Recensie Het leven van een sceptische fantast

Het genoegen waarmee Safranski zijn treurige biografie over E.T.A. Hoffmann schreef is af te lezen aan zijn klinkende zinnen ★★★★☆

De eerste biografie van Rüdiger Safranski is eindelijk vertaald. Dat is maar goed ook. Met genoegen schetst hij het prachtige, treurige leven van E.T.A. Hoffmann. Wiens werk best eens een herdruk verdient. 

Rüdiger Safranski Beeld Io Cooman

Een klein rusteloos mannetje met beweeglijke mimiek en priemende oogjes. ‘Hij had iets griezeligs’, vond schrijver Ludwig Tieck, toen hij terugdacht aan zijn enige ontmoeting met E.T.A. Hoffmann (1776-1822), de vroeggestorven Duitse schrijver van romantische, huiveringwekkende en geestige sprookjes als Notenkraker en muizenkoning, De gouden pot en Leven en opvattingen van Kater Murr. Die literaire productiviteit is al indrukwekkend, en wordt dat eens te meer wanneer men bedenkt dat Hoffmann ook nog een baan had als jurist (eerst referendaris, later Kammergerichtsrat), en daarnaast tekende, dirigeerde en componeerde.

Uit liefde voor Mozart veranderde hij zijn derde voornaam Wilhelm in Amadeus. Muziek was zijn grootste passie, en met zijn opera Undine (1816) zou hij eindelijk triomfen vieren in het Nationale Theater in Berlijn, maar als na een aantal opvoeringen het theater en de opzienbarende decors van de opera volledig afbranden, is Hoffmanns muzikale carrière ook weer gedoofd. De schrijver en jurist woonde recht tegenover het theater aan de Gendarmenmarkt, en een ooggetuige heeft hem op 29 juli 1817 naar de verwoestende brand zien kijken: ‘Hij hing uit het raam en de vuurgloed belichtte het kleine magere gelaat, waarachter op dat moment ongetwijfeld tientallen mirakels en sprookjes spookten. Het was een avond en het reusachtige, nu aan alle kanten in lichterlaaie staande gebouw, dat al vanaf het middaguur ten prooi was aan de vlammen, leek in het halfdonker, met het geraamte dat nog overeind stond en de vele gloeiende vensteropeningen, op een koninklijk salamanderpaleis.’

Het is treurig maar ook prachtig, en dat geldt voor het hele leven van E.T.A. Hoffmann, al in 1984 te boek gesteld door Rüdiger Safranski, de filosoof en auteur die bekend werd als biograaf van de zware jongens uit de Duitse cultuur (Heidegger, Nietzsche, Schiller, Schopenhauer, Goethe), maar die zijn carrière begon met dit nu eindelijk ook vertaalde, frivolere project. En met genoegen, dat is af te lezen aan veel klinkende zinnen en opmerkingen. Als jongeman in Koningsbergen verliefde Hoffmann zich op de tien jaar oudere Dora Hart, die bovendien getrouwd was. Toen maakte hij het genot van het dagelijks weerzien en de smart van dagelijks scheiden mee, zoals hij aan een vriend schreef. Safranski: ‘Hier legt hij een propedeutisch examen af van de romantische liefde, waarvan hij het genot later scherp zal onderscheiden van de milde geneugten van de liefde voor dagelijks gebruik.’ Dat is niet alleen een fraaie zin, maar ook een ware. Hoffmann wilde van alles, maar zat ook vast aan beperkingen, om te beginnen die van zijn eigen lichaam. Die onvervuldheid maakte de fantasie in hem los en werd de kolkende bron voor mysterieuze, komische en in grote vaart vertelde verhalen over een schuchtere student die verliefd wordt op een slangetje, een kater die zich moeiteloos als burgerman kan voordoen, een miskende geniale componist die de waanzin nabij is, magnetiseurs en duivelse genootschappen. En dan was Hoffmann ook nog de jurist, die ervoor waarschuwde om een verdachte als waanzinnig te bestempelen, omdat de hele mens een raadsel is, en diens soms onverklaarbare daden daar als het ware onderdeel van zijn.

Versnipperd leven

Frustratie kan hoogst creatief maken, dat laat dit werkzame leven zien. Als biograaf Safranski het versnipperde leven van zijn kleine held als een filosofische houding lijkt aan te prijzen – juist doordat Hoffmann niet in een hokje te stoppen was, kon hij met alle rollen enigszins spelen –, neigt hij naar idealisering. Hoffmann kon zo vloeiend schrijven, wordt de redenering, ‘omdat hij de literatuur nooit zo serieus heeft genomen als de muziek, en daarom heeft hij hier ook geen last van de hinderlijke angst fouten te maken’. Zijn veelzijdigheid, die nog wonderlijker wordt bij de gedachte aan de nachtelijke slemppartijen waaraan Hoffmann zich óók nog overgaf, krijgt door Safranski’s ogen het aanschijn van een keuze, namelijk voor het níét kiezen van één beroep of uitingsvorm. In het geval van deze driftkunstenaar kun je, op basis van dezelfde gegevens maar met een andere blikrichting, van noodlot spreken. Door niet te kiezen kun je aan etikettering en ernst ontkomen, en een zekere speelsheid behouden, dat is waar, maar de praktijk des levens is voor Hoffmann behalve permanent heftig ook bijwijlen slopend geweest.

‘Niet wat je bént, maar wat je van jezelf máákt interesseerde Hoffmann. Daarom mocht hij vaak en graag grimassen maken.’ De biograaf is hier vaderlijker dan Tieck in diens korte conclusie (‘Hij had iets griezeligs’), waar toch óók veel voor te zeggen lijkt. Een zenuwlijder die tijdens een gesprek voortdurend opstaat, die als schrijver zijn eigen verhalen telkens onderbreekt, die nooit zorgeloosheid kent en die op zijn 46ste sterft, wellicht aan syfilis, heeft zich weliswaar bij zijn hindernissen niet neergelegd – maar geen moment krijg je het idee dat Hoffmann te benijden is geweest. Overigens acht ik het een grote kwaliteit van een biograaf dat hij zijn lezers laat meedenken.

In deze eeuw zijn er in Nederland een paar mooie Hoffmann-uitgaven verschenen (Klaas Vaak en andere verhalen, vertaling Anton Haakman in 2004, de Kater Murr-roman, vertaling Wilfred Oranje, in 2010), maar herdrukken van bijvoorbeeld Het duivelselixer en De gouden pot zouden welkom zijn. Dat verlangen roept Safranski op met zijn enthousiasmerende biografie, waarin het zinnetje ‘Het paradijs ligt om de hoek’ een buiginkje moet zijn naar zijn goede vriend Cees Nooteboom. Diens eerste roman Philip en de anderen (1955) kreeg immers in de Duitse vertaling de titel Das Paradies ist nebenan (1958). Een cultboek voor de jonge Safranski, heeft hij vaak verteld. Omdat hij daarna jarenlang nooit meer iets over Nooteboom hoorde, meende hij zelfs dat de auteur jonggestorven was. Ook in Safranski huist een romanticus.

Rüdiger Safranski: E.T.A. Hoffmann – Het leven van een sceptische fantast. Uit het Duits vertaald door Mark Wildschut. Atlas Contact; 454 pagina’s; € 34,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden