Het einde van de Utrechtse orgeloorlog

Hoe vredenburg toch een orgel kreeg

Veertig jaar is erom gestreden en nu is het er: een orgel in de Grote Zaal van TivoliVredenburg - al moet je goed kijken om het te zien. Prachtige aanvulling of slap compromis?

De Grote Zaal van Vredenburg in Utrecht, ontworpen door Herman Hertzberger. Midden, tussen podium en tribune, is het orgel achter een esdoornhouten omkisting verstopt. Foto Tom Janssen

Wie de Grote Zaal van TivoliVredenburg een beetje kent en er nu naar binnen loopt, ziet iets geks. In de corridor tussen het podium en de tribune daarboven is een constructie verrezen die door haar rondingen doet denken aan een metrocabine, maar dan van esdoornhout en met gaten erin. Alleen aan de speeltafel aan de zijkant kun je afleiden dat dit een orgelkast moet zijn. Er is geen pijp te zien.

Eindelijk, zeggen de liefhebbers, éíndelijk heeft het Utrechtse muziekpaleis een orgel. Want het instrument, dat vrijdag wordt gepresenteerd tijdens het Festival Oude Muziek, is de uitkomst van een veertig jaar durende strijd. Ouder dus al dan de zaal zelf (het oorspronkelijke Vredenburg opende in 1979, het geheel vernieuwde en met vele zalen aangevulde TivoliVredenburg in 2014). Een groep orgelfanaten voerde actie voor een symfonisch orgel, zoals vrijwel elke concertzaal van betekenis er een heeft. Maar Vredenburg en architect Herman Hertzberger zagen daar niets in.

Het leverde een van de sappigste soaps op uit de recente Nederlandse muziekgeschiedenis. Maar dat de soap is afgelopen, betekent niet dat iedereen gelukkig is met de uitkomst. 'Een pyrrusoverwinning', noemt oud-Vredenburgdirecteur Peter Smids het, die zich tot zijn aftreden in 2001 tegen een orgel heeft verzet. 'Een slap compromis', vindt orgelliefhebber en oud-recensent Rob van der Hilst.

Wat is het geval? Het nieuwe instrument is relatief klein en ideaal om barokmuziek mee te begeleiden. Met een instrument van dit type heeft TivoliVredenburg als concertzaal zelfs een primeur. Maar voor het grootste deel van het repertoire uit de 19de en 20ste eeuw is het orgel niet geschikt. Wie bijvoorbeeld Gustav Mahlers Tweede symfonie wil uitvoeren, zal nog steeds naar een elektronisch instrument met boxen moeten grijpen - iets waar de gemiddelde orgelfanaat stilletjes om moet wenen.

Waarom kwam dat grote orgel er niet? Waarom heeft het überhaupt zo lang geduurd voordat er een orgel kwam?

Peter Smids buldert van het lachen als hij wordt gevraagd naar de Utrechtse orgeloorlog. 'Weet u', zegt de oud-directeur, 'Vredenburg is er indertijd tegen heug en meug gekomen. Het moest allemaal zo goedkoop mogelijk.Er waren veel budgettaire beperkingen. Een orgel ontbrak in het programma van eisen. De ambtenaar die erover ging zei: als je zo graag een orgel wilt horen, dan ga je toch naar een kerk?'

Toen een groep liefhebbers in 1977 vernam dat er geen orgel zou komen, werd de Stichting Orgel Comité Muziekcentrum Utrecht (OCMU) opgericht. De stichting zamelde op allerlei manieren geld in. Zo werd een lp uitgebracht met muziek gespeeld op Utrechtse orgels. Ook kreeg de stichting toestemming steentjes te verkopen van de fundamenten van het 16de-eeuwse kasteel Vredenburg waarop de gelijknamige concertzaal werd gebouwd. Voor 10 gulden werd je eigenaar van dit erfgoed.

Alleen: waar moest het dan komen? Architect Hertzberger had nou juist, in zijn woorden, 'een unieke achthoekige zaal' gemaakt, 'zonder as en zwaartepunt': het publiek kan helemaal rondom het podium zitten. 'Een orgel zou geweldige aandacht vragen en richting geven aan de zaal.'

Voor Vredenburg zou een orgel bovendien tot verlies van volume en zitplaatsen leiden. Ook zou het, in Smids' woorden ('ik praat wat makkelijker in retrospectief'), 'de al gortdroge akoestiek' geen goed doen. Smids: 'Een heel vak zou moeten worden vrijgemaakt. Vergeet niet: in de tijd waarover we spreken, de jaren tachtig, waren de kaarten voor symfonische concerten niet aan te slepen. We waren in die begintijd meestal hartstikke uitverkocht. En zo'n orgel zou slechts sporadisch worden bespeeld.'

Maar het OCMU zette door. Er werden orgels bekeken en in 1984 werd er zelfs een aangekocht. Dat instrument, uit 1842 (van de Utrechtse orgelbouwersfamilie Bätz, ook verantwoordelijk voor het orgel in de Domkerk), kwam oorspronkelijk uit de Gotische Zaal van het Haagse paleis van koning Willem II, maar was na omzwervingen in een Haarlemse kerk beland. Het zou, vanaf het podium gezien, in het eerste vak aan de linkerkant worden gemonteerd.

Smids: 'Ik ben toen zo stom geweest om te zeggen: laten we het maar doen. We hebben in het zomerreces voorbereidingen getroffen en zelfs beton weggesneden. Aan het eind van de zomer hebben we nog eens goed nagedacht en vanaf dat moment zei ik: nee. Het had mallotig gestaan, zo'n neogotisch orgel in onze zaal. Het was karakterloos van me erin mee te gaan, maar er waren krachten waartegen ik me moeilijk kon verzetten.'

Ondertussen in Den Haag...

Ook Den Haag heeft zijn orgelfittie. In 2019 moet de nieuwe concertzaal opengaan, de vervanger van de gesloopte Anton Philipszaal. In 2015 werd bekend dat in het plan voor het nieuwe complex aan het Spuikwartier geen orgel is opgenomen, tot ongenoegen van de lokale ChristenUnie-SGP-afdeling. Fractievoorzitter Pieter Grinwis klaagde dat de Haagse zaal straks 'het sulletje van de concertzalen' zal zijn (en daar zou hij best eens gelijk in kunnen hebben).

Een idee dat werd opgeworpen om het capaciteitsverlies te omzeilen, was een orgel aan een hangende pilaar, midden in de zaal. Er moest en zou een orgel komen. De groep, waarin volgens boze tongen ook organisten zaten die uit waren op de erepositie van stadsorganist, was fanatiek.

Smids heeft het over 'de orgelmaffia'. Hertzberger spreekt van 'een groep enthousiastelingen die trekken vertoonde van een sekte'. 'Ik heb me in de loop der jaren in verschillende bochten moeten wringen zodat ze het gebouw niet zouden verknoeien', zegt de architect.

Ook door de pers werd de druk opgevoerd. Zo voerde Rob van der Hilst als recensent van het Utrechts Nieuwsblad campagne voor het orgel. Hij maakte er een gewoonte van om, wanneer hij een concert in de Grote Zaal had bezocht, op te merken dat daar nog steeds geen orgel was geplaatst. Van der Hilst: 'Ik vond dat de Utrechters werden belazerd. We hadden al een opera en een orkest verloren, en nu hadden we ook nog eens een gehandicapte concertzaal. Bovendien: ik had ook een tientje betaald. Ik was belanghebbend.'

Tekst gaat verder onder de foto

De pijpen van het nieuwe orgel Foto Tom Janssen

Vredenburg kon de recensies niet waarderen. Peter Smids: 'Op een gegeven moment heb ik mijn grieven kenbaar gemaakt bij de hoofdredactie. Ik had genoeg van die lulkoek.'

Nog enkele ideeën passeerden de revue. In 1994 werd gemeld dat er twee mobiele orgels zouden komen. Daarvan werd niets meer vernomen. Eind jaren negentig slonk het vlammetje van het comité. Bij Smids viel niets te halen, de actievoerders raakten gefrustreerd. De kas groeide juist. Het aangekochte Bätz-orgel was met winst verkocht; de zaal waar het oorspronkelijk stond, werd gerestaureerd en kon nu over haar originele orgel beschikken. Maar een nieuw, speciaal voor Vredenburg gebouwd symfonisch orgel zou onrealistisch blijven. Het huidige prijsniveau voor zo'n instrument ligt tegen de 2,5 miljoen euro.

Zo nu en dan wakkerde het vlammetje weer aan. In 2005 kreeg orgeladviseur Peter van Dijk van de gemeente (Vredenburg was voor de fusie met poppodium Tivoli een gemeentelijke instelling) de opdracht te onderzoeken of er geen orgel kon worden gebouwd dat je onder het podium kon laten wegzakken. De gemeente had zich het geld kunnen besparen. Onder het podium bleek nog een kasteelmuur te lopen.

In 2009 vroeg Leefbaar Utrecht hoe het nou zat met dat geld voor het orgel. De stad was zo onderhand vergeten dat er een pot geld was, en dat die pot - hoewel ook overheden hadden bijgedragen - aan een onafhankelijke stichting toebehoorde.

In 2012 kwam er alsnog schot in de zaak. Er kwam een nieuw OCMU-bestuur. Een oud idee van Peter van Dijk, die als onafhankelijk orgeladviseur adviseert bij aankopen en restauraties, kwam ter sprake. Rond de eeuwwisseling had Van Dijk gesproken met Jos van Veldhoven, artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging. Waar barokgezelschappen nu vaak kleine mobiele kistorgels gebruiken, werden in Bachs tijd 'gewoon' kerkorgels bespeeld. Een kleine versie van zo'n orgel zou in de beperkte ruimte van de Grote Zaal kunnen worden gerealiseerd.

Er werd een klankbordgroep opgericht om te inventariseren of de Utrechtse oudemuziekgezelschappen en koren enthousiast waren. Een offerteronde werd uitgeschreven, die werd gewonnen door orgelmakerij Gebroeders Van Vulpen. Driekwart jaar werd aan het instrument gewerkt, in nauw overleg met architect Hertzberger. Volgens OCMU-voorzitter Maarten van Ditmarsch heeft het 'een kleine 4 ton' gekost. De stichting betaalt nog twee jaar het onderhoud en zal zich daarna opheffen.

TivoliVredenburg is blij met het cadeau. Het Festival Oude Muziek wil het zo vaak mogelijk inzetten. Maar orgelstrijder Van der Hilst blijft diep ongelukkig. 'Ik zie nog steeds liever een symfonisch orgel. Dat ze dan voor zo'n klein barokinstrument gaan, staat wat mij betreft symbool voor het verval van de klassieke muziek. We nemen in Utrecht genoegen met half werk.'

Vrijdag 25/8 is er om 16.00 een 'orgelpreview' in de Grote Zaal van TivoliVredenburg. Met het concert van La Divina Harmonia o.l.v. organist Lorenzo Ghielmi (20.00 uur) wordt het officieel ingewijd.