Het christendom

Met deze God zul je overwinnen

Peelen Gert

Het lijkt een onverbiddelijke successtory, het verhaal van een recalcitrante sekte, algemeen beschouwd als staatsgevaarlijk, die zo al niet bloedig vervolgd, dan toch zeker bespot werd en gehoond, maar die in de vierde eeuw plotseling uitgroeide tot de belangrijkste godsdienst in Europa en een potentiële machtsfactor van wereldomvang. Zelfs de exacte datum én de plek waarop die omslag plaatsvond en het christendom het pleit in zijn voordeel beslechtte zijn nog aan te wijzen.


Op 28 oktober van het jaar 312 bracht de Romeinse keizer Constantijn usurpator Maxentius een verpletterende nederlaag toe bij de Milviusbrug over de Tiber in Rome. Deze beslissende slag vond plaats daags nadat Constantijn zich had bekeerd tot de God van de christenen; een bekering, ingegeven door een droom, waarin Deze hem zou hebben toegezegd: 'in dit teken zul je overwinnen.' Met dit teken - een combinatie van de Griekse letters X en P - op helm en schild reed de overwinnaar de volgende dag het centrum van het immense Romeinse Rijk binnen.


Hoewel op dat moment de christenvervolgingen al gestaakt waren en het geloof in Jezus Christus officieel was toegestaan, geldt Constantijn als de machthebber die het christendom op de wereldkaart zette. Zonder hem zou het een sekte zijn gebleven en zou Europa nog steeds aan de heidenen zijn overgeleverd, dan wel al kort na de zevende eeuw volledig aan de islam zijn toegevallen. Dat suggereert de Franse historicus Paul Veyne in het in belabberd Nederlands vertaalde Toen onze wereld christelijk werd.


Voor Veyne is Constantijn de held - een potentaat met verbeelding, een megalomaan bovendien, maar wel een aan wiens oprechtheid niet getwijfeld mag worden. Op de vraag of de keizer uit politiek opportunisme handelde of vanuit de overtuiging van de echte bekeerling, kiest hij zonder omweg voor het laatste. Constantijn was een waarachtig christen die bovendien de tolerantie hoog in het vaandel had, meent de Fransman.


Niettemin legt hij hem enkele, op dit punt tegenstrijdig lijkende uitspraken in de mond. Zo zou de keizer vanuit 'eeuwig heilige en ondenkbare vroomheid' het onduldbaar hebben gevonden dat de mensheid nog langer in duisternis zou dwalen, terwijl hij elders zijn nog in heidens duister dolende onderdanen suste met de toezegging dat ze hun 'leugentempels' mochten houden als ze dat graag wilden.


Aanmerkelijk minder idealistisch is het beeld dat de door het Vaticaan als dissident gestigmatiseerde katholieke theoloog Hans Küng schetst van de Romeinse heerser. In een zeer omvangrijke studie Het christendom - Wezen, geschiedenis en toekomst, die elf jaar na de Duitse versie in een Nederlandse vertaling verschijnt, heet Constantijn noch een vroom christen, noch een huichelaar, maar bovenal een 'keiharde machthebber'. Hij, die op koele wijze het christendom in zijn machtspolitiek betrok maar zelf nauwelijks vrij was van laat-antiek bijgeloof, was degene die niet alleen geloof en politiek, maar bovenal kerk en staat met elkaar verbond, en zichzelf tenslotte kroonde als de eerste absolute monarch over deze twee-eenheid.


Na de twee kloeke, nogal zwaar op de maag liggende delen met mémoires, waarin Küng voornamelijk zijn beklag doet over de wijze waarop het Vaticaan hem sinds jaar en dag buitenspel zet, verdient deze gedegen studie naar de rol van het christendom in verleden, heden en toekomst alle lof. Een geschiedschrijving wil de auteur het zelf niet noemen - het gaat hem vooral om 'het blijvend geldige, steeds verplichtende en volstrekt onopgeefbare' van het christendom - laat staan een strikt neutrale geschiedschrijving.


Tot het laatste acht Küng zichzelf niet in staat, mede als gevolg van zijn persoonlijke ervaringen met de onbarmhartige Romeinse repressie. Maar, poneert hij, misschien pakt het boek van een betrokkene wel spannender uit dan dat van een objectieve kerkhistoricus of een cynische atheïst. Na de lectuur van de ruim duizend pagina's

kan de lezer hem slechts gelijk geven. De oprecht gelovige Küng weet als geen ander de vinger op de zere plek te leggen, aan te geven hoe en wanneer de firma God & Zoon door malafide zaakwaarnemers naar de ratsmodee werd geholpen en desondanks het optimisme, de essentie van zijn overtuiging, hoog te houden.


Uitgangspunt van dit optimisme is de morele kracht van het christendom, gevormd door een beroep op het persoonlijke geweten, nadruk op de waarde van het individu, geloof in de principiële gelijkwaardigheid van mensen, het streven naar rechtvaardigheid en de menselijke potentie tot verandering.


Aan de hand van een vijftal paradigma's schetst Küng de ontwikkeling van het christendom tegen de achtergrond van de wederzijdse beïnvloeding van godsdienst, politiek, maatschappij, wetenschap en cultuur. Zo ontstond het oerchristendom binnen het joods-apocalyptische paradigma, dat getekend werd door de overtuiging te leven in de eindtijd. De messiaanse geloofgemeenschap die dit geloof aanhing was niet alleen exclusief joods, maar vormde ook een tamelijk provisorisch verband met het oog op Christus' aanstaande wederkomst.


Pas toen bleek dat deze nog wel even op zich zou laten wachten, ontstond de behoefte aan de hechtere structuur van een kerk. Een structuur die door Jezus zelf niet bedoeld was en waarmee de kiem werd gelegd van al het latere kwaad, zoals hiërarchische wanverhoudingen en machtsmisbruik. Daarmee was het christendom aanbeland in het oecumenisch-Hellenistische paradigma van de christelijke oudheid, waarin Paulus de joodse exclusiviteit van het christendom doorbrak en de bekering van de heidenen initieerde. Het christelijk geloof raakte los van zijn joodse wortels en wetten en werd staatsgodsdienst. De vervolgde kerk van weleer ontpopte zich weldra tot een vervolgende kerk.


Kerkvader Augustinus drukte vervolgens zijn stempel op het Middeleeuws paradigma. Aan hem hebben wij niet alleen terneerdrukkende ideeën als zondeval en erfzonde, predestinatie en seksualiteit als te onderdrukken aandrift te danken, maar ook de rechtvaardiging van geweld, die de weg vrijmaakte voor inquisitie, ketterjacht en kruistochten. In datzelfde tijdsbestek vinden de Gregoriaanse hervormingen plaats die uitmonden in pauselijk absolutisme, geforceerd klerikalisme en het celibaat.


Met het paradigma van de Reformatie krijgt, onder leiding van Luther, een al wat langer bestaande tegenbeweging voet aan de grond. Tegenover in de loop der tijd toegevoegde tradities, wetten en autoriteiten wordt het primaat van de Heilige Schrift gesteld en in plaats van de kerk komt, net als in de begintijd, het evangelie weer centraal te staan. Ten slotte zet het paradigma van de moderniteit, met zijn geloof in rede en vooruitgang, tot in onze tijd de christelijke religie verder onder druk. Maar, constateert Küng, zonder dat dit vooralsnog enige corrigerende uitwerking lijkt te hebben op het machtsdenken binnen het Vaticaan, waar het dienen van de mondiale geloofsgemeenschap nog altijd ondergeschikt wordt geacht aan de absolutistische heerschappij daarover.


Dat Küng zich daar niet bij neerlegt en, in plaats van een nawoord, een zesde paradigma postuleert - dat van de 'postconfessionele' oecumene - is tegen die achtergrond bewonderenswaardig. Maar vóór de christelijke wereld bereid gevonden wordt om samen met andere wereldgodsdiensten én het niet-godsdienstig humanisme uit een gemeenschappelijk arsenaal een mondiaal ethos te ontwikkelen, zoals Küng het zich voorstelt, zal er nog heel wat water door de Tiber stromen.





Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden