Het communisme is dood, de revolutionaire hartstocht blijft

Frits Bolkesten bedoelt met 'onverwerkt verleden' niet alleen dat intellectuelen die het stalinisme goedpraatten, zich moeten verantwoorden. Hij doelde ook op de vraag 'hoe was het mogelijk?'....

HET is 1981, de toestand in Polen is explosief. Ademloos volgt de wereld hoe Lech Walesa en zijn Solidariteit het sovjetcommunisme in heel Oost-Europa te kijk zetten. 'Ik veronderstelde', schrijft Frits Bolkestein in zijn nieuwe boek Onverwerkt verleden, 'dat het congres van de Poolse Verenigde Arbeiderspartij uit de hand zou lopen en dat de Russen zouden interveniëren. Ik wilde daarbij zijn.'

Bolkestein gaat naar Warschau. Hij is coming man in de Tweede-Kamerfractie van de VVD, waarin hij eind 1977 met de hakken over de sloot was beland, nadat onverwacht enkele zetels vacant kwamen met de vorming van het kabinet-Van Agt-Wiegel.

In Warschau weet de nieuwe partijleider generaal Jaruzelski de Russen op afstand te houden door een staat van beleg af te kondigen. Brezjnjev ligt op sterven, de Sovjet-economie staat op het punt te bezwijken onder de loden last van de bewapeningswedloop met de Verenigde Staten.

Als student al wilde Bolkestein 'er bij zijn'. In 1957 bezocht hij Warschau op uitnodiging van Stefan Olszowski, voorzitter van de Poolse studentenorganisatie.

Vijfendertig jaar laten spreken de beide studentenleiders elkaar weer, in New York. Bolkestein is dan inmiddels staatssecretaris en Olszowski, uitgerangeerd als partijbons, probeert een nieuw leven te beginnen. Het verhaal dat hij verslaggever Bolkestein vertelt, is het relaas van going through the motions, van de idealist die opportunist wordt in zijn voortdurende gevecht om er maar het beste van te maken.

Van 1956 af onderzoekt Bolkestein het communisme - door studie, maar vooral ook door eigen waarneming en gesprekken met slachtoffers en deelnemers. Onverwerkt verleden vormt de neerslag van deze fascinatie. Met 'onverwerkt verleden' bedoelt Bolkestein in de eerste plaats het ontbreken van catharsis: de Russen zijn niet veroordeeld voor hun wandaden en de Westerse intellectuelen die het stalinisme hebben goedgepraat zijn gemakkelijk weggekomen, zeker vergeleken met hen die zich met het fascisme hebben ingelaten.

Onverwerkt verleden betekent echter ook: hoe was het mogelijk? Voor Bolkestein zelf blijft het, stelt hij aan het eind van zijn boek, een raadsel. Tijdens de gedenkwaardige presentatie van zijn boek in Paradiso, op 12 januari, formuleerde hij een aantal vragen 'voor universitair onderzoek'. Klopt het dat het communisme 80 tot 100 miljoen slachtoffers heeft gemaakt (waarvan het merendeel in China)? Heeft Hitler de terreur afgekeken van Lenin en Stalin? En wat was in de jaren zeventig het verband tussen tijdgeest, life style en pro-communistische politieke stellingname?

Het zijn voor de historici van de moderne tijd klassieke vragen. In zijn magistrale boek Het verleden van een illusie beantwoordt de grote historicus van de Franse revolutie, François Furet, ze in héél kort bestek - hij blijft binnen de zevenhonderd bladzijden.

Ik zou drie stellingen willen poneren die vooral betrekking hebben op de oorzaken van het communisme als historisch verschijnsel. Was het uniek? Kunnen zich in één of andere vorm vergelijkbare ontwikkelingen voordoen?

Stelling één: De twintigste eeuw (dat wil zeggen de 'korte twintigste eeuw' van 1914 tot 1991, van begin eerste wereldoorlog tot einde Sovjet-Unie) was de eeuw van het socialisme. In vele variaties, inclusief het fascisme van Mussolini en het nationaal-socialisme van Hitler, werd het economisch leven onder controle van de staat gebracht.

Specifiek voor het communisme is de revolutionaire hartstocht: in naam van de geschiedenis zou de utopie van de werkelijk humane samenleving tot stand worden gebracht. Daartoe moet eerst al het bestaande worden afgebroken. De ideologie van het marxisme-leninisme wist het antwoord op alle vragen omtrent de ontwikkelingsgang der geschiedenis.

Aangezien het proletariaat zelf niet in staat werd geacht een revolutionair bewustzijn te ontwikkelen, viel deze taak toe aan een voorhoedepartij van beroepsrevolutionairen. Tegenstanders mochten, ja moesten worden geliquideerd, omdat ze 'objectief' de vooruitgang in de weg stonden, danwel 'subjectief' handlangers waren van de 'reactie'.

Stelling twee: de eeuw van het socialisme is voorgoed voorbij. Het socialisme (zowel in zijn totalitaire als democratische varianten) is een tijdgebonden, typisch twintigste-eeuws verschijnsel. Het is onlosmakelijk verbonden met het kolonialisme en imperialisme. Communisme en fascisme zijn ondenkbaar zonder de de Eerste Wereldoorlog. Het kapitalistische onvermogen na de beurskrach van 1929 en de Tweede Wereldoorlog gaven het socialisme een nieuwe impuls.

Het stalinisme was het hoogste stadium van het communisme. In de beschaafde wereld heeft het communisme nooit een voet aan de grond gekregen en dat zal ook niet gebeuren. Ook in de minder beschaafde wereld sterft het af; wat we in China aanschouwen is een soort staatskapitalisme.

Stelling drie: de liberale democratie annex vrije-markteconomie zal evenwel nooit een definitieve overwinning behalen. De euforie van Fukuyama over het 'einde van de geschiedenis' heeft maar kort geduurd. Het kapitalisme is revolutionair in zijn voortdurende aantasting van gevestigde posities, kent per definitie winnaars en verliezers en zal dus altijd tegenkrachten oproepen.

De liberale democratie veronderstelt een aantal historische voorwaarden, zoals gelijkheid voor de wet, effectief bestuur, alfabetisme en particulier eigendom, die in grote delen van de wereld onvoldoende gerealiseerd zijn. Democratie is nooit vanzelfsprekend.

Bolkestein zal dit beamen. Hij is een gematigd man die zich bewust is van de beperkingen en tegenstrijdigheden van het liberalisme. Regeren met de sociaal-democraten, met alle Melkertbanen en koppelingen die dat met zich meebrengt, bevalt hem goed. Van de 'waarborgstaat', de tot het bestaansminimum uitgeklede verzorgingsstaat die door meer strenge liberale ideologen werd gepropageerd, horen we niks meer.

Kortom, mevrouw Thatcher zou Bolkestein als wet kwalificeren, als een halve socialist. Waar Thatcher de vetlaag tussen overheid en burger, het maatschappelijk middenveld, wilde wegsnijden, is Bolkestein (net als Tony Blair) op zoek naar een 'bezielend verband', dat de gemeenschapszin en het fatsoen moet verschaffen waarin het liberalisme zelf niet kan voorzien. De moraal van het individu was voor Thatcher, de liberale doctrinair, genoeg. Bolkestein weet wel beter.

De grote Britse politiek-filosoof Michael Oakeshott (1901-1990) onderscheidt in het moderne Europa drie verschillende waardenstelsels, de moraal van de gemeenschap, de moraal van het individu en de moraal van de collectiviteit (Morality and Politics in Modern Europe. The Harvard Lectures). De moraal van de gemeenschap spruit voort uit het model van de familie, waarin de eigendom familie-eigendom is. Ieders positie, ieders rechten en plichten worden bepaald door gewoonte en traditie, niet door hem zelf.

Deze moraal werkt in vele delen van de wereld nog steeds door. Maar vanaf de twaalfde eeuw worden in Europa de contouren zichtbaar van de moraal van het individu: de aandrang om zoveel mogelijk eigen keuzen te maken.

Het cultiveren van de eigen individualiteit veronderstelt vertrouwdheid met wat Oakeshott noemt 'de individuele ervaring'. En deze ervaring kan alleen worden opgedaan in historische omstandigheden waarin er gelegenheid bestaat om keuzen te maken, om te ontsnappen aan het communale leven.

Maar niet iedereen is in staat of geneigd zelf keuzen te maken en zich een eigen weg naar voorspoed en geluk te banen. Oakeshott ontwaart naast het individu een andere historische gestalte: het gemankeerde individu, alias de 'massamens'. Het individu manqué is geen overblijfsel uit de feodale tijd, maar een product van dezelfde ontbinding van communale banden die het moderne Europese individu heeft voortgebracht.

Tegenover de zestiende-eeuwse ondernemer stond de ontwortelde arbeider, tegenover de vrijdenker de dolende gelovige. Zij wendden zich tot de machthebbers om bescherming te zoeken tegen de noodzaak zelf keuzen te maken en eigen verantwoordelijkheid te nemen. Zij zochten naar een moraal van de collectiviteit, niet van vrijheid en zelfbepaling, maar van solidariteit en gelijkheid. Particulier eigendom is in de anti-individuele moraal verdacht, als niet solidair, als bron van ongelijkheid en als ontkenning van de collectiviteit.

De arena waarin de behoeften van het gemankeerde individu (die volgens Oakeshott heel goed een intellectueel kan zijn) kunnen worden vervuld is natuurlijk de politiek, waarin de macht van het getal zich steeds nadrukkelijker manifesteert. Het gevaar van de massamens schuilt in het feit dat hij geneigd is de heersers een ongekende hoeveelheid macht toe te kennen.

Een eerste manifestatie van de moraal van de collectiviteit situeert Oakeshott in het zestiende-eeuwse Genève van Calvijn: een absoluut gezag, waaraan alle ingezetenen zich in religieuze onderdanigheid onderwierpen. Het Jacobinisme van de Franse Revolutie, maar ook het socialisme van Marx zijn in de ogen van Oakeshott slechts variaties op het sectarisme van Calvijn. De individuele keuze immers moest van de markt worden overgebracht naar coöperaties en een centraal verdelende autoriteit - en dat alles in naam van de gelijkheid.

Ter verklaring van de 'revolutionaire hartstocht' ontwikkelt Furet in Het verleden van een illusie een redenering die precies het spiegelbeeld is van die van Oakeshott.

Vanuit het socialistische perspectief was het individu, de burger of bourgeois het symbool van ontworteling. De bourgeoisie had geen plaats in de gemeenschap, en evenmin in het politieke bestel. Ze was geheel afhankelijk van de economie, van arbeid en het vergaren van bezit. Het nieuwe beginsel van de gelijkheid van alle mensen dat de bourgeoisie propageerde, werd voortdurend tegengesproken door een nooit eerder vertoonde ongelijkheid van bezit - als gevolg van de concurrentie.

Vanwege het geld, dat zijn obsessie met zijn eigenbelang symboliseerde, werd de burger het meest gehaat. Het bezorgde hem de vooroordelen van de aristocraten, de afgunst van de armen en de minachting van de intellectuelen.

De burger was innerlijk verscheurd, Furet spreekt van zelfhaat. Want zijn economische macht bracht geen legitiem politiek leiderschap met zich mee. In zijn hart twijfelde de burger aan zijn eigen leus: de universele gelijkheid. Zijn tegenstanders gingen er met die leus vandoor. Daardoor was de bourgeoisie niet in staat leiding te geven aan de democratisering van de maatschappij. Anti-individualistische stromingen, nationalisten, socialisten, confessionelen, vulden de lege politieke ruimte.

De Eerste Wereldoorlog was de katalysator die het antiburgerlijke ressentiment van links én dat van rechts overbracht op het gewone volk. Als onlosmakelijk gevolg van deze rampzalige oorlog kon de bolsjewistische partij in 1917 de macht overnemen en begonnen Mussolini en Hitler onmiddellijk na 1918 hun partijen te vormen als antwoord op de nationale crises in Italië en Duitsland. In feite is in Europa de periode van 1914 tot 1945 één tijdvak, dat van de totale oorlog.

De nederlaag van het communisme in 1989 was totaal. De in elkaar gezakte regimes moesten binnen enkele maanden wijken voor juist die ideeën die de Oktoberrevolutie definitief dacht te hebben vernietigd: particulier eigendom, de markt, de grondwettelijke scheiding van machten, kortom de complete inventaris van de liberale democratie.

Het zou echter van een fataal determinisme getuigen om te denken dat er sprake is van een defintieve overwinning van de democratie. Het mengsel van avonturiers, maffiosi en ex-partijbonzen dat de Russische (en de Chinese) economie in handen heeft, is niet meer dan een parodie op de westerse bourgeoisie uit de negentiende eeuw. De vrijheid van produceren en consumeren vindt bovendien plaats in een moreel vacuüm; Bolkesteins 'bezielend verband' ontbreekt volkomen en een teugelloos, cynisch materialisme is het gevolg.

De voorwaarden voor een duurzame democratie zijn in de ex-communistische wereld nog lang niet aanwezig. Een zelfbewuste middenklasse, een mimimum aan bestaanszekerheid, veiligheid en effectief bestuur zijn in Rusland ver te zoeken. Het ondemocratische China heeft in dit opzicht een voorsprong, maar de Aziatische crisis doet er de economische groei snel afnemen en de buitenlandse investeerders ontvluchten het land.

En dan zijn Rusland, zijn voormalige satellieten en China nog landen met een goed opgeleide bevolking. India is al vijftig jaar een democratie, maar de helft van zijn bevolking is analfabeet en daardoor niet in staat deel te nemen aan de zich moderniserende economie. In zuidelijk Afrika is het percentage analfabeten nog veel groter. In het democratische Zuid-Afrika ligt het aandeel moorden per hoofd van de bevolking zes keer zo hoog als in de VS en vijf keer zo hoog als in Rusland.

Het anti-individualisme manifesteert zich overal buiten de liberaal-democratische enclaves in West-Europa en Noord-Amerika in nationalisme en fundamentalisme.

Fundamentalisme is antimodern, maar niet ouderwets; het is een alternatieve rationaliteit. Het is een antwoord op de risico's en onzekerheden van het individualisme. Het legt de ziekten van de moderne maatschappij bloot, het verschaft de bekeerden de zoekgeraakte hoogste autoriteit en verlost hen van de pijn van het kiezen.

Fundamentalisme vervalst de geschiedenis, cultiveert vooroordelen uit het verleden en zet culturen die eeuwenlang vreedzaam samenleefden tegen elkaar op. Het fundamentalisme is het eenentwintigste-eeuwse zusje van het in de twintigste eeuw overleden communisme.

Hans Wansink is redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden