het Fries geschreven literatuur heeft bijna onvermijdelijk een hogere taak.

Daar wil De Vries van af. En dus maakte hij een eigenwijze, brutale en hier en daar zelfs provocerende keuze uit ruim een eeuw Friese poëzie, een keuze die nogal verschilt van wat de bloemlezers van de Spiegel der Friese poëzie ruim een decennium geleden deden. Door die bovendien tweetalig te maken - de poëtische vertalingen in het Nederlands staan naast de originelen - biedt hij die bovendien aan een veel breder Nederlands publiek aan. De Vries verhoudt zich tot zijn voorgangers zoals Gerrit Komrij dat in zijn geruchtmakende bloemlezing deed tot Victor van Vriesland.

Dat is niet alleen het gevolg van zijn smaak en opvatting, het heeft ook te maken met de opmerkelijke renaissance die de Friese poëzie doormaakt: jongere en dikwijls in twee talen dichtende auteurs als Albertina Soepboer, Elmar Kuiper Tsead Bruinja hebben, juist ook door het haa

st frivole gemak waarmee zij omgaan met hun tweetaligheid en de benarde positie waarin een van hun beide talen verkeert, de vitaliteit en de rijkdom van hun moedertaal en de daarmee verbonden verbeeldingswereld royaal onder de aandacht gebracht.

Als dichter is De Vries zelf onmiskenbaar een kind van die generatie en voorwaar niet het geringste. Zij komen niet langer van onder de koeiestaarten tevoorschijn gekropen en juist daardoor schamen zij zich er niet voor die zo nu en dan te signaleren. 'No 't ik weikrûpt bin, in/ frjemde krûpsje ûnder de lea yn in finekswyk, no 't ik/ foar de safolste kear seach hoe 't de kletterbeamen/ oare kant de sleat poerneaken yn in wike wienen, moat ik tinken oan it swanne-aai, de eksploazje/ yn dyn hân'.

'Nu ik ben weggekropen,/ een vreemde kwaal onder de leden in een vinex-wijk, nu ik/ voor de zoveelste keer zag hoe de populieren/ aan de over van de sloot spiernaakt in een week waren/ moet ik denken aan het zwanenei, de explosie/ in je hand'.

De taal en de beeldtaal, zij staan in de volle werkelijkheid, open en gretig - maar mét hun eigen bijzonderheden.

Vanwege zijn verbondenheid met die bijzondere jongste generatie Friese dichters is De Vries op zoek gegaan naar verwantschappen in het verleden. Dat levert een aantal herwaarderingen op, van individuele dichters en van de hiërarchie binnen de oeuvres van enkele eerder gecanoniseerde dichters.

Zijn sympathie voor Garmant Nico Visser (1910-2001), in het bijzonder voor diens ongebruikelijke thematiek ('Tennis', 'De ambtenaar') is een kleine openbaring (mooie regels: 'It libben fan de geast wjukk't my te heech.... Myn jeugdheld wie net Kalma, mar Lord Lister.'). Diens veel bekendere tijdgenoot Fedde Schurer, coryfee van een chauvinistisch soort christelijke kampvuurliedjes, werd zelfs helemaal geschrapt.

De experimentele Tjitte Piebenga krijgt van hem een sleutelrol toebedeeld, terwijl hij de rol van enkele nogal epigonistische experimentelen uit de jaren zestig relativeert.

Welbeschouwd zijn dat allemaal uitdrukkingen van literaire emancipatie, een houding die de Friese poëzie, haar levendigheid en haar Friese eigenheid, serieus neemt domweg omdat zij zich voordoen. Dat is een opluchting, vooral doordat de rijkdom van die poëzie, haar intieme lyriek, in volle omvang zichtbaar wordt.

Natuurlijk hebben grote en ook buiten Friesland bekende dichters als Piter Jelles Troelstra, Obe Postma, Theun de Vries en Douwe Tamminga daar hun terechte vooraanstaande plaats in gekregen. Maar door de eigenwijze keuzes van de bloemlezer hebben zij een context gekregen die ze tegelijkertijd verstaanbaarder en intrigerender maakt.

Het genie van Postma - bestaat er fraaiere funeraire poëzie dan diens 'As ik opdroegen wurd'? - krijgt naast het werk van Sjoerd Spanninga reliëf. Postma is zowel de dichter van het landelijke 'Yn 'e ûngetiid' als van 'De omkriten fan Amsterdam fan Rembrandt tekene' als van het poëticale 'Wat de dichter witte moat' en wordt door die ordening ineens verwant met de jongeren van nu.

'Soe it him wat jaan dat er opwoechs yn de ôf-te-eagjen/ Libbensmienskip fan it doarp?', 'Zou hij er iets aan hebben dat hij opgroeide in de afzienbare/ Levensgemeenschap van het dorp?'

Jawel, veel, dat is meer dan vijfhonderd pagina's lang te zien - al was het maar dat zij daar achteloos hun eigen taal spraken, hun eigen beelden van straat en einder plukten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden