ColumnTom Hofland

Het gaf me troost te merken dat ze honderd jaar geleden net zo moeilijk deden over de liefde als nu

Beeld Aisha Zeijpveld

Schrijver Tom Hofland las vijf zomers geleden een boek van Stefan Zweig uit 1939. Het boek leverde hem een belangrijk inzicht op. 

In de zomer van 2015 was ik 24 en mijn relatie was, na kort samenwonen, uiteen geklapt. Ik woonde daarom tijdelijk in de logeerkamer van mijn zusje.

In mijn vrije tijd deed ik wat elke verdrietige twintiger met een goed gevoel voor dramatiek doet: wandelen in de natuur met een boek onder mijn arm. In mijn geval: Ongeduld van Stefan Zweig.

Ongeduld speelt zich af in 1913 en gaat over de 25-jarige soldaat Toni Hofmiller die uitgenodigd wordt op een chic feest. Nog nooit heeft hij zoveel pracht en praal gezien. Warm van de wijn vraagt hij de dochter van de gastheer ten dans. Maar hij ziet in zijn enthousiasme iets pijnlijks over het hoofd: het meisje is verlamd.

Gegeneerd gaat hij naar huis, maar hij komt vervolgens uit schuldgevoel en medelijden elke dag bij haar op bezoek. Hij denkt haar hiermee een plezier te doen en zijn eigen reputatie te redden. Maar wanneer ze verliefd wordt op hem door al zijn aandacht, is duidelijk dat Toni zichzelf steeds dieper in de nesten werkt.

Ik had op dat moment geen beter boek kunnen lezen. Ik, Tom Hofland, was bijna 25 en worstelde met de liefde. Hij, Toni Hofmiller, was 25 en had op dat gebied zowaar nog grotere problemen dan ik.

Nee, de samenleving waarin hij leefde leek totaal niet meer op de mijne. Gokken in theehuizen met een sabel aan je riem was, ook in 2015, helaas niet meer salonfähig.

Maar hoe anders de samenleving destijds ook was, het gaf me zoveel troost te merken dat ze honderd jaar geleden net zo moeilijk deden over de liefde als nu. Zweig schreef het allemaal zo invoelend en herkenbaar op dat ik, met honderd jaar tussen ons in, geen verschil zag tussen mijn binnenwereld en die van Toni.

De scène in Ongeduld die me de meeste troost gaf, was er niet eens een tussen twee geliefden. Het is er een waar Toni in de wachtkamer van de huisarts zit.

‘Goed, ik wacht. Het wordt dat typische nerveuze wachten in de wachtkamer van een arts, waarbij je zonder echt te willen lezen, steeds weer in de versleten en allang verouderde tijdschriften bladert om de eigen onrust met een schijn van bezigheid te bedriegen. Waarbij je telkens weer opstaat, steeds weer gaat zitten, en steeds weer naar de klok kijkt.’

Als er honderd jaar geleden al vieze oude Libelles bij de huisarts lagen, dacht ik, dan liggen die er over honderd jaar nog. En als we honderd jaar geleden niet wisten hoe we met liefde om moesten gaan, dan weten we dat over honderd jaar waarschijnlijk nog steeds niet.

Voor sommigen zal dit een verontrustend idee zijn. Mij gaf dit inzicht destijds een enorme rust. Ineens voelde ik me verbonden met alle mensen die ooit liefdesverdriet hadden gehad, van de steentijd tot het heden. Weten dat mijn voorouders dezelfde innerlijke worstelingen doormaakten als ik, gaf me het gevoel misschien niet gelukkig, maar wel met volle overtuiging mens te zijn. En dat was voor mij, in de zomer van 2015, even genoeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden