BESCHOUWINGWhite Cube

Het eeuwige spel met ongemak van regisseur Renzo Martens

Matthieu Kasiama bij de White Cube in Lusanga in Congo.Beeld Renzo Martens

White Cube, de nieuwe film van de Nederlandse filmmaker en kunstenaar is een aanklacht tegen de neokoloniale uitbuiting van Congolese arbeiders en prikt tegelijkertijd de schijnheiligheid van de westerse kunstwereld door.

Matthieu Kasiama heeft zijn T-shirt uitgetrokken en zegent er de sculpturen in de steriele ruimte van het New Yorkse Sculpture Center mee. Vol blijdschap rent hij in zijn blote bast van het ene naar het andere beeld. Sommige beelden krijgen zelfs een omhelzing. Het museumpersoneel staan er op de achtergrond ongemakkelijk glimlachend bij. De beelden aanraken is duidelijk niet de bedoeling, maar moeten ze nu ingrijpen of niet?

Nee, bovenstaande is geen beschrijving van een onbegrijpelijke performance, maar een scène uit White Cube, de nieuwste film van de Nederlandse kunstenaar en filmmaker Renzo Martens. White Cube, de enige nederlandse titel die werd geselecteerd voor de internationale competitie voor lange documentaires, is in zekere zin een vervolg op Episode III: Enjoy Poverty, de controversiële film uit 2008 (openingsfilms van het Idfa toentertijd) die Martens in een klap internationaal beroemd maakte. Net als zijn voorganger druipt ook White Cube van het postkoloniale ongemak dat je Martens handelsmerk zou kunnen noemen.

In 2017 bezocht journalist Sacha Bronwasser de voormalige Unileverplantage in Lusanga, Congo om het project van Renzo Martens van nabij te kunnen volgen. ‘Het is een nogal opmerkelijke locatie voor dit ambitieuze en langlopende kunstproject, dit dorpje van zo’n twintig hutten.’

Eigen leed

In Episode III reisde Martens als jonge kunstenaar door Congo en constateerde dat westerse persfotografen riant verdienen aan het fotograferen van de armoede en ellende aldaar. Onder het credo ‘Enjoy poverty’ moedigt hij de lokale bevolking aan om ook aan hun armoede te verdienen, bijvoorbeeld door hun eigen leed te fotograferen. Ook in White Cube zet Martens Congolezen aan het werk. De film doet verslag van een jarenlang project op een voormalige plantage van Unilever in Lusanga, een dorp in zuidelijk Congo. Onder bezielende leiding van Martens maken bewoners daar van klei beelden over hun leven en de lokale geschiedenis. Die sculpturen worden vervolgens in chocolade gegoten, een verwijzing naar een van de voornaamste uit Congo onttrokken grondstoffen: cacao.

Kunstenaars en bewoners van Lusanga met op de achtergrond de White Cube.Beeld Renzo Martens

Meeliftend op de naam van Martens worden de beelden opgepikt door de kunstwereld. Al gauw volgen uitnodigingen van prestigieuze kunstinstituten, zoals het Sculpture Center in New York. Daar mag Matthieu Kasiama, een van de kunstenaars, als zelfbenoemde ‘zoon van de plantage’ de tentoonstelling openen. Vandaar die dans van blijdschap, wanneer hij zijn sculpturen en die van zijn collega’s voor het eerst in het museum ziet. Het witte museumpubliek weet er duidelijk geen passende reactie op. Tijdens de opening vraagt een interviewer of Kasiama in zijn leven veel kunst heeft gezien. Nee, antwoordt de kunstenaar, in het dorp waar hij opgroeide heeft hij niet veel kunst gezien. Stilte.

Dit is, samenvattend, de methode Renzo Martens. Hij brengt in zijn films werelden samen die altijd al onderling verbonden waren, maar die normaal gesproken netjes gescheiden blijven. En hij laat je de grote ongemakkelijkheid voelen die daarbij hoort.

Renzo Martens, regisseur van White Cube.Beeld Max Pinckers

Aanklacht

White Cube is deels een aanklacht tegen de postkoloniale uitbuiting van Congolese arbeiders op plantages van multinationals als Unilever. Tegelijkertijd prikt de film de schijnheiligheid van de westerse kunstwereld door. De kunstwereld, zo stelt Martens aan het begin van de film, profiteert namelijk flink van die uitbuiting. Kijk maar eens naar het colofon van grote, vaak maatschappijkritische kunsttentoonstellingen: dikke kans dat ze gesponsord worden door grote multinationals als Unilever.

Martens wil in zijn films niet alleen de scheve postkoloniale verhoudingen laten zien, hij wil ze ook veranderen. Dat doet hij via een schijnbaar naïeve omkering. Als westerse fotografen verdienen aan de armoede en ellende van Congolezen, waarom dan niet Congolese fotografen trainen om hetzelfde te doen? Als de kunstwereld profiteert van de uitbuiting van Congolese plantagearbeiders, waarom dan niet een systeem bedenken waarbij Congolese plantagearbeiders profiteren van kunst?

Sculpturen gemaakt door de lokale bevolking van Lusanga.Beeld Renzo Martens

Daarmee komen we aan bij het belangrijkste kenmerk van Martens aanpak: de rol die hij zelf speelt in zijn films. Net als in Episode III treedt Martens in White Cube op als dubbelzinnig figuur. Aan de ene kant is hij de naïeve witte kunstenaar met een redderscomplex, aan de andere kant kruipt hij zelf in de rol van de witte kolonisator. In klassiek koloniaal tenue – onberispelijk wit overhemd, strooien hoed – loopt hij over de voormalige plantage. Hij deinst er niet voor terug om deze arme mensen wel eens te vertellen hoe ze hun leven kunnen verbeteren. Van de pijnlijke connotaties die aan zo’n witte weldoenersrol kleven is hij zich blijkbaar niet bewust. Of toch wel? Het is nooit helemaal duidelijk, en juist dat maakt zijn aanwezigheid interessant. Hij is de naïeve en ijdele witte kunstenaar met een redderscomplex en neokoloniale trekjes. En tegelijkertijd speelt hij die kunstenaar. En zet hij zijn rol nog net iets vetter aan, zodat je er niet omheen kunt.

Wat dat spel de kijker oplevert, is duidelijk: Martens houdt zijn publiek een pijnlijke spiegel voor. Want wat heeft het eigenlijk voor zin om naar kunst, of naar documentaires, over ellende elders op de wereld te kijken? Doe je dat omdat je het je werkelijk aantrekt? Of toch vooral omdat je je dan, net als de kunstenaar, een goede wereldburger kunt voelen? Is het betrokkenheid of ijdelheid? Uiteraard is het ongemak dat Martens met zijn methode oproept daarmee voorbehouden aan een specifieke groep die, zo vermoed ik, het beoogde publiek van zijn films vormt: witte, bevoorrechte kijkers.

De White Cube in Lusanga, Congo. Still uit de documentaire.Beeld Renzo Martens

Of de aanpak van Martens ook voor de Congolese kunstenaars iets oplevert, dat is nog maar de vraag. Aan het einde van White Cube lijkt het er voor de bewoners van de voormalige plantage rooskleurig uit te zien. De kunstenaars richten een vakbond op en kunnen met de opbrengst van hun sculpturen steeds meer land terugkopen. Er wordt een project opgezet om de biodiversiteit op de uitgeputte grond te stimuleren en er komt zelfs een museum: een eigen White Cube. Maar dit alles werkt alleen maar omdat een witte kunstenaar zichzelf er nog steeds het middelpunt van maakt. Wat als de nieuwigheid eraf is en de aandacht van de kunstmarkt of van Martens zelf weer verslapt? Daar geeft de film geen antwoord op.

White Cube gaat op 21/11 gelijktijdig in première op Idfa en in de White Cube van Lusanga in Congo.

Witte doos

De White Cube op de voormalige Unileverplantage in Lusanga (Congo) werd ontworpen door architectenbureau OMA van Rem Koolhaas. In 2017 ging het museum open. Het ontwerp en de naam verwijzen naar het cliché van westerse museumarchitectuur: een doos met witte muren en geblindeerde ramen. Momenteel is er in de White Cube geen tentoonstelling te zien. ‘Het museum staat nu vooral een museum te zijn’, zegt Martens desgevraagd. Over toekomstige tentoonstellingen wil hij nog niet veel kwijt, behalve dit: ‘Er gaat van alles gebeuren.’ 

Lees meer over Idfa 2020:

Idfa cancellen was voor Orwa Nyrabia eigenlijk nauwelijks een optie. En ook zaalvertoningen, hoe klein ook, horen bij het festival. ‘Dat moment is voor makers zó betekenisvol.’

Voor wie niet bij de weergaloze Talking Heads-show was op 4 november 2018 in de Afas Live (of er nog een keer bij wil zijn), is er nu de concertfilm American Utopia. En ja, die is bijna even goed.

De gelauwerde documentairemaker Gianfranco Rosi is dit jaar hoofdgast op het Idfa. De Volkskrant spreekt hem over de levensgevaarlijke tocht die hij moest ondernemen om zijn nieuwe film Notturno te kunnen maken.

Voor Nothing but the Sun, de openingsfilm van Idfa, trok filmmaker Arami Ullón jarenlang op met de inheemse Paraguayaan die de laatste resten het Ayoreo-volk vastlegt op cassettebandjes.

Paul Sin Nam Rigter filmde de poging van Yarden om in de Bijlmer een multicultureel uitvaartcentrum op te zetten. Zijn docu Dealing With Death is te zien op Idfa.

Soms zitten de grootste verhalen verscholen in de kleinste hoekjes van de samenleving. Wat maakt documentaires met schijnbaar alledaagse personages zo interessant?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden