Het genie gaat altijd te voet

Niets is aangenamer dan een wandelaar te zijn zonder doel. Steden worden bepaald door het humeur van nerveuze funshoppers, maar ook door gezapige slenteraars die treuzelen voor elke etalage....

‘Stappen die nergens heen leiden?’, vroeg André Breton, de grote roerganger van de surrealisten, zich af. ‘Maar die bestaan niet.’ Misschien is de straat, of de hele stad, de enige plek waar men ervaringen kan opdoen die iets waard zijn, geloofde Breton. Maar heeft hij gelijk? Hij zocht op ‘vlooienmarkten’ dingen die je nergens anders vond: ouderwets, beschadigd, onbruikbaar. De puzzel van toevalligheden, alles wat hij op straat en in stegen kon vinden, of er kon beleven en als nieuwsgierige wandelaar aantrof, brachten hem in opperste verrukking. Hij was, al hoorde je dat woord niet in zijn tijd, een soort moderne funshopper, iemand die zonder vooropgezet plan op stap gaat om iets te ontdekken, of aan te schaffen, of om er alleen maar naar te kijken. Zijn stappen voerden hem áltijd naar ergens.

We kuieren en drentelen, stiefelen en sloffen, we vagabonderen door een stad, trippelen, zwalken en strompelen over pleinen en door straten of stegen, maar met welk doel? We toeren en paraderen, sjokken en klossen, darren en marcheren. We gaan, als je advertenties voor citytrips mag geloven, ‘dansend en walsend door de wereld’. Wat ik verkies, schrijft de Vlaamse filosofe Ann Meskens in Eindelijk buiten – filosofische stadswandelingen: ‘het liefst flaneren’. Het wandelen om het wandelen. ‘Zomaar. En zelfs het verdwalen omhelzen. Het verlangen slechts een flaneur zonder enig doel te zijn.’

Waarover gaat je boek?, vroegen haar vrienden. Over binnenshuis en buitenshuis, zei ze, ‘dat je binnenshuis altijd van binnen naar buiten moet kijken en niet omgekeerd, en dat er buitenshuis van elke werkelijkheid veel af te lezen valt’. De straat, zoals Breton ooit had gezegd, is misschien wel de enige plek om iets te beleven. De stad, zei Meskens over haar boek, zou het hoofdpersonage moeten zijn.

Een stad is ‘een alles overrompelende pulsering’, lees je in het eerste nummer van het nieuwe tijdschrift Citygraphy. Het wil, met een internationaal onderzoeksproject, notuleren en vastleggen hoe academici, essayisten en fotografen ‘moderne stedelijkheid’ in beelden omzetten. Een stad, heet het, is een concentratie van mensen, dingen, woorden, conflicten, gedachten, lusten, ‘van verkoop en vertrouwen, van cynisme en liefde, van het zichtbare en het onzichtbare’. Een stad wordt waarschijnlijk ‘vooral bepaald door het humeur van degene die ernaar kijkt’, mijmert Italo Calvino in De onzichtbare steden. Pelgrimeren, slaapwandelen, dolen, hossen of zwerven, het zijn zoveel verschillende manieren om te stappen.

Eindelijk buiten, klinkt het bij Meskens. ‘Laat me maar wandelen’, langs dwarsstraten en zijwegen, waar ‘filosofische kwesties komen aangewaaid’ vanuit straten, steegjes, markten en pleinen. Binnenshuis leest en schrijft ze, buitenshuis ligt haar stad, Mechelen, die zich het liefst middelgroot noemt ‘omdat groot een leugen zou zijn en klein zo onbeduidend klinkt’. Ze moet de straat op, haar blik verruimen, haar gehoor scherpen, naar buiten durven gaan. Ze is eerder een nuchter stadsmens, gelooft ze, maar ook een overtuigd structuralist. Meskens ontcijfert een stad, wikt en weegt; ze ‘deconstrueert’ de stedelijke collage van klassieke panden en strakke nieuwbouw, hitsige neonreclame en fonkelende uitstalramen. Ze houdt blijkbaar van shoppen, ze hekelt mopperaars die koopjesjagers gewoonlijk weglachen of voor gek verklaren. In Parijs winkelt ze in de roze-vichy-geruite Les Magasins Tati die een mix zijn van een shoppingcenter en een soek. Ze vraagt zich af of Immanuel Kant en Jean Baudrillard zelf wel eens boodschappen deden, of ze soms een winkelstraat in liepen, op zoek naar een warme wintertrui. Volgens haar verzuchtte Socrates in zijn tijd al bij het zien van de Atheense etalages dat de mensen van zijn stad wel erg veel nodig hadden. Nu ja, Xantippe deed de boodschappen, niet haar man. ‘Wij filosofen, intellectuelen, cultuurcritici’, scandeert de schrijfster, ‘moeten om te beginnen ons misschien ook eens oefenen in het schrijven over het koopjesgeluk’.

Na dat in ‘Eindelijk buiten’ opgehoeste filosofietje ben je als lezer al dik halfweg haar boek en snak je naar de buitenlucht. Want het is toch vooral de straat die de echte flaneur tot woning strekt, niet de shoppingmalls. De gezapige slenteraar kijkt, zoals het hoofdpersonage van Andriaan van Dis’ roman De wandelaar, om zich heen als in een weids panorama. Hij treuzelt voor de etalages van een oude prentenwinkel, maar gaat er nooit binnen; hij recht zijn rug voor de keurende ogen op het caféterras, ‘al zal geen mens zich herinneren dat hij voorbijliep’. Anders dan het winkelen ontstaat het flaneren vanzelf, het is een kunst en ook een nutteloze bezigheid. Het heeft eigenlijk niks te maken met het ‘zesmaandelijkse koopjesverlangen’ waarover een schijnbaar kooplustige Meskens in haar boek filosofeert.

Een winkelgalerij is eerder een eiland. ‘Net als bij een gevangenis raak je er gemakkelijker in dan uit’, merkt Eric de Kuyper op in Het teruggevonden kind, een boek waarin hij met Walter Benjamin, Marcel Proust en Roland Barthes thema’s verkent als ‘flaneren’, ‘slapen’ of ‘het oproepen van herinneringen aan de kindertijd’. Het vreselijke woord funshoppen is volgens hem helemaal geen variant voor het flaneren. Het flaneren dient in zijn ogen ook te worden onderscheiden van het wandelen. Het bestaat voornamelijk in dwalen, zonder dat het op zwerven gaat lijken. Het shoppen voor de lol mag ook niet worden verward met wat in het Engels windowshopping heet en wat de Fransen lèche vitrines noemen (letterlijk: het ‘likken’ aan de uitstalramen). Dat was zonder meer al een van de geliefde bezigheden van de 19de-eeuwse flaneurs. Zij keken, maar kochten niet altijd.

In zijn ‘wandelboek’, dat niet enkel ‘een flaneren met Proust’ is, maar ook een ‘flaneren in Proust’, gaat het niet alleen over het doelloos stappen, maar ook over dagdromen en over herinneringen. In de 18de-eeuwse filosoof, schrijver en notoir stapper Jean-Jacques Rousseau herkent hij de ware flaneur: de eenzame wandelaar die zich overgeeft aan dromerijen. Het is De Kuypers cruciale punt: naast de zuiver fysieke activiteit is de mentale activiteit – zeg maar: het dagdromen – die het flaneren vergezelt, van doorslaggevend belang, de rijkdom aan invallen van de solitaire slenteraar. Je doorkruist de stad zoals je in een boek bladert. Liggend onder een deken in zijn bed struinde Proust in zijn slaapkamer als het ware door zijn herinneringen. ‘Der richtige Spaziergänger ist wie ein Leser’, zegt Franz Hessel, de grote schrijver van de flaneerkunst en het stadsproza. Zo leest De Kuyper ook Proust. Je ontdekt, zegt hij, zoveel meer wanneer je van het lezen van A la recherche du temps perdu een flanerie maakt. Zo dwaalt hij ook door Brussel, Oostende of Parijs.

Die stad schiep het type van de flaneur. In zijn onvoltooide studie Das Passagenwerk verwondert Benjamin zich erover ‘dat het niet Rome was’, maar Parijs. Vooral Duitse schrijvers hebben mooi over hun flanerieën geschreven, auteurs als Benjamin of Hessel. Misschien voelden Franse schrijvers zich belemmerd door het voorbeeld van de dichter en ‘stadsschrijver’ Charles Baudelaire, al waren er ook uitzonderingen, zegt De Kuyper, hardnekkige stadswandelaars als Louis Aragon of Léon-Paul Fargue. Iedere stad heeft zijn eigen ritme en toon. Vooral in het Parijs van de grote boulevards en warenhuizen werd het flaneren verheven tot een exquise kunst, maar het werd ook een nachtmerrie. Niemand heeft dat beter onder woorden gebracht dan Benjamin in zijn ‘magnum opus’ over het 19de-eeuwse Parijs en in zijn geschriften over Baudelaire en het Tweede Keizerrijk. Flaneurs zoeken hun toevlucht in de menigte, de moderne stad gaat over in een fantasmagorie. Alles in de moderniteit, vond Baudelaire, dé grote Parijse flaneur, was er getekend door een soort noodlot ‘ooit weer oud en achterhaald te zijn’. Sinds zijn tijd is die drang naar nieuwigheden, gadgets, glamour en glitter alleen maar toegenomen. De stroom scharrelende shoppers is intussen een deprimerend defilé dat in een soort ‘religieuze roes’ is afgestemd op het snelle ritme van de stad.

Steeds meer schrijvers en filosofen zijn zich in het voetspoor van Baudelaire en Benjamin, zoals ook De Kuyper en Meskens, gaan verdiepen in het proza en de belevenissen van stadszwervers, bedaarde passanten en nerveuze kooplustigen. De stad die ze doorkruisen, is letterlijk het hoofdpersonage van hun boeken. Ze worden nu zelf toeristen in hun eigen stad. De dichter Thomas Clerc heeft het plan opgevat heel Parijs arrondissement na arrondissement nauwgezet in kaart te brengen in een naar zijn zeggen ‘rationele poëzie’. Hij koos het tiende arrondissement, waar hij woont, als onderwerp – of beter: hoofdpersonage – van zijn ‘Parijse museum’. Net als de voornoemde Léon-Paul Fargue, die dagelijks door zijn wijk liep, tussen het Gare du Nord en het Gare de l’Est, treedt hij op als de landmeter of de huisbewaarder van zijn ‘quartier’. Elk huisnummer wordt een regel, elke straat een boekhoudkundig verhaal, elk detail wordt bij hem monumentaal of net andersom. Zijn megalomane schrijversvoornemen doet denken aan een heel ander project van de geniale Georges Perec, die in zijn Tentative d’épuisement d’un lieu parisien een uitputtende beschrijving gaf van een plek op een koude ochtend bij de Tabac Saint-Sulpice. Vanaf het caféterras, bij een kop koffie, beschreef hij de route van de autobussen, de kleuren van de uithangborden, de klanten van de tabac, het leven van alledag op een ordinaire straathoek.

Al enkele jaren wordt dergelijk stadsproza gepubliceerd, zowel literaire als cultuurhistorische en filosofische boeken, van uiteenlopende schrijvers als Peter Ackroyd, Edmund White, Italo Calvino, Richard Sennet, Donald Olson, Ton Lemaire, Pierre Sansot, Andrew Hussey of Laurent Turcot (die onlangs een prachtig boekwerk publiceerde over ‘la promenade de civilité’ in het Frankrijk van de 18de eeuw, een uitputtende studie over zowel de boulevards als het schoeisel, over de schrijvende, kijkende, wandelende en verlichte filosofen en over de nachtelijke escapades van Rétif de La Bretonne). In Paris – The Secret History, dat dit jaar bij De Arbeiderspers in Nederlandse vertaling verscheen, noemt Hussey dat proza ‘mentale kaarten’ waaruit we ‘een glimp kunnen opvangen van datgene wat geschiedenis tot geschiedenis maakt’. Hussey, die zegt een zoon te zijn van een ‘uitzonderlijk flaneur’, ging op zoek naar het Parijs ‘achter het cliché van de ansichtkaart’, en ging dwalen door de stad. Alleen de wandelaar, zoals ook het hoofdpersonage uit Van Dis’ roman, komt in de straten en op markten in contact met de ‘gewone mensen’ en ontdekt de verborgen en pikante historie achter de gevels en de luiken.

Te voet gaan, voorspelde Louis Sébastien Mercier al ergens tussen 1781 en 1788 in zijn Tableau de Paris, ‘zal weldra als onfatsoenlijk gelden’. Alle geniale mensen gingen vroeger, ongeacht hun discipline, te voet. Het waren wandelaars. ‘Er is esprit te vinden in rijtuigen’, schreef hij, ‘maar het genie gaat te voet.’ In haar boek over haar ‘filosofische stadswandelingen’ parafraseert Meskens de filosoof Ludwig Wittgenstein. Taal was volgens hem opgebouwd als een oude stad, een wirwar van steegjes en pleintjes, oude en nieuwe huizen. Men kan er met plezier in rondwandelen. ‘Men raakt er soms de weg kwijt’, zegt Meskens, ‘men struikelt al eens over een steen.’ Plots vraagt men, zoals tal van schrijvers, zich af waar men eigenlijk naartoe wilde en wat men onderweg nog wilde zeggen. Misschien drijft dát de flaneur, van binnenshuis naar buitenshuis, de straat op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden