Het geluk van het weten

Afgelopen dinsdag viel het ideaal in de bus. Het kwam uit Londen. Het was aflevering 4957 van The Times Literary Supplement....

'Andrea del Verrocchio stierf in de zomer van 1488. Toen het nieuws - en spoedig daarop het stoffelijk overschot zelf - zijn geboortestad bereikte, moeten velen van zijn stadgenoten zich de levensgrote wassen herdenkingsbeelden hebben herinnerd die hij had gemaakt nadat Lorenzo de' Medici aan een moordaanslag was ontsnapt; ze hadden een nooit eerder vertoonde levensgetrouwheid; zij moeten ook gedacht hebben aan het engeltje op de klok van de Mercato Nuovo, dat zijn arm bewoog om het uur te slaan. Deze scheppingen, die geen spoor heben nagelaten, moeten magisch hebben geleken. Iedere Florentijn kende ze. Dat was ook het geval met een voorwerp dat nog altijd vanuit bijna alle hoeken van Florence en van verre is te zien, maar dat nu minder verwondering wekt dan toen het door Verrocchio werd gemaakt: de vergulde koperen bol op de lantaarn van de dom. Voor de mensen van Florence was deze beeldhouwer, die zichzelf goudsmid noemde, waarschijnlijk allereerst en vooral een uitvinder en ingenieur.'

Met de laatste woorden komt natuurlijk de leerling al even in beeld. Het artikel, dat prachtig rondloopt, is voorbeeldig en lijkt als elke superieure kritiek in wedijver met de auteur van het besproken boek geschreven. Er volgen haast twee even goede artikelen, over Lorenzo Lotto en Bernini; boeken over moderne kunst krijgen heel goede en vaak ideeënrijk geformuleerde aandacht. En er is een heel informatief stuk over de beroemde Phaidon-uitgaven en de directeur van Phaidon-Verlag, de grote Joodse uitgever Bela Horovitz (in 1938 van Wenen naar Londen ontkomen), die honderd jaar geleden werd geboren.

Als ik op pagina 15 kom - daar beginnen de recensies over boeken over architectuur - heb ik een schitterend uurtje achter me. Ik heb gelezen over boeken waarvan ik het bestaan niet wist en die ik bijna allemaal begeer te hebben. Ik heb artikelen gelezen die niet alleen vaak uitstekend zijn geformuleerd, maar ook van een grote gespecialiseerde kennis getuigen (die niet met het gewicht van het specialisme wordt gepresenteerd) en die bij de lezers ervan vrij veel veronderstellen. Maar het is nog altijd mooi boven je niveau te worden aangesproken; nog mooier is het als slapende kennis in je ineens wakker wordt. Artikelen van deze soort laten je ook het plezier van het weten en het te weten komen beleven. En toch: alle stukken zijn in de eerste plaats uitstekende boekbesprekingen, zij het soms met de lengte van een tijdschriftartikel.

Ik had ook de bevestiging gekregen van wat ik al meende te weten: de Engelsen zijn de beste citeerders in de journalistiek. Wat treft is dat de geciteerde auteurs bijna allen vrij bekend zijn. Je kunt bij Engelse lezers heel wat bekend veronderstellen en het aantal klassieke auteurs (uit wier werk de goede citeerder natuurlijk nog een onbekende uitspraak kent) is vrij groot. Citeren is ook een daad van lezersliefde: de auteur deelt uit van zijn belezenheid. De columnist van de TLS, P.J. Kavanagh, maakt het misschien deze week te bont, met een citaat in een citaat: 'Reizend in Engeland ontmoette W.H. Hudson - ''Hoe krijgt die man zijn effecten'', vroeg Joseph Conrad zich af, ''hij schrijft zoals gras groeit'' - wat hij noemde een ''vertegenwoordiger'', die zichzelf nederig omschreef als reiziger in kleine dingen.' Het is een wat ingewikkeld begin om iets over Buenos Aires te schrijven. Maar dat levert dan toch de zin op: 'Het is een stad die verrast door in het geheel niet te verrassen.'

Maar wat waarschijnlijk als het topstuk van de week is beschouwd, staat in het hart van het blad: tweeëneenhalve pagina over de uitgave van de ongepubliceerd gebleven gedichten die T.S. Eliot tussen 1909 en 1917 schreef. De bespreking ervan wordt gecombineerd met die van de heruitgave van de essaybundel The Sacred Wood. Het boeiende, maar ook wat vermoeiende is dat elke Engelse criticus, over Eliot schrijvend (maar diens naam kan door die van een andere grootheid worden vervangen) opnieuw lijkt te willen beginnen. En dat betekent ook dat karakteristieken van de dichter door anderen worden geciteerd. Wie over Eliot schrijft, wil een Eliot-kenner lijken. De dichter Stephen Romer is het in elk geval. De uitgave bespreekt hij zeer kritisch, de lezer moet echter zeer veel weten om het allemaal goed te kunnen volgen. Maar in Engeland schrikken ze kennelijk voor moeilijkheid niet terug. En dat is een zegen voor een boekenblad als de TLS, waarin vaak, gelukkig, een boekbespreking een volledig essay wordt en een culturele ruimte rond het besproken werk creëert.

Dit kwam allemaal uit de bus. Zomaar op een dinsdag. Ik kwam tot bezinning en besloot mijn leven te beteren, want wie zich na dat alles geen zondaar voelt, is onverbeterlijk. Voor het volgende nummer, het paasnummer, wordt een beschouwing aangekondigd over decadentie en katholicisme. En een artikel over Erasmus en het gelach, door Anthony Grafton, over wiens boek over de voetnoot ik afgelopen maandag schreef. De republiek der letteren is klein. Ik zou er best in willen wonen. Ideaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden