Het gevecht om nootmuskaat

NA DE BEGINZIN - 'Je ruikt het eiland voordat je het ziet' - kan het boek al bijna niet meer stuk....

Giles Milton koos de strijd om dat eiland als spectaculair voorbeeld van de toenmalige race om specerijen (nootmuskaat, kruidnagels, kaneel, peper) tussen beide nieuwe koloniserende organisaties. Hij is journalist en schrijver over ontdekkingsreizen. Zijn eerste boek gold de middeleeuwse ontdekker Sir John Mandeville.

Miltons nieuwe held is Nathaniel Courthope. Deze bezette in 1616 het eiland Run voor de EIC. Dat was belangrijk, omdat de VOC-veroveraars de rest van de Molukken in handen hadden en daar overal een monopolie op specerijen afdwongen op de inlanders. Er werden fabuleuze winsten op gemaakt. De specerijen, met name nootmuskaat, brachten veel op de Europese markten op, omdat er allerlei (ook onzinnige) genezende werkingen aan werden toegeschreven. Bovendien maakten ze het eten lekker.

De Nederlanders namen geen genoegen met zelfs een kleine Engelse inbreuk op hun monopolie, via het eiland Run. Er volgde een beleg van bijna vier jaar, door Giles Milton als heroïsch beschreven. De VOC gebruikte nogal bloeddorstige Japanse huursoldaten. Ten slotte werd Courthope door hongerende en bange landgenoten verraden en hij kwam in volle zee om. Dit gebeuren bezegelde het voorlopige einde van de Engelse invloed en handel in het gebied van het huidige Indonesië.

Het verhaal van Courthope beslaat een klein, maar wel emotioneel deel van het boek. Eigenlijk is het werk een wat losse, maar effectief en leesbaar geschreven brede historie van de vroege koloniale strijd tussen Engeland en Nederland om de specerijen en de maritieme macht in de Indonesische wateren. Ook de meestal grondig mislukte ontdekkingsreizen om via het noordoosten (de Beringstraat) of het noordwesten (Canada, de Hudson) een kortere route naar de nootmuskaat te vinden, zijn met verve beschreven. Zo werd Manhattan ontdekt en ook hier waren de Nederlanders aanvankelijk dominant.

Milton beschrijft dit alles vanuit Engels perspectief, al heeft hij menig oud Nederlands geschrift voor zich laten vertalen. In de Engelse teksten van die tijd heten de Nederlanders vaak 'the Flemings', want kort daarvoor was Vlaanderen veel belangrijker dan Noord-Nederland. Milton maakt overigens met de (oud-)Hollandse namen minder fouten dan in Engels proza gebruikelijk is. De hardhandige Nederlandse pioniers komen er bij hem zelden goed af, vooral wat de Ambonese moordpartij (na martelingen) op de Britten in 1623 betreft.

Toch klinkt bij hem ook bewondering door voor de grotere energie en strijdlust van de VOC'ers in verhouding tot de EIC. De VOC won de race om de specerijen; Jan Pieterszoon Coen bouwde een imperium op. De auteur vindt het portret van Coen in het Amsterdamse Rijksmuseum 'niet flatteus', maar het laat wel zien dat deze man 'volledig greep had op zijn bestemming'.

Diens bijnaam 'De Schrale' sloeg volgens Milton niet alleen op diens lichaamsbouw. Coen was een humorloze, grimmige calvinist, die met harde hand een steile carrière opbouwde. De vaak vermanende en tot matiging aansporende Heren Zeventien in Amsterdam vond hij te soft. Hij trok zich zelden wat van hen aan.

Zo ook in 1619 toen de Engelse diplomaten met de Staten-Generaal hadden afgesproken dat het met de oorlog in Indië afgelopen moest zijn. Een fusie tussen VOC en EIC was mislukt, maar er moest wel een bestand komen. Voortaan zou de VOC tweederde en de EIC eenderde van de specerijen krijgen en samen zouden ze Spanje en Portugal er geheel uitwerken. Coen vond die deal maar niks, want een verhouding honderd-nul deed meer recht aan de krachtsverhoudingen. Hij had algauw een smoes gevonden om de Engelsen er toch weer uit te slaan.

Over andere Nederlanders wordt met minder ontzag geschreven. De vroege kolonist Cornelis Houtman was cholerisch en sadistisch en Van Speult schond op Ambon de mensenrechten. Alleen Jacob van Neck en Jacob van Heemskerck (die van de overwintering op Nova Zembla) gingen behoorljk - en toch profijtelijk - met de inlanders om. Maar in het algemeen moesten de inheemse bewoners van de Molukken weinig van de ruwe en gierige VOC'ers hebben. Ze complotteerden graag met de Engelsen, ook omdat die een koning hadden (de ijdele Schot Jacobus), wat meer tot hun verbeelding sprak.

Maar ook die hulp heeft de Engelsen alleen af en toe kansen gegeven. De EIC stuurde minder en kleinere vloten naar de Indische eilanden. Bovendien beconcurreerden die vloten elkaar, terwijl de VOC al gauw een centrale leiding had, eerst in Bantam en later in Batavia (nadat Coen daar Jacarta had verwoest).

De Nederlanders hadden (nog) een voorsprong in maritieme technieken. En ze konden beter tegen het tropische klimaat, omdat ze zich wat meer wasten, aldus Milton. Ze blijken in dit boek energieker en doelgerichter dan de Engelsen. Zou dat komen doordat de strijd tegen de Spanjaarden hen had gehard of door het ontbreken van een oppermachtige adel in de jonge Republiek? Dit boek geeft er geen verklaring voor.

Meer aandacht krijgt de hachelijke strijd om het bestaan van de EIC. De zaak verpieterde steeds meer door het verliezen van de Spice-race. Dictator Cromwell moest de company in 1657 van de ondergang redden. Pas in de achttiende eeuw, na enorme veroveringen in India, kwam de grote tijd van de EIC.

De Engelsen hebben Run nog even veroverd, maar werden er weer uitgewerkt door de VOC. Tijdens de tweede zee-oorlog (1665-1667) tussen beide landen bezetten de Engelsen Manhattan. Bij de Vrede van Breda werd besloten om alle wederzijdse veroveringen te honoreren. Giles Milton bouwt daarop de constructie dat het eiland Run geruild is voor Manhattan en dat Nathaniel Courthope's machtige verzet in de Banda Zee zo heeft bijgedragen aan New Yorks grootheid. Toch heeft Courthope geen standbeeld in die metropool.

Een al te ijle historische constructie. Voor bredere historische overwegingen moet men in dit boek niet wezen. Het geeft wel een aardig en soms opwindend overzicht van een barre, maar belangrijke vroeg-koloniale episode. Meer een opsomming van zilte avonturen, gruwelijke rampen, rauwe hebzucht en kille machtsdrang. Het waren niet de meest beschouwelijke geesten die het koloniale avontuur kozen.

Het slot van het boek is al even aardig als het begin. In de napoleontische tijd heeft Engeland Run nog even bezet, om het in 1817 aan Nederland terug te geven. Maar inmiddels waren nootmuskaatzaden al overgebracht naar Ceylon en elders. Run verloor elk mercantiel en strategisch belang (in tegenstelling tot Manhattan).

Er staat nu nog een oud Hollands kerkje en af en toe wordt een roestige munt gevonden tussen de hevig geurende nootmuskaatbomen. Maar de inwoners willen van de oude en heftige geschiedenis van hun eiland weinig weten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden