Het gemoed van Proust


Hoe Marcel Proust in een zonsondergang het beginpunt vond van zijn zoektocht naar een verloren tijd, leest Arjan Peters in twee nieuwe vertalingen.

Beeld Antonia Hrastar en Hilde Harshagen

Een zonsopgang kan imponeren, maar zal het altijd afleggen tegen de schoonheid van een zonsondergang. 'Een grootse gloed vol weemoed', zo benoemde de jonge Marcel Proust de bedoelde ontroering, 'die bij een wandeling tegen het einde van de dag niet minder golven in ons gemoed doet oplichten dan de ondergaande zon er op het zeeoppervlak doet schitteren.' Het prozagedicht waarin de Franse twintiger dit beschreef, heet 'Innerlijke zonsondergang', en het is met 29 andere korte stukken opgenomen in Regrets (1896) ofwel Treurnissen, zoals de eerste complete Nederlandse vertaling door Paul Claes en Chris van de Poel heet (Poëziecentrum Gent; € 17,50).

'Wanneer we onze ogen ten hemel slaan, kunnen we niet anders dan daar verrukt ontdekken hoe mysterieus onze gedachten zich spiegelen in de open ruimten tussen de wolken, die nog altijd bewogen zijn door het vaarwel van de zon.' Enigszins precieus oefent Proust zich, kunnen we achteraf zeggen, voor het grote werk dat hij vijftien jaar later zal aanvangen: de zeven delen en drieduizend pagina's die zijn geborgen onder de titel À la Recherche du Temps Perdu.

Daarom citeerde ik zijn vroege opmerkingen over de innerlijke zonsondergang. Want hoe begint die meesterlijke cyclus, waarvan in 1913 het eerste deel verschijnt als Du côté de chez Swann? Met een vergelijkbare situatie: het is avond, de verteller gaat vroeg naar bed, hij dommelt in, ergens tussen droom en waken. Tijd en plaats hebben geen scherpe contouren. Een jeugdherinnering, een vergelijking, in het tussengebied van de sluimer kan alles een beroep doen op de aandacht van de verteller.

De tijd begint te schuiven, zoals in het hoofd van de reiziger buiten die zich naar het station spoedt: 'en het weggetje dat hij volgt zal in zijn herinnering worden gegrift dankzij de opwinding waarin hij verkeert door nieuwe plaatsen, ongewone handelingen, het zojuist gevoerde gesprek en het afscheid onder de vreemde lamp, die hem nog vergezellen in de stilte van de nacht, en het zoete vooruitzicht van de thuiskomst.'

Zo klinkt deze passage uit het beginhoofdstuk Combray in de vertaling van Martin de Haan en Rokus Hofstede, die volgend jaar in boekvorm zal verschijnen. Een voorpublicatie staat in Tortuca (nr. 34; € 12,06). Misschien komt het doordat het fragment maar vijf pagina's is, dat ik beter dan ooit keek naar de werveling van vergelijkingen die Proust prompt opvoert. Pas tientallen pagina's later zal de beroemde scène komen met het in lindebloesemthee gedrenkte brokje madeleine, die de verteller terugvoert naar Combray en het huis van oudtante Léonie.

De verloren tijd komt uit een kopje thee tevoorschijn - zo kun je Proust in één zin samenvatten. Dacht ik altijd. Maar nu zie ik pas dat de verteller al veel eerder, ja welbeschouwd vanaf 'Innerlijke zonsondergang', in het laatste licht van de dag, een opening vond om zijn eigen gemoed en herinneringen te kunnen bekijken en daarna glanzend te bestendigen. Onbereikbaar voor de zwarte nacht. Op zoek naar de verloren tijd vond hij de eeuwigheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden