HET GELUID VAN BARCELONA

De wijk El Raval in Barcelona is de bakermat van de música mestiza, de mengmuziek. Zanger Macaco, die er bekend mee werd, heeft al een beetje genoeg van de term....

Carrer Escudillers nummer 6, zegt zanger Dani Carbonell, in hartje Barcelona – dat was pakweg tien jaar geleden het adres waar het allemaal begon. ‘Op de eerste verdieping zaten prostituees, op de tweede verdieping zaten wij, muzikanten, krakers. En op de bovenste verdieping woonden maghrebi’s: dieven die zich, als ze iemand beroofd hadden, verscholen in ‘‘De Grot van Alibaba en de Veertig Boeven’’, zoals wij de parkeergarage op de begane grond noemden.’

Tegenwoordig ligt het voormalige huis van Carbonell alias Macaco in de smalle steeg achter het Plaça Reial er vredig bij. De voortdurende schoonmaak- en opknapwoede van de stad heeft ook hier zichtbaar rond geraasd: het enige dat nog wijst op ‘de grot’ is een keurig blauw bord met witte P aan de strakgeverfde gevel. En niets laat zien dat dit de muzikale bron is van twee heel grote Spaanse acts: Macaco en de flamenco-fusionband Ojos de Brujo.

Macaco somt op: Juanlu El Canijo (geboren Barcelonees) woonde er, de oprichter van Ojos de Brujo en inmiddels bandleider van het succesvolle Calima. Percussionist El Muñeco (Cuba), nu bekend met zijn band La Troba Kung Fu. Geluidstechnicus Carlos Jaramillo (Colombia), die alle cd’s van Macaco en Ojos de Brujo produceerde. Zanger Kiko Claus (Brazilië), drummer Danilo (Mexico). En ook Luc, de Franse pizzakoerier op skates.

Gezeten achter een bord groentencurry met meelpannenkoeken en een Indiaas Cobra-biertje bij een van de vele Indiërs in het centrum van Barcelona, schetst Macaco (33) de geschiedenis. ‘We woonden hier met een stuk of tien, vijftien muzikanten. Het was een continue inloop van vrienden, en vrienden van vrienden. Uit alle hoeken van de wereld. Niemand had geld. Het enige wat we deden was de hele dag muziek maken. Alles ontstond spontaan. Aan de achterkant van ons huis had je de universiteit Pompeu i Fabra. Heel vaak deden we gewoon het raam open, en speelden voor de studenten op het plein. Ulises, een vj die ook bij ons woonde, projecteerde dan visuals op het gebouw ertegenover. Het was een magische tijd.’

Macaco – krulletjes vanonder een Che Guevara-achtige hoofdband, ringbaardje, armbrede tatoeage – is een kruising tussen een romantische troubadour, een robuuste zeeman en een rondreizende zigeuner. Zijn naam – letterlijk aap – stamt uit diezelfde tijd, toen hij nog veel zomaar op straat optrad. ‘Voor het spelen deden we altijd een soort performance om de aandacht van de mensen te trekken, door als apen achter elkaar aan te rennen.’

Macaco is een van de belangrijkste voortbrengers van ‘het geluid van Barcelona’, of meer in het bijzonder van het geluid van de wijk El Raval, dat internationaal bekend is geworden onder de naam música mestiza (‘mengmuziek’).

‘Amazonas?’, vraagt een stem in de intro van zijn nummer Todos (Iedereen). ‘Presente’, luidt het antwoord. Lloret? Ook ‘presente’. La Habana, Barcelona, Caracas, Mutare, Yaoundé? Allemaal zijn ze present. Nummers gezongen en gerapt in het Spaans, Catalaans, Braziliaans, Frans, Engels of Arabisch – het is typerend voor deze global fusion die in tegenstelling tot traditionele wereldmuziek niet uitgaat van een land, een stijl en een taal, maar alles vrijelijk door elkaar gooit. Flamenco met berber, met reggae, rumba, hiphop, funk en elektronische muziek – dat is in een notendop wat mestizaje (het mixen) is.

Meest bekende afstammeling van de música mestiza is internationaal nog altijd Manu Chao, hoewel Macaco er graag op wijst dat hij bij lange na niet de eerste was. ‘Hij kwam vaak langs op Escudillers 6, maar wij waren al bezig voordat hij naar Barcelona kwam.’

Feit is dat de Raval omstreeks het succes van de cd Clandestino in 1998 meer dan voorheen een vaste bestemming werd voor muzikanten uit Latijns-Amerika, Noord- en West-Afrika en Zuid-Europa. Ontelbaar veel acts, bands en bandjes zagen er sindsdien het licht. Go Lem System, Muchachito, Barnabasstars, 08001 (vernoemd naar de postcode van het centrum van Barcelona), Radio Malanga, Cheb Balowski – de een alleen bekend binnen de Barcelonese muziekscene, de ander met faam tot over de grens. Verzamelcd’s als Barcelona Raval Sessions zetten de wijk ten zuiden van de Ramblas definitief op de kaart.

Inmiddels is het oude barrio chino dat vijftien jaar geleden nog een no go area was – want bouwvallig, vies, vol junkies en zakkenrollers – hip en happening. Stegen en pleinen zijn opgeknapt. Nieuwe terrasjes, winkels en restaurants hebben Barcelonese yuppen en toeristen naar de buurt getrokken. Met de oude Catalaanse bevolking, die haar dagelijkse boodschappen doet op de Boquería en ouderwetse winkels runt waar de tijd lijkt stil te staan, en met de talloze Pakistanen, Indiërs en Noord-Afrikanen die op elke hoek een winkeltje runnen, is de multiculturele mix compleet.

In de smalle zijstraatjes van de Ramblas – Carrer del Bon Succès en Carrer Tallers – struikel je over de kleine en grote muziekwinkels: Revolver, Etnomusic, Castelló, SciFi. En overal die speciale bakken: música mestiza, rock mestizo of music of Barcelona. Concerten worden gegeven in clubs als Tres Chimineos en Apolo. Desondanks begint Macaco zelf steeds meer moeite te krijgen met de term música mestiza. ‘Het is een etiket dat iemand ooit heeft bedacht. Inmiddels is de werkelijkheid sterk veranderd. Het is allemaal veel meer gecontroleerd en georganiseerd.’

Spontane jamsessies zoals vroeger, toen je Manu Chao tegen het lijf kon lopen in een of ander café of muziekzaaltje, komen niet meer voor. ‘Het wordt de migranten heel moeilijk gemaakt. De huren zijn zo gestegen dat ze niet meer te betalen zijn. Allerlei plekken in de stad waar voorheen werd gejamd, in huizen, garages, zijn gesloten. Vroeger traden we vaak spontaan op op de Ramblas, of op het Plaça Catalunya. Dat waren enorme concerten, allemaal mondreclame. Dat mag niet meer van de politie.’

Het begrip mestizaje wordt als formule uitgebuit, vindt hij. Vergelijkbaar met de hype rond de oudemannenmuziek in Cuba. ‘Heel veel mensen hebben geprobeerd ons te kopiëren. Zo van: we mixen een latin tumbao en een Catalaanse ventilador (vlaag van noten op de gitaar) en dan heb je een mestizaje. Maar daarmee heb je nog geen goed nummer.’

Weg van de formule, niet mengen om te mengen maar terug naar de basis, naar de eenvoud – dat is waar hijzelf met zijn laatste album Ingravitto mee bezig is geweest. Dat neemt niet weg dat hij net als op voorgaande albums met veel verschillende artiesten heeft samengewerkt, zoals zangeres La Mari van de succesvolle neo-flamenco formatie Chambao, de eveneens uit Barcelona afkomstige Muchachito en zijn oude huisgenoot Juanlu El Canijo.

Ingravitto is het vierde album na Entre raíces y antenas (2004), Rumbo submarino (2002) en El mono en el ojo del tigre (1999), waarmee Macaco de wereld afreist. Een circusbestaan, noemt hij hij het: drie concerten per week, veel vliegtuigen, veel wachten, weinig slapen. Hij ging al naar Japan, Taiwan, Mexico en Brazilië, en dit jaar komt zijn droom uit: spelen in Afrika. Zijn eerste concert in Angola is voor dit najaar geboekt. Aanstaande vrijdag doet hij Lowlands aan, maar vandaag speelt hij – reisgitaar op de rug – thuis, in Roses, een badplaats aan de Costa Brava op twee uur rijden van Barcelona.

In de smalle strook schaduw van de voormalige fabriek waar de instrumentenopslag is, verzamelt de band zich met veel omhelzingen, high fives en vuistjes: percussionist Oscar (Madrid), bassist, producer Jules Bikôkô, (Kameroen), toetsenist Fernando Tejero (Buenos Aires), rapper Paul de Swart (Zimbabwe), drummer Didac (Barcelona), dj Eloy en vj Ivan.

Het is elf uur ’s ochtends – de eerste joint gaat rond, behalve langs Macaco zelf, die neemt de hele reis water en kruidensnoepjes. Voor zijn stem. Gisteren is een deel van de band teruggekomen uit Cádiz. ‘We hadden er aan het begin van de week een concert. We hebben elke avond bij dezelfde strandtent zitten jammen met Los Delinquentes, een groep uit Jerez. Die hadden gehoord dat we in het zuiden waren. Elke avond zat het strand vol.’

Dat eindeloze improviseren, die frisheid – het deed hem sterk denken aan het begin in Escudillers. ‘Ik heb weleens serieus overwogen of ik niet altijd op die manier wilde muziek maken: geen cd’s opnemen, geen tournees, geen interviews, nergens op een bepaalde tijd ergens hoeven te zijn, geen verantwoordelijkheid voor een hele band, gewoon voor de lol.’ Uiteindelijk luisterde hij naar de mensen om hem heen.

Zijn laatste twee albums nam hij op in zijn eigen studio El Murmullo in Barcelona.

De Catalaanse rumba, én Bob Marley, dat zijn nog steeds zijn grootste inspiratiebronnen. ‘De basis van mijn muziek is que camine.’ Het moet lopen, draaien, stuwen en snorren als een locomotief. ‘Ritme is alles. Wat de groove is voor funk, of la cosinha zoals bij Braziliaanse samba, en el soniquete bij flamenco, dat is de camine voor de rumba.’

Zelf speelt hij piano, percussie en gitaar. ‘Goed genoeg om te kunne componeren.’ Ook schrijft hij alle teksten. Vaak een soort korte sprookjes – spiritueel, filosofisch, poëtisch – over de natuur, over de aarde, het heelal en de nietigheid van de mens, over gelijkheid van mensen, over communicatie, over de kracht van een optimistische levenshouding. Vaste thema’s die mensen bewust moeten maken, dat kenmerkt ook música mestiza in het algemeen.

‘Ik heb gezongen in Palestina en Chiapas. En ja, ik zeg na een concert op het strand wel tegen de mensen dat ze hun spullen moeten opruimen. Maar dat is geen boodschap. Zo zit ik gewoon in elkaar. Ik wil helemaal niet pamflettistisch zijn. Niet zingen van ‘Libertad! Libertad!’, maar meer subtiel. De kracht zit hem in de kleine dingen. Ik zing over alles wat me bezig houdt. Maar mensen stoppen me graag in een hokje.’

La buena onda zo vat Macaco de ‘Macaco-spirit’ samen: de juiste flow. ‘De kracht van de gedachte, het geloof in verandering van jezelf en van anderen – dat is het belangrijkst.’ Hij laat zijn tatoeage zien. Bovenaan een labyrint dat overloopt in een weg, die uitkomt bij het deel dat nog gezet moet worden, als de tijd daar is: een aap.

Dan is de bus op de plek van bestemming: een prachtig open veld omgeven door oude ruïnes tegen het decor van de Pyreneeën. Dat belooft een mooie avond. Het enige probleem is vooralsnog de tramontana, de in deze streek beruchte wind die onophoudelijk uit de richting van de bergen raast. De hele middag wordt er rondgehangen op het strand en in het Hotel Marítim, totdat de burgemeester van Roses om acht uur de knoop doorhakt: het concert gaat niet door, te gevaarlijk.

Macaco baalt. Op het terras van het hotel pakt hij zijn gitaar en begint te zingen Con la mano levantá, begeleid door de tikkende vingers van de percussionist op tafel. Twee meisjes, die speciaal voor het concert uit Barcelona zijn gekomen, komen schoorvoetend dichterbij. Ze hebben geen hotel en er is geen goede verbinding terug. ‘Kom zitten. Maak je geen zorgen. Jullie kunnen met ons mee terug in de bus.’ Helaas komt aan het privé-concert al na vier nummers een einde. Achter Macaco maakt een man op leeftijd zich op voor het dagelijkse entertainment. Niet de wind maar hele bigbands uit een keyboard leggen Macaco het zwijgen op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden