Boekrecensie

Het einde van het lied is een krachtig drieluik over sterven en verlies ★★★★☆

In de ambitieuze roman Het einde van het lied buigt Willem du Gardijn zich over de vraag hoe we de afstand tot de dood kunnen overbruggen. Met een belangrijke rol voor keizer Hadrianus.

Emilia Menkveld

De keizer heeft nog slechts te sterven, schrijft Marguerite Yourcenar in een van de notities bij haar beroemde Mémoires d’Hadrien (1951). ‘L’empereur n’a plus qu’à mourir.’ In haar gefingeerde autobiografie van de Romeinse keizer Hadrianus beschrijft ze zijn doodsstrijd tot ‘de laatste slok water, de laatste crisis, het laatste beeld’, zoals J.A. Sandfort vertaalt. Maar de dood zelf, die beschrijft Yourcenar niet. Net zomin als de tocht van zijn villa in Tibur, bij het huidige Tivoli, naar Baiae in Campanië, waar de keizer in het jaar 138 bezweek.

In zijn ambitieuze roman Het einde van het lied gaat Willem du Gardijn (1964) verder waar Yourcenar stopte. In wijdvertakte volzinnen laat hij Hadrianus zijn leven overdenken, het gemis van zijn dierbaren en de aanvaarding van zijn lot. De reis vanuit Tibur is tot in detail beschreven: de route over de Via Latina en de Via Appia, de nederzettingen en de mensen langs de weg. ‘Met oplopend gekraak en getrappel kwam de stoet op gang, traag zoals je een eerste zin kon schrijven van een brief waar je tegenop zag, woord voor woord, meter voor meter, over het papier, over het steen, tot je zag dat er iets gebeurde, dat je zinnen schreef, dat je meters had afgelegd.’

Wanhoop en aanvaarding

Du Gardijn is niet alleen ambitieus in zijn poging Yourcenars werk af te maken. Het einde van het lied is een drieluik, waarvan de passages over Hadrianus het geslaagde slotakkoord vormen. Het verschil met ‘Lied I’ kan bijna niet groter zijn. Jachtige zinnetjes, snippers informatie: een ongelukkige vrouw, een huwelijkscrisis, hier en daar een dagboekaantekening: ‘Ik ben onvruchtbaar. Ik ben schriel, schraal, dor, dat is het ergste.’

Het perspectief is dat van Aimée, een muziektherapeut uit Amsterdam-Zuid die met haar pianostemmer in bed is beland, een goede vriend nog wel. Haar man Adriaan, leraar klassieke talen, is vol begrip. ‘Aimée, je weet dat ik er voor je ben, ondanks alles, ik ben er kapot van. Vertel me, hoe gaat het?’ Hij wil samen verder, misschien zelfs samen naar Italië voor zijn onderzoek naar keizer Hadrianus, een oude wens. Aimée hoort het wel, maar ze kan niet, wil niet. De duisternis lokt, alle verzet blijkt vergeefs. Na vijftig pagina’s komt het einde als een schok, toch nog.

Hoe valt de wanhoop van Aimée te rijmen met de kalme aanvaarding van keizer Hadrianus? Hoe passen deze twee levens, deze twee stemmen en stijlen in één roman? Wie bekend is met het oeuvre van Du Gardijn, hoeft zich over de verscheidenheid niet te verbazen. Nu eens licht en ironisch, dan weer melancholiek – ook in eerdere romans en verhalen (Bevrijding, Het grote vakantiepark) bewees de schrijver zijn wendbaarheid.

Naar Napels

Het scharnierpunt in dit boek is, uiteraard, classicus Adriaan, die na het verlies van zijn vrouw in zijn eentje naar Napels gaat om zijn onderzoek voort te zetten. Hij neemt zijn intrek op de vierde verdieping van een palazzo in het centrum, vergaapt zich aan de luidruchtige buren en vraagt zich af: wat doe ik hier eigenlijk? Hij wil uitzoeken waar de keizer precies is gestorven – een villa in Baiae, maar welke? Of anders wil hij er in elk geval een geloofwaardig verhaal van maken; het laatste deel van de roman is de neerslag van Adriaans werk.

Zijn overpeinzingen bij het schrijven geven een extra lading aan het boek. Het is niet vreemd dat Yourcenar de dood van Hadrianus achterwege liet, bedenkt Adriaan, want hoe schrijf je over sterven in de eerste persoon? ‘Een ik-schrijver zette zijn personage buiten spel als het om het einde ging.’ Dan maar kiezen voor de derde persoon (zoals Du Gardijn bij Aimée), maar hoe overbrug je in dat geval de afstand tot de dood? Hoe kunnen wij de afstand tot de dood überhaupt overbruggen?

Toch is juist het ‘lied’ van Adriaan, waarin alles samenkomt, minder trefzeker dan de rest van de roman. Zijn toespelingen op lokale misstanden blijven wat in de lucht hangen. Italiaans moet hij nog beter leren, merkt de classicus op, en dat is te merken: de zinnetjes die hij optekent uit de mond van de mensen om zich heen, staan vaak vol met fouten. De kale beschrijvingen van zijn dagbesteding en het weer gaan snel vervelen. ‘Ik haalde mijn eten uit mijn rugzak, at twee krentenbollen, een sinaasappel en een appel. Ik keek langdurig naar de ruïne.’

Het doet weinig af aan de kracht van het geheel. Ergens is dat knullige zelfs wel passend, voor een man die niet meer weet waar hij het zoeken moet. Als het gaat om sterven en verlies, lijkt Du Gardijn te zeggen, zijn we nog altijd beginners.

Willem du Gardijn: Het einde van het lied. Koppernik; 229 pagina’s; € 21,50.

null Beeld Koppernik
Beeld Koppernik
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden