Het eerste als het laatste

Het is maart 1969, de leerling van de middelbare school is 18 en zijn eerste gedicht wordt gepubliceerd, in het Algemeen Handelsblad, dat een rubriek had waarin jongeren gedichten konden publiceren....

KEES FENS

Hij is het gebleven. Onlangs verscheen Bange natuur en alle andere gedichten tot 1998 van Huub Beurskens. Alle bundels zijn erin bijeengebracht en zijn jongste - met de titel van de verzamelbundel - krijgt er zijn eerste druk in. Vierhonderd bladzijden poëzie - overvloed kenmerkt Beurskens dichterschap en veel van de afzonderlijke gedichten trouwens ook.

Het boek sluit af met 'Verantwoording en opmerkingen'. Alle in boekvorm gepubliceerde gedichten staan in de verzameling, enkele gedichten die alleen in tijdschriften verschenen, werden niet opgenomen. Op twee uitzonderingen na. En het eerste is het gedicht dat op 1 maart 1969 in de krant verscheen. Het wordt afgedrukt met de vermelding dat de vader van de jonge dichter de krant met het vers van zich afgooide, met de woorden: 'Als je daar je geld mee moet gaan verdienen. . .' Het gedicht heet 'Geciviliseerd bos':

Zo af en toe vallen plassen

licht uit de takken zoals

nu op de verregende krant

van 15-8-1968

en het gekantelde sisiflesje.

Ik zoek een plek om te wateren

zonder schuifslot een vlag te

plaatsen of als Columbus 't eerst

aan land te gaan maar

als ik dan eindelijk geen scherven

of snippers meer zie een onver-

krachte grond en me the big explorer

waan, ontdek ik plots het VERBODEN

TOEG. VOOR ONBEV.: NAT. RESERVAAT

Die verdomde Vikingen zijn me dus

toch weer voor geweest!

Alle begin heet imitatie te zijn. Ik zou dit gedicht niet zo gauw tot voorbeelden kunnen terugvoeren, of het zou het ironisch realisme van de dichters rond Barbarber moeten zijn. De dichter laat moedig de interpunctie weg, waardoor het wat triomfantelijke uitroepteken aan het eind wel erg luid wordt. De conceptie van het gedicht heeft lang geduurd, of de krant heeft er lang gelegen, of de jonge Beurskens besloot pas laat het aan het Algemeen Handelsblad te sturen.

Waarom drukt een dichter in die bekroning van het dichterschap die een verzamelbundel ook is, zijn debuut af? Hij zal bij terugzien misschien zijn verrast door de eerste twee regels. Of herkent hij in die eerste noten de muziek van later? Ik neig naar het tweede, maar laat die veronderstelling dan door die eerste twee regels steunen. Beurskens is een heel goede beschrijvende en verbeeldende dichter (hij beschrijft in zijn jongste bundel bijvoorbeeld op heel geestige wijze de vroegere roomse kloostercultuur in het Limburgse Steijl) en in zijn beschrijvende verbeeldingen nemen die van de natuur een belangrijke plaats in.

Dat gaat veelal in volle regels. Maar wat zich vrijwel meteen manifesteert,is een bewustzijn van kunst, die aan de opgeroepen natuur een dubbele bodem geeft. Daar staat de natuur, maar daar is ook meteen de cultuur. Alle natuur is cultuurreservaat! Ik meen dat veel gedichten van Beurskens aan die verknoping van natuur en cultuur hun eigenheid danken. Aan die van oude natuur en steden en de huidige werkelijkheid evenzeer. Zijn beschrijvingen zijn bijna altijd dubbel en die tweevoudigheid bereikt hij uiter aard met de taal. Voor mij heeft hij zich heel duidelijk uitgesproken in het gedicht 'Gebed' uit de bundel Aangod en de afmens. Het is - niet om zijn lengte, maar om de herhalingen - bijna een gebed zonder eind. De eerste strofe luidt zo:

Laat me opgaan in van zomerlicht sprankelende

spikkelingen. Laat me liggen, alleen, gestrekt,

langs de stortbeek, op witte kiezelingen, waar die

almaar in wording een snel stromend riviertje is.

De tweede strofe is haast nog dringender van toon, verfijnder van waarneming ook. Dit is de derde:

Nee, spreek me niet van wetenschappelijkheden,

van heren die ons leren waarom we gezeten in een net

tot staan gekomen trein het perron verglijden zien.

Waarvan niet mag worden gesproken, dat is al uitgesproken in gedachten. De gespletenheid is onontkoombaar, daarmee de enkelvoudige waarneming en beleving (overigens niet zo enkelvoudig, want in de eerste strofe spelen herinneringen aan een andere dichter mee, daar is de cultuur ook nog). Misschien is dit het grootste obstakel voor de dichter, dat hij poëzie gaat schrijven als hij gaat dichten. Hij is zichzelf kwijt en rijk tegelijk.

Daar gaat de jonge dichter het bos in, om het onbekende bos te beleven en zich aan de tijd te onttrekken. Maar de plassen licht uit de takken vallen op een krant, daar is de dag van vandaag. En op een limonadeflesje. Je bent in de natuur en daar is de werkelijkheid, de lelijkheid voor mijn part van de cultuur. En als hij dan eindelijk de natuur heeft gevonden, mag hij er niet in. Natuur is een natuurreservaat en daarmee een cultuurreservaat.

Heeft de verzamelende dichter bij het lezen van die eerste poging ontdekt hoe hij daar al slaagde in het mislukken? Ik vermoed het. Het eerste gedicht had, wat voller van toon, ook het laatste kunnen zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden