'Het boek is een handelsproduct, net als schoensmeer'

In 'Weverbergh '30-'70 - Herinneringen van een letterkundig omnivoor' memoreert oud-uitgever Julien Weverbergh de dolle jaren zestig. Ooit was hij de mandarijn van de Vlaamse letteren, een gevreesd polemist....

'Ik was ontgoocheld', zegt Julien Weverbergh (1930) over zijn dollejaren zestig en zijn bokkensprongen in de Vlaamse literatuur, 'hoewel alsgeboren cynicus niet verbitterd'. Zijn vertedering 'voor het schrijvendegenus mens daalde onder het nulpunt'. Hij had misprijzen voor deliteratuur. Weverbergh gaf boeken uit van Jos Vandeloo ('de alom over hetpaard getilde schijnauteur') en Ward Ruyslinck ('het genie dat ik toen alals schrijver misprees' en 'die zijn vrouw, die zich in de kelder van hunhuis verhing, eigenlijk heeft vermoord'), maar ja, dat kun je nietontkennen, ook het boek 'is een handelsproduct zoals tomatensap ofschoensmeer'. Weliswaar heeft hij zich in zijn uitgeversjaren bij Manteaunooit bezondigd aan het uitgeven van pulp, 'maar wel - als je al van zondekan spreken - van werk dat door de smaakmakers en ook mijzelf lager werdingeschat dan wat als acceptabele literaire norm werd gesteld'.

'Op 6 september 1970', schreef Weverbergh in het literaire tijdschriftDe Vlaamse Gids, 'is literatuur voor mij het volgende: een reeks tekstendie tussen de honderdduizenden tonnen bedrukt papier door smaakmakersuitgekozen worden en als zodanig, als literatuur dus, bepaald worden.' Nogvoor hij bij Manteau als uitgever het voortouw nam, sprak hij dat jaar opde druk bezochte dagen van De Vlaamse Gids zijn 'negatieve literaire credo'uit. 'Literatuur is een met stro opgezette mummie.'

Voor die tijd, in de jaren zestig, was Weverbergh - toen nog weverberghmet een kleine w - een strijdvaardig criticus, uitgever van hetgestencilde polemische tijdschrift Bok, en 'verzamelaar' van literatuur,'eeuwig op jacht naar bedrukt en gebonden papier, eeuwig vechtend tegen hetgebrek aan boekenplanken'.

In 1966 zette 'de toentertijd prominentste literaire uitgeverij inVlaanderen de deuren wijd voor mij open'. Weverbergh stichtte bij Manteauals onafhankelijk redacteur de boekreeks 'De Vijfde Meridiaan', kweekvijvervan nieuw talent - Jeroen Brouwers, Hans Plomp, Daniël Robberechts,Adriaan Venema, Peter Andriesse. In die jaren 'werd me een verfoeide kroonop het hoofd gezet: die van mandarijn'. Voor de buitenwereld althans,verzekert Weverbergh, 'want tot op het einde ben ik in wezen eenbuitenstaander, een vreemde ongrijpbare vogel gebleven'.

Eind 1970 veranderde hij zijn schrijversnaam in het doodgewone JulienWeverbergh. Al geruime tijd twijfelde hij aan de waarde en de zin van deliteratuur. 'Geen hond interesseert zich nog aan literatuur', schreef hijin zijn boek Puin (1970). 'Literatuur sterft langzaam aan haaroverbodigheid.' Toch werd Weverbergh uitgever. 'Tussen een middelmatigeschrijver en een betere uitgever heb ik bewust voor de laatste optiegekozen.'

Later verkocht hij ook zijn boeken, het verzamelde werk van velehonderden schrijvers. 'Velen die als groten van hun tijd werden beschouwd,'schrijft hij in zijn memoires, 'zijn onder het stof van het zuurrijke enkruimelig bedrukte papier verdwenen'. Zeg mij, verzucht Weverbergh,'romans, verhalen, novellen, wie heeft daar na zijn veertigste god nog aantoe behoefte aan? Wie leest nog dat fictieve, zogezegd scheppendepsychologisch-filosofische belletristisch proza? Zijn er ooit romansgepubliceerd die thuishoren in de rij van de honderd boeken die hetmenselijk denken ingrijpend hebben beïnvloed?'

Hij schreef zijn Herinneringen van een letterkundig omnivoor op'heldhaftig aandringen van Jeroen Brouwers', zoals in 1969 Brouwers'Groetjes uit Brussel - Ansichtkaarten over liefde, literatuur en dood was'geschreven op heldhaftig aandringen van Julien Weverbergh'. Het boek ishet tweede deel van zijn memoires. In 1994 publiceerde hij De voorwerpenover zijn ouders en zijn jeugdjaren. In het derde deel - 'Zal ik het ooitnog eens schrijven?' - wil Weverbergh 'de meest curieuze en rijkstevriendschapsrelatie in mijn leven' portretteren: Jeroen Brouwers.

Voor Weverbergh is die vriendschap, ondanks het gepolemiseer over'Weverbergh en ergher' en over Manteau van Brouwers, 'voor de verdereopbouw van mijn persoonlijkheid belangrijker geweest dan het redacteurschapvan De Vijfde Meridiaan'. Weverbergh geeft het toe: hij heeft eenolifantenhuid. Hoe had hij anders de scheldkronieken van Brouwers kunnenverteren? 'Het is een betonnen vriendschap. Wij begrijpen elkaar volkomen.Eén of twee woorden is genoeg, dan lachen we al. Ik heb Brouwers, toen hijout was omwille van een ongelukkige liefde, weer aan het schrijven gezet,met de zweep bij wijze van spreken.'

'Weverbergh schopt tegen vele schenen', kopte het Utrechts Nieuwsbladin 1965. Jan Walravens had het over het gestencilde tijdschrift Bok waarinweverbergh (met kleine w) de ene schrijver na de andere te lijf ging, 'nietin de geringste mate Willem Frederik Hermans, wiens talent hij natuurlijkerkent, maar die hij toch op enkele zeer gevoelige plekken heeftgetroffen'. Bok, op geelachtig pluizig papier gedrukt, was Weverberghsspreekbuis. 'Ik liet me nooit tot polemiek verleiden als er geen op feitengebaseerde argumenten te berde werden gebracht. Uit persoonlijke rancuneiemand te lijf gaan stond niet in mijn programma en ligt niet in mijnkarakter.'

Weverbergh was in die tijd een tomeloos schrijver. Hij verzette zichheftig tegen de Vlaamse schimmelcultuur, 'een bacillencultuur'. Vooral deliteratuurwetenschappers moesten het bij Weverbergh ontgelden. 'Deletterkunde als wetenschap is één grote blaas, een dwaas en nutteloosschouwtoneel waar bewierokers onze cultuur injecteren met iets wat niet iswat het lijkt. Het zijn bouwers van niet meer dan decors en ze zingen zovals als een pauw terwijl ze zich nachtegalen wanen.'

Hij portretteert in zijn herinneringen zijn medestanders en vriendeneven genadeloos als zijn uitgesproken vijanden. Weverbergh hanteert hetfileermesje. Herman Teirlinck is 'de paus van Beersel', Herwig Leus is eenMefistofeles, Maurice Roelants een 'grootmandarijn', Freddy de Vree een'geletterde snoever', Hedwig Speliers 'een achterbakse would-bedocumentenverzamelaar', George Adé een 'rechtse slippendrager', HenriFloris Jespers een 'slijmbal', Adriaan Venema een leugenaar en'onscrupuleuze streber' ('Zoals bij veel van wat Venema ooit neerschreef,moet je hem niet geloven'), Daniël Robberechts een kamergeleerde, 'deonbekendste erkende schrijver van Vlaanderen'. Weverbergh spaart niemand.

De literatuur volgt hij niet meer. Althans niet meer met dezelfde ijveren belangstelling als vroeger. 'Literatuur is ontspanning, het verkooptgoed maar het is geen echte literatuur.' Een Herman Brusselmans zou hijnooit uitgeven. Uitgeverijen, zegt Weverbergh, 'hebben geen identiteitmeer'. Hij kocht vroeger alle boeken van De Bezige Bij, dat was eenprogramma, je wist wat je kocht, de uitgever had een keuze gemaakt, geengokje gewaagd.

'Uitgeverijen hebben geen smoel meer, geen gezicht. We hadden bij DeVijfde Meridiaan een programma, criteria. We wilden geen dogmatische koersvolgen. Er moesten zowel Noord- als Zuid-Nederlandse auteurs gepubliceerdworden, de auteurs moesten jong, liefst debutant zijn en voorzover mogelijkfulltime-schrijvers zijn. Van de zeventien auteurs die tezamen van 1968 tot1971 22 boeken in de Vijfde Meridiaan-reeks publiceerden, waren er achtNederlanders en negen Vlamingen. Dat is een unicum in de literaire Vlaamseuitgeversgeschiedenis: Nederlandse schrijvers van literatuur publiceerdennooit ofte nimmer in Vlaanderen, behalve als ze zoals Brouwers nauw met hetVlaamse bedrijf verbonden waren. Na hun Manteau-avontuur zijn ze overigensalle acht naar de thuishaven teruggekeerd, Brouwers incluis.

'Ik erken in Vlaanderen, het land van de dichters', zegt Weverbergh,'voorlopig als wezenlijke schrijvers slechts Boon. En misschien Walschap.De rest zijn slechts schrijvelaars, estheten, die een mooie zin, eenacceptabele constructie, een behoorlijke vertelling verwarren met watliteratuur in de eerste plaats toch moet zijn: bloedige getuigenis.' Inzijn dagboek schreef Weverbergh: 'Literatuur heeft niks te maken met hetbreien van romannetjes, heeft niks te maken met goed' of schoon'schrijven; literatuur is het leven zélf, is het schrijven met de punt vanhet hart, is haast anti-esthetisch. Onze Vlaamse schrijvers zijn allenaanhangers van de valse schijn, het zijn geen schrijvers maar literaten,scribenten.'

Maar waarom hield hij op? Waarom werd Weverbergh een schrijver vanboeken over uitvindingen en vliegende schotels? Jarenlang verslond hij'gedrukt papier als een veelvraat, er stond een boek per dag op het menu'.Hij hield dagboeken bij met literatuurnotities. Hij schreef in 1962:'Buiten Ter Braak, Multatuli en Eddy du Perron boeit in de Nederlandseletteren geen enkele auteur me nog - zelfs Boon staat in vergelijking metdeze eenzame reuzen achter in de rij.' Hij werd zich ervan bewust 'dat ikeen instituut dreigde te worden, een polemiekenfabriekje, een boegbeeld vanhet Oproer tegen het Gezag, een mannetjesputter met veel kapsones die nietterugdeinsde om te uiten wat de anderen dachten en achter de handfluisterden maar niet op papier durfden te zetten'. Weverbergh wilde nietlanger een 'boze jongen' zijn, en hield op met Bok, en werd uitgever.

De 'gestencilde revolutie', zoals die jaren van Vlaamse literaireblaadjes als Bok, Komma of Robberechts' Schrift door criticus Paul van Akenwas genoemd, Weverberghs miniprivé-revolutie, was geluwd. Vroeger was hijervan overtuigd dat je 'literatuur moet drinken, het is een narcoticum'.Weverbergh koketteerde ooit met purperen inkt, we waren 'de purperen stoutejongens'. Herwig Leus liet zelfs zijn auto lila spuiten. 'Ons gebruik vanpaarse kleur had net zoveel te maken met ernstig denkwerk als dehersenspinsels van pseudo-psychologen. Niks dus.'

'Is alles waar?', schrijft Weverbergh voor in het boek. 'Ja en neen.Ja, alles is waar zoals ik het in mijn memorie heb opgeslagen. Neen, omdathet zeker geen objectief verslag is van evenementen uit mijn leven. Ik voersubjectiviteit nu eenmaal hoog in het vaandel. Het kan dat data nietkloppen, dat ontmoetingen op andere plaatsen en bij andere gelegenhedenhebben plaatsgevonden. Maar opzettelijke verfraaiing van mijn handel ofwandel is niet gebeurd.' Hij heeft het literaire spel met plezier steedsmeegespeeld, zegt Weverbergh. 'Maar dan wel monkelend en me bewust van deonzinnige nutteloosheid van de letterkunde als instituut en academischediscipline.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden