Het geheim van de eeuwige jeugd

KLASSIEK is oud, vertaald uit het Grieks of het Latijn, onleesbaar en zwaar op de hand. Men kan zich voorstellen dat er zo, in brede kring, over het thema van de Boekenweek werd gedacht, maar of daar na tien dagen van 'collectieve propaganda' voor onze antieke erfenis verandering in is...

Dat klassiek oud is, mag misschien als een feit worden geaccepteerd (hoewel men ook wel spreekt van 'moderne klassieken' en 'oud' een tamelijk rekbaar begrip is). Er wordt, in dit geval, mee bedoeld: de tijd van de Griekse en Romeinse beschaving vóór en kort na het begin van onze jaartelling. Zijn de boeken, die uit deze tijd behouden zijn gebleven, 'onleesbaar'? Vermoedelijk alleen voor degenen die sowieso wat schichtig worden bij de aanblik van een boek, want er zijn de afgelopen tien dagen voldoende gidsen opgedoken, die ons zo overtuigend de aantrekkelijkheid van De gouden ezel van Apuleius, Satyricon van Petronius, de Ilias en de Odyssee van Homeros of de onvergankelijke Griekse tragedies hebben laten zien, dat je wel een hart van steen moet hebben om deze meesterwerken buiten de deur te houden.

En zwaar op de hand?

Soms wel, soms niet. Je kunt het ook anders zeggen: geen lichtheid zonder zwaarte, een stelling die overigens niet alleen opgaat voor de oude Griekse en Romeinse beschaving, maar voor elke cultuur, die zich een markante plaats in de geschiedenis verovert.

Dat laatste kan ons wijzen op de beperking die het Boekenweek-thema inhield, ondanks pogingen van sommige uitgevers om de aandacht te vestigen op ándere klassieken dan de Griekse of Latijnse.

Die zijn er in ruime mate, maar ze zijn minder met onze cultuur verweven. Ik bedoel teksten uit het oude China - de bloemlezing van klassieke Chinese poëzie, die een aantal jaren geleden het licht zag -, uit het oude Arabië - de Vertellingen van duizend-en-één-nacht - een boek als Die Erfindung der Poesie van Raoul Schrott, dat net als Helden en goden van Sumer een prachtig beeld geeft van de indrukwekkende dichtkunst in het oude Mesopotamië, het Gilgamesj epos, waarvan vorig jaar een nieuwe vertaling verscheen van de hand van Andrew George, en boeken uit het oude (middeleeuwse) Japan.

Oud, zeer oud zelfs zijn deze teksten zeker, maar onleesbaar of zwaar op de hand? De door Schrott verzamelde poëzie, die het verst terug gaat in de tijd, schittert minstens zo uitbundig als het goud van Troje, waarvan de glans ons nog steeds met de ogen doet knipperen.

Zou het met de poëzie te maken hebben?

Ligt in het poëtische soms het geheim van de eeuwige jeugd besloten?

Die vraag is zo gek nog niet voor wie dezer dagen het fraaie boek Avondgezichten tussen de Griekse en Latijnse klassieken vond en ging lezen.

Het is proza, onmiskenbaar, maar dan proza vol sprankelende verzen en door en door poëtisch. Maar laat ik, voordat ik daar iets meer over probeer te zeggen, eerst uitleggen wat Avondgezichten is.

Het is een simpel, en al vaak verteld verhaal: rond het jaar duizend leefde er in Japan, in de hoofdstad Heian-kyo, aan het keizerlijke hof een dame, die schreef. Er waren toen wel meer dames, die schreven - het schrijven was zelfs bij uitstek een bezigheid voor vrouwen -, maar deze dame, Murasaki Shikibu, schreef op een manier, die ons (westerlingen) na duizend jaar nog steeds recht in het hart treft.

Zij schreef over de amoureuze avonturen van een prins, prins Genji, die in de loop van de eeuwen zo klassiek zijn geworden, dat er in de hele wereld vertalingen van verschenen. In Nederland hebben we niet iemand die zoiets kan, zodat wij het met edities in de moderne talen moeten stellen, of met de keuze uit de verhalen, die de dichter H.C. ten Berge met als titel Avondgezichten heeft gemaakt. Hij zorgde zelf voor de vertaling, niet uit het Japans - wie dat wil moet een kenner van het Oud-japans zijn en voor het volledige werk minstens tien jaar uittrekken -, maar uit het Engels, met steun van een Duitse vertaling.

Ten Berge heeft aan zijn editie een nawoord toegevoegd, waarin hij onder meer het volgende over deze verhalen te berde brengt: 'Bijna alle aspecten van menselijke verhoudingen, die van de liefde in het bijzonder, komen door het hele boek heen aan bod. Murasaki Shikibu's intuïtieve inzichten met betrekking tot de psychische gesteldheid van haar personages doen ons soms vergeten dat zij haar werk niet honderd, maar al duizend jaar geleden heeft geschreven. We krijgen te maken met huwelijk en jaloezie, overspel en bedrog, incestueuze tendenties, afwijzing en half versluierde verkrachtingen; voorts met onvervulde of geknakte liefdes, vriendschap en afstandelijkheid, een zelfmoordpoging uit wanhoop (. . .), haat en afkeer (. . .), en zelfs een vleugje homo-erotiek. Freud zou er wel raad mee geweten hebben.'

Het is allemaal waar, wat daar staat, maar het haalt het niet bij wat Murasaki zèlf (in de vertaling van Ten Berge) te vertellen heeft. Daarbij valt op dat in deze verhalen over prins Genji vooral het onnoemelijk rijke scala aan gevoelens dat de menselijke omgang nu eenmaal altijd begeleidt, wordt verwoord. In zijn mooie boek Een geschiedenis van het lezen geeft Alberto Manguel daarvoor als verklaring dat vrouwen als Murasaki (maar ook Sei Shonagon, schrijfster van Het hoofdkussenboek, fraai geparodieerd door de Schotse dichteres Alison Fell in De kussenjongen van hofdame Onogoro) zich nergens mee mochten bemoeien, dat wil zeggen niet met politiek, oorlog of andere 'mannelijke' aangelegenheden. In de besloten wereld van het hof werden dangerous liaisons, gevaarlijke betrekkingen, hun terrein, maar dan nog: zoals Murasaki hiervan de heel verschillende, gevoelige en spannende kanten laat zien, dat is niet zo maar het werk van een uiterst scherpzinnige waarnemer. Dat is het werk van een uitzonderlijk begaafd schrijfster - dat hóór je, in elke zin, zelfs als hier sprake is van een vertaling via het Engels.

Wat je vooral óók hoort, is de poëzie in dit proza. Dat is naast de 'overgevoeligheid' die de personages in deze verhalen aan de dag leggen, een tweede kenmerk, dat opvalt. Er is letterlijk sprake van poëzie - met regels als 'In uw haast zich in de ochtendmist te storten/ Schijnt u geen hart te hebben voor de bloesems hier' of: 'Ik tors de last van het verleden/ En betwijfel of geloften voor de toekomst zinvol zijn'. Zo converseren, soms, de mannen en vrouwen (en eenmaal zelfs een kind) in deze verhalen, wat vreemd mag lijken, maar het is niet vreemder dan het zingen van triviale mededelingen in onze opera.

Het went snel, sterker: het boeit, omdat zo, op een heel afwijkende manier vorm wordt gegeven aan gebeurtenissen, die op zichzelf misschien niet alledaags zijn, maar bepaald ook niet wereldschokkend. Daarvan moeten deze verhalen het ook niet hebben. Ze moeten het hebben van de subtiliteit, waarmee Murasaki Genji's avonturen laat meedrijven op een emotionele onderstroom (die misschien van alle tijden is). Dat bewerkstelligt dat we ons op een merkwaardige manier thuis voelen in deze vreemde wereld, gestoffeerd met parfums, geurige gewaden, tuinen, bloemen en mouwen waaraan de dauw zich parelend of droefgeestig hecht.

Ja, het wordt meestal heel bloemrijk gezegd, en ik wil niet verhelen dat vooral de esthetisering van de natuur veel bijdraagt aan de charme van de verhalen, maar daarin schuilt niet hun ware kracht, die zit 'm in het poëtische van de taal zelf. Het is onbegrijpelijk dat dit door alle filters van de tijd en van de taal zo helder door blijft klinken.

Ten Berge wijst op een overeenkomst tussen 'onze' (westerse) Casanova en prins Genji, de stralende, maar die overeenkomst gaat alleen op voor zover ze allebei voortdurend met overgave de liefde lijken te bedrijven. Genji kent daarin nauwelijks beperkingen. Hij schroomt zelfs niet een klein meisje (eveneens Murasaki geheten) mee naar zijn vorstelijke onderkomen te nemen, omdat hij weet dat zij eenmaal een bloeiende schoonheid zal zijn. Nee, er gebeurt niets onkies of onkuis. 'Hij was verrukt van haar. Een slimme en oplettende vrouw kan allerlei moeilijkheden scheppen. Een man moet altijd op zijn hoede zijn, omdat de jaloezie de meest onwelkome gevolgen kan hebben. Murasaki daarentegen was zijn volmaakte speelmakker en gezellin. Hij had zich niet zo vrij en ongeremd kunnen gedragen met een eigen dochter; er zijn strakke grenzen aan wat vaders mogen. Ja, hij had iemand gevonden die heel kostbaar en bijzonder was.'

'Heel kostbaar en bijzonder' - dat zijn de sleutelwoorden in deze oude Japanse verhalen, opgeschreven door iemand van wie we weinig weten, voortgekomen uit een hofcultuur, die - voordat ze in de twaalfde eeuw verviel - bloeide als de vruchtbomen in het Japanse voorjaar, en tot op zekere hoogte onsterfelijk, omdat het cherchez la femme van de schone prins niet resulteert in zo maar een losse verzameling elegante avonturen, maar leidt tot een voortgaand verhaal, waarin het schoonheidsbesef zich in steeds wisselende vorm manifesteert. Het zet zich af, of hoort zich af te zetten op al het zintuiglijke dat de mens omringt, wat niet wil zeggen dat die niet vol lelijke streken zit (wat Genji ervaart als er ten paleize een machtswisseling plaatsvindt en hij naar een verlaten kustgebied wordt verbannen).

Genji Monogatari, zoals het boek in het Japans heet, is een wonder van kunst. De selectie die H.C. ten Berge eruit maakte, kan Nederlandse lezers daarvan het bewijs leveren. Jammer dat je voor de volledige versie het Japans machtig moet zijn, hoewel het Engels (er is een nieuwe editie op komst), het Frans of het Duits uitkomst kunnen bieden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden