Het broeien en smeulen van dierlijke driften

Ze schildert bij voorkeur meisjes; van alle leeftijden, diverse allure en uiteenlopend allooi, als baby, moeder, stoeipoes, maagd en superster....

CUPIDO, het mollige hartendiefje dat er in eeuwen op kon vertrouwen dat hij door schilders werd opgehemeld, zal zich nog moeten wapenen om zijn engeleneer te redden. Marlene Dumas (1953, Zuid-Afrika) zet hem te kijk als een konkelaar, geen koppelaar. Zij schildert de valse verlokkingen van de liefde, en op hetzelfde moment de bedrieglijke schoonheid van de kunst.

Het één is bij Dumas een metafoor voor het ander, omdat beiden lijden aan dezelfde kwade trouw. De liefdeslust en die voor de kunst: ze begoochelen de zinnen en grossieren in overeenkomstige desillusies. De geliefde kan wegwandelen; het mooiste meisje is niet van vlees en bloed, maar een portret. Door haar aderen stroomt slechts verf.

Don't you mess with Cupid, 'cause Cupid ain't stupid, waarschuwt Dumas in één van haar aantekeningen, en wie zijn oren spitst kan horen hoe ze daarbij een lachbui onderdrukt, want zelf dolt de kunstenares de hele tijd met het liefdesgodje. Ze richt de ene na de andere pijl op zijn onschuldige verschijning. Al haar vrouwelijke charmes, levenservaring en schildervernuft, tot en met de cheap tricks van de hoerenmadam, werpt ze in de strijd om hem te ontmaskeren als een kleine infiltrant.

Ook waar zij het spel met hem meespeelt, delft hij het onderspit. Dumas schildert figuren en gezichten in close-up, soms van mannen en jongens, maar de vrouwen krijgen voorrang: meisjes van alle leeftijden, diverse allure en uiteenlopend allooi, als baby, moeder, stoeipoes, maagd en superster. Dumas doft haar modellen op. Ze brengt hen in het gevlij bij potentiële aanbidders - ofwel kopers van kunst. Haar tekenkist is een beauty-case; haar schildergerei doet dienst als lipstick of poederkwast.

Met diezelfde poederkwasten en in Oost-Indische inkt gedrenkte oogpenselen smeert de kunstenares echter ook de uitgelopen make-up van haar heldinnen over het papier en in het doek. Bij haar veinst de schoonheid geen onschuld. Over haar gezicht valt de schaduw van misverstanden die mensen elkaar bereiden, in helle en duistere vlekken. 'Ik schilder omdat ik een vieze vrouw ben. (Schilderen is een smerig karwei.)', schrijft Dumas.

In haar portrettengalerij wedijvert de opsmuk met de ontluistering; de begeerte met de frustraties over nimmer ingeloste lust. Haar vrouwen kunnen lonken als de besten - de witte wand van museum of galerie veroordeelt hen tot de eenzaamheid. Muurbloemen zullen het blijven, zelfs de fleurigsten onder hen. Hun zoete blos van verlangen ontaardt even verderop in twee hoogrode konen van dronkenschap, of verwatert in een troebel spoor van tranen, vermengd met mascara.

'De muze is uitgeput, veel te veel lichamen, veel te weinig soul. Zij lijdt aan de porno blues,' erkent de kunstenares, met mededogen en spijt, misschien, maar dan toch zonder zich daardoor te laten ontmoedigen.

Sinds Marlene Dumas in 1977, op haar 23ste, uit Zuid-Afrika naar Nederland kwam, heeft ze een van erotische zinderingen doortrokken oeuvre opgebouwd, zo onweerstaanbaar (droef)geestig, stoutmoedig en expressief, dat de wereld haar en haar zusters in de liefde en de smart niet meer weg kan denken. Het is of zij er altijd al waren: veeleisende minnaressen die hun onmogelijke avonturen met ons delen. Maar hoe na zij ons nu ook aan het hart liggen, zo veel te meer ongerijmd waren hun ontboezemingen bij de eerste ontmoeting.

Toen zij hun entree maakten, was de schilderkunst sober en abstract. Ze was, plastische uitspattingen van een enkeling als Francis Bacon daargelaten, zowel in het binnen- als in het buitenland grondig van menselijke hartstochten gezuiverd. Dumas had moeite met die properheid op het doek en, in Nederland, met de ingeperkte gezelligheid thuis. I won't have a potplant, kraste ze vlak na haar komst, in recalcitrante hanenpoten boven een grof geschetste clivia.

Ze vroeg zich af: 'Waar is de erotiek in de kunst van mijn generatie? Mijn generatie verkiest de zuivere leegte zelfs boven seks. Ze zijn zo gevoelig, ze zijn allergisch voor elkaar.' Dumas ontketende de passie. 'Als het werkt', verkondigde ze, 'roept mijn werk een fysieke sensatie op. Ik ben geen stilist, ik ben een sensualist.'

EN ZE sterkte de schilderkunst met het temperament van een wispelturige diva, aan wier borende, smachtende, spottende en kwijnende oogopslag niet meer valt te ontkomen. Ze achtervolgt en vergezelt het publiek, letterlijk en figuurlijk: uit en thuis, want ook de liefhebbers die haar kostbare escorts niet kunnen betalen of zich niet willen compromitteren met een levensgrote pin-up in de woonkamer, weten zich nu getroost. Zij kunnen zich amuseren met Marlene Dumas: de pas gepubliceerde monografie.

Het boek bevat een overzicht van de tekeningen, schilderijen en notities waarmee de kunstenares internationaal haar faam gevestigd heeft. Het portretteert Dumas via haar werk, in een informeel interview, een heldere kunsthistorische analyse, twee uitstapjes naar de literatuur (verhalen van Oscar Wilde en Jean Genet) en één naar het theater, of beter de nachtclub: het domein van Josephine Baker. Aan haar wordt een apart hoofdstuk gewijd, vermoedelijk omdat zij één van de heldinnen is, die Dumas' vermoeide muze weten op te beuren.

Aanvankelijk portretteerde de kunstenares zichzelf, haar (ex)geliefden en haar pasgeboren dochter. Ze schilderde naar eigenhandig geschoten kiekjes, die ze opblies tot onheilspellende close-ups. Met haar kwast, gedoopt in infrarood en ultraviolet, onthulde ze wat voor de camera verborgen bleef: het broeien en smeulen van dierlijke driften. 'Een foto kun je nemen, een schilderij moet je maken', betoogde Dumas, die vervolgens ook de gladste momentopnamen naar haar hand zou zetten.

Bij het gezelschap van verwanten die hun ware aard gewoonlijk evengoed maskeren, voegden zich gaandeweg de opdringerige modellen uit de wereld van de reclame, de mode en de showbusiness: populaire schoonheidskoninginnen uit blinkende tijdschriften of onvermoeibare seksbommen uit ranzige tv-programma's laat op de avond. What happened to our animal nature? It ended up the catwalk, concludeerde de kunstenares, gefascineerd door het uiterlijk vertoon, waar ook elk schilderij op aangewezen is.

Dumas doet daar niet moeilijk over. Ze neemt een voorbeeld aan de sterren en verpakt haar kritiek in zinnenprikkelende poses. Uit de kringloop van beelden in de massamedia, pikt ze op wat van haar gading is: 'Ik handel in tweedehands beelden en eerstehands ervaringen.'

Josephine Baker in haar bananenrokje belichaamt tegelijk de macht van de imago-makers en de sensuele vrijheid van de naakte wilde. Ze is zowel een ikoon, een voor de camera's geperfectioneerd fenomeen, als een exotische fantasie, ontsproten aan het vooroordeel. Dumas - 'give the people what they want' - komt aan dat vooroordeel tegemoet, en gaat eraan voorbij.

Zij betrapt Josephine achter de coulissen, als ze net een sluier voor haar lichaam trekt, in een dubieus verweer tegen het onverwachte voyeurisme. De zwarte sluier verhult en onthult haar naakte huid. Dumas verkent de nuances van die kleur, tevens de kleur van de nacht en de rouw, die door haar voorgangers en leermeesters in de schilderkunst als een nonkleur werd beschouwd: coloristen konden er maar beter zuinig mee omgaan.

DUMAS BUIT het zwart uit. Ze verkiest het boven het bruin, om ogen te doen glinsteren en in die zielenspiegels afgronden te ontsluiten. Ze kantelt en keert de schone schijn in een bonte mengeling van stereotypen en metaforen over de complexe relaties tussen nep en echt, man en vrouw, blank en zwart. Haar verleidingskunsten zijn kleurrijker dan de reclame: nooit witter dan witter, maar wel even bedrieglijk.

'Ik schilder omdat ik een artificiële blondine ben. (Brunettes hebben geen excuus.) Als het in alle goede schilderkunst om de kleur gaat, gaat het in slechte schilderkunst om de verkeerde kleur. Maar slechte dingen kunnen goede excuses zijn. Zoals Sharon Stone gezegd heeft: blond zijn is een fantastisch excuus. Als je een slechte dag hebt kun je zeggen: ik kan het niet helpen, ik voel me vandaag nou eenmaal vreselijk blond.'

Dumas hecht aan de woorden evenveel, of weinig, waarde als aan de beelden. De taal en het teken: ze lenen zich beide voor de lieve leugens waar geen kunstenaar, minnaar of minnaar van de kunst aan ontkomt. Ze delen, wat Dumas betreft, in 'de roes die voortvloeit uit het draaien van de wereld'. Sweet Nothings heet haar tekstbundel uit 1998, naar het door haar met smaak geciteerde liedje: 'My baby whispers in my ear, Mmmmm... Sweet Nothin's, He knows the things I like to hear...'

Haar expressieve vrouwen van verdriet en meisjes van plezier zijn waar voor wie ze wíl geloven. Moeilijk is dat niet, om met wijdopen ogen in die val te stappen, want de kunstenares is, zoals Dominic van den Boogerd schrijft in haar nieuwste monografie, een professional pretender - een vakkundige komediant, die Cupido de loef afsteekt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden