Het eindeloze sprookje van God en zijn heiligen

Kunst hoeft zich niet aan regels te houden, maar dient ze juist ter discussie te stellen. Geldt dat ook voor de universele wetten?...

Wat één opmerking niet kan veroorzaken.Eeuwenlang werd de westerse beeldende kunst gedomineerd door één onderwerp: de bewondering voor de christelijke religie. Vanaf het begin van onze jaartelling tot ver in de 19de eeuw duizelt de beeldgeschiedenis van de heiligen, engelen, apostelen, Maria’s, Jozefs, kinderkes Jezus, en God himself; afgebeeld in theatrale ensceneringen als kruisigingen, onbevlekte ontvangenissen, laatste avondmalen of het magistrale laatste oordeel. Het christendom moest worden uitgedragen in al zijn verschrikkingen en grootsheid, met een Balkenende-achtige vastberadenheid, in afwachting van de jongste dag, waarop de finale afrekening zou komen.

Negentien eeuwen lang werd de iconografie bepaald door christelijke dogma’s en regieaanwijzingen. Van de anonieme, vroegchristelijke ambachtsman tot Giotto, van Michelangelo tot Velásquez: geen kunstenaar die zich aan het onderwerp kon onttrekken.

Tot halverwege de 19de eeuw en Gustave Courbet. De Franse realist die, op de vraag waarom hij geen engelen schilderde, antwoordde: ‘Toon mij een engel en ik zal er een schilderen’. Mede dankzij Courbet verdween het heilige ontzag voor religie uit de Europese beeldcultuur. En daarmee het sprookje. (Later zou Friedrich Nietzsche het genadeschot geven met zijn ‘God is dood. En wij hebben hem gedood!’). Ontzag en optimisme maakten plaats voor nuchterheid, relativering en opstandigheid.

Er zijn sindsdien weinig heiligen, engelen, Maria’s en Christussen in de beeldende kunst gesignaleerd. Sterker: werden ze nog afgebeeld, dan veelal in ironische, sarcastische, spottende gedaanten. Op een manier die alle (vermeende) blasfemie tegenover de profeet Mohammed in de Deense cartoons laat verbleken. God zelf bleef buiten schot (wat zou je een oude man met een lange baard ook aandoen?) – niet zijn stoffelijke representanten op aard.

Zo meende de Amerikaanse kunstenaar Andres Serrano een kruisbeeld te moeten onderdompelen in een fles vol donkergele urine (titel Piss Christ). De Britse Sarah Lucas timmerde een kruisiging van sigarettenpeuken tegen de muur. De Italiaan Maurizio Cattalan maakte, in de beste traditie van Madame Tussaud, een wassen beeld van Paus Paulus Johannes II die geveld door een meteoriet ter aarde is gestort, te midden van de glasscherven uit het plafond. De presentatie kostte in Polen een directrice haar baan, en leidde in het Poolse parlement tot debatten.

Al met al zijn het beelden waarmee je moet oppassen: voor je het weet vallen er doden. De scheidslijn tussen kunst en heiligschennis is broos. In New York moest voor het schilderij van een negroïde Madonna, beplakt met seksfoto’s en rustend op olifantendrollen, een veiligheidskoord worden gespannen, nadat een 72-jarige man het doek met verf had besmeurd.

Niet iedereen ziet artistieke ‘blasfemie’ als een poging fundamentalistische leerstellingen te relativeren. Het aardige is wel dat de kunstwereld in deze kwesties zelfregulerend is. De beeldcultuur is niet overgenomen door ongelovigen en atheïsten. Er is zelfs een tegenbeweging te bespeuren, zoals Mel Gibsons The passion of the Christ heeft uitgewezen, of de schilderkunst van de Tilburgse school.

Rutger Pontzen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden