Het centrale oog van de meester

Een goed portret wordt gekenmerkt door de centrale positie van één van de ogen. Een Amerikaanse psycholoog komt tot die conclusie na metingen aan het werk van honderden portretschilders....

MAARTEN EVENBLIJ

WAT maakt de Mona Lisa tot zo'n bijzonder portret? De fabelachtige techniek waarmee Leonardo da Vinci de rijke koopmansvrouw vereeuwigde en natuurlijk haar mysterieuze glimlach spelen daarbij een belangrijke rol. Maar ook de compositie van het schilderij is debet aan het succes van het kunstwerk.

Vooral de plek waar Da Vinci de ogen van zijn model plaatste, zou doorslaggevend zijn. Die is wellicht bepaald door de ongeschreven regels van de compositieleer. 'Een portret is pas goed als één van de ogen van het model precies ligt op de lijn die het canvas van boven naar beneden doormidden deelt', lijkt leerlingen in de portretkunst eeuwenlang te zijn ingeprent.

Psycholoog Christopher Tyler van het Smith-Kettlewell oogonderzoeksinstituut in San Francisco ontdekte dit fenomeen in het werk van 265 portretschilders van de laatste zeshonderd jaar. Met een liniaal in de hand opende hij honderden kunstboeken en mat van elke kunstenaar het eerste portret dat hij tegenkwam.

Zijn bevindingen publiceerde hij vorige maand in het wetenschappelijke tijdschrift Nature. Het zou denkbaar zijn dat de 530 ogen van de geportretteerden willekeurig over het midden van het doek waren verspreid - een beetje schilder zet zijn onderwep immers centraal. In plaats daarvan vond Tyler een regelmatig patroon. Uit statististische analyse bleek dat één van de ogen van elk model vaker op de verticale symmetrie-as ligt dan volgens toeval het geval zou zijn.

'Zelfs frontale portretten, waar het gezicht op de meest symmetrische wijze wordt getoond, zijn niet typisch symmetrisch in het frame geplaatst', schrijft Tyler in Nature. Ook daarbij ligt één van de ogen vlakbij of óp de verticale symmetrie-as. Bij de enkele portretten die van opzij zijn geschilderd en waarvan maar één oog is te zien, vond Tyler geen bijzondere verdeling.

Tyler liep toevallig tegen het fenomeen aan toen hij voor een onderzoek naar de manier waarop mensen symmetrie waarnemen, veel plaatjes doormidden vouwde en merkte dat er wel erg vaak een oog op de vouw terechtkwam. Omdat er geen oude teksten bekend zijn waarin het centreren van de ogen van een portret als principe wordt genoemd, concludeert Tyler dat dit verschijnsel 'door de eeuwen heen en in een variatie aan verschillende kunstzinnige stijlen, in essentie onbewust moet zijn'.

Tyler bestrijdt dat esthetische concepten als de Gulden Snede er de oorzaak van zouden kunnen zijn dat de ogen op de verticale middenlijn terechtkomen. In dat geval zouden de ogen zich rond andere plekken op het doek hebben moeten centreren. Die Gulden Snede is een esthetische vorm, waarin lijnen en vlakken volgens een vast schema worden verdeeld.

'Tyler heeft gelijk', zegt dr. Albert van der Schoot, aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op onderzoek naar de Gulden Snede. 'Maar het effect is minder spectaculair dan het lijkt. Op grond van de door Tyler toegestane foutenmarge, tellen alle ogen mee die liggen op een deel van het schilderij ter grootte van wel 10 procent van het totale oppervlak. Dan kun je al snel concluderen dat je theorie klopt.'

Van der Schoot heeft waardering voor de eenvoudige truc die Tyler toepaste om een vooringenomen selectie van portretten te vermijden. Van elk boek dat hij in handen kreeg, nam hij alleen het eerste portret. 'Dat is een gezond uitgangspunt. Maar door te gaan meten aan 'het oog dat het dichtst bij de verticale as ligt, zoals Tyler deed, wek je wel een kleuring in de hand'.

Van der Schoot vindt de bevindingen van Tyler wel voor de hand liggen. 'Als je enige asymmetrie in de compositie aanbrengt, komt één van de ogen al gauw in de buurt van de middenlijn te staan', merkt de docent esthetica op.

Wie aan een serie pasfoto's meet, zal ook al gauw tot de conclusie komen dat heel wat ogen op of vlakbij de verticale as liggen. En dat terwijl bij zo'n foto nauwelijks sprake is van compositie. Mensen kijken slechts braaf naar een punt rechts van de lens, zodat hun hoofd in de voorgeschreven 'driekwart positie' is gedraaid. Een dergelijke houding lijkt wel een recept voor het centreren van een van de ogen.

D IT is typisch wat je krijgt als een buitenstaander zich met kunst bezighoudt, dacht prof. dr. Ernst van de Wetering, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, toen hij het Nature-artikel las. 'Vooral medici hebben daar last van en komen met theorieën dat El Greco astigmatisch en Van Gogh kleurenblind was, dat Rembrandt schurft had en de door hem geportretteerde Hendrikje Stoffels borstkanker.'

Het is bijna zonde om er aandacht aan te besteden, vindt de kunsthistoricus. 'Dan kijken ze naar de vorm van de figuren of de manier van verfgebruik en leiden daar van alles uit af, zonder dat ze rekening houden met de historische context; dat er een logische reden was waarom schilders bepaalde technieken gebruikten. Alleen bij Dick Ket klopt het wel. Die had een hartziekte en daardoor rare nagels en blauwe vingertoppen.'

Tyler haalt er zijn schouders over op. 'Het komt mij voor dat het juist de kunsthistorici zijn die met weinig substantiële theorieën op de proppen komen', kaatst hij terug. 'Ik kom met wetenschappelijke feiten van zorgvuldig onderzochte schilderijen.

'Als één enkele kunsthistoricus me ook maar één verwijzing naar een bepaalde interpretatie zou kunnen laten zien, zouden ze vanuit hun historische kennis meer recht van spreken hebben. Maar dat is niet zo. Dus ik denk dat ze het centreren van een oog als een nieuw feit zullen moeten accepteren.'

Kunsthistoricus Van de Wetering heeft ook geen bewezen interpretatie, maar ziet, net als Van der Schoot, vooral heil in de theorie van het gedraaide hoofd: 'Als je iemands gezicht draait, is er de natuurlijke behoefte om aan de kant van het gezicht meer ruimte te laten. Zet je het model meer naar het midden, dan wordt het al gauw raar.'

Datzelfde denkt dr. Rudi Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en erkend portrettenspecialist. De ontdekking dat de meeste portretten één oog rond de middenas van het schilderij hebben, verrast hem dan ook niet. 'Maar of het bewust is gedaan, is een tweede. Uit oude tractaten is er mij geen regel over bekend.'

Het argument dat schilders hun modellen meer ruimte aan de gezichtskant geven, vindt Tyler niet valide. Kenners zeggen volgens hem dat schilders de neiging hebben hun portretten juist wél in het centrum te zetten.

'Ook al denken velen dat een gedraaid gezicht meer ruimte moet krijgen, is dat in feite zelden het geval. Netzomin als in bijvoorbeeld de Mona Lisa. En als asymmetrie zo wenselijk is, waarom zou het hoofd - dat meestal slechts zo'n 20 procent van het doek beslaat - dan zo dicht in de buurt van het centrum blijven?'

Maarten Evenblij

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden