Het blijft moeilijk met die italianisanten

De Europese kunstgeschiedenis is maar nationalistisch, vindt Henk van Os, hoogleraar Kunst en samenleving in Amsterdam. Twee jaar geleden publiceerde hij er een stuk over....

Naar Italië bijvoorbeeld. Het land van alles waar een kunstenaar maar in geïnteresseerd kan zijn: goede voorbeelden uit de klassieke oudheid, hoge bergen, een laaghangend warm zonnetje, en nog heel veel meer dat erbij gedroomd kan worden. Italië werd een vat vol dromen. En dát werd verbeeld door al die kunstenaars.

Er is iets vreemds met de italianiserende kunst. Vier eeuwen lang floreerde hij, maar sinds begin 20ste eeuw lijkt er maar weinig aandacht voor te zijn. Dát er (te) weinig aandacht voor is, wordt sinds een aantal jaren door meerdere musea en mensen geroepen. Onder anderen door Henk van Os.

Hij stelde Droom van Italië samen, nu in het Haagse Mauritshuis – een tentoonstelling over vier eeuwen Italië-manie, vierhonderd jaar beeldvorming toen er nog geen camera’s bestonden. En dat gaat dus vooral over een in vier eeuwen opgebouwde mythe.

Die mythe begint vrij nuchter, zo laat het Mauritshuis zien, en wordt met de jaren dromeriger. Terwijl de tekeningen en schilderijen in de 16de eeuw nog een beetje op reisverslagen in beeld lijken – het Forum Romanum, De doornuittrekker en Apollo Belvedère, soms met de kunstenaar als getuige erbij – gaat het in de 19de eeuw om het ‘innerlijke Italië-gevoel’. Smachtend hangt een reusachtige dame op haar elleboog te staren naar een ver eiland overzee – het is weliswaar de Griekse Iphigenia, maar het land waar ze naar verlangt, dat is toch echt Italië. En bij het mooie Gezicht op de Dogana en de kerk van San Giorgio dat J.M.W. Turner maakte in 1842, lost het zicht op Venetië bijna op in een mist. Niet het onderwerp, maar alles wat er tussen de kunstenaar en zijn onderwerp in stond, was belangrijk.

Het concept is sterk, want het biedt de makers de mogelijkheid om eigenlijk gewoon een beknopte kunstgeschiedenisles te geven. Van de Renaissance via de Romantiek naar het Impressionisme en alles ertussen. En van een kunstopvatting waarin kennis centraal stond via de emanciperende kunstenaar tot de schilder als totaal in zichzelf gekeerde bohémien. Allemaal waren ze op hun eigen manier met Italië bezig.

Henk van Os doet in de catalogus en de begeleidende audiotour de variaties van dit ‘dromen over Italië’ uitgebreid uit de doeken. Zijn verhalende methode en toon zijn voor veel mensen vertrouwd – het verschilt niet van zijn televisieprogramma Beeldenstorm. Daarmee is Droom van Italië een soort interactieve versie van dit populaire programma. Het is duidelijk dat Van Os met de tentoonstelling niet alleen kennis wil overbrengen maar vooral het dromen over Italië zelf wil oproepen. Een land dat zoveel kunstenaars geïnspireerd heeft, dat moet een magisch land zijn.

Zijn methode is effectief, behalve voor wie de audiotour niet meeneemt. Italië blijkt als onderwerp immers ook een kapstok om kunst onder te brengen die hooguit een schamele decoratieve functie heeft. Want een deel van de schilderijen dat er hangt, verdraagt de kwaliteit van de betere schilderijen nauwelijks, en blijft wankel overeind of wordt totaal verpletterd. Zou er misschien een reden zijn dat het publiek de namen Van Wittel, Fohr, Blechen, Eckersberg, Hansen, Denis en Pitloo niet kende voor deze tentoonstelling?

Het moet gezegd – Van Os weet ze naadloos te passen in het lopende verhaal. Bij ieder schilderij wordt een deeltje van de grote, langdurige kunstenaarsdroom verduidelijkt. Maar voor de kijker die de schilderijen en de tentoonstelling op de eigen merites wil beoordelen, zonder de tekst erbij, zijn deze zwakke schilderijen overbodig en zelfs storend naast mooie werken van Corot, Jan Both, Jan Asselijn, Poussin en Lorrain.

Het blijft moeilijk met die italianisanten. Misschien wel juist omdat ze hun landsgrens overschreden. De landschapsschilder John Constable gaf in 1836 een lezing in de Londense Royal Academy waarin hij de Hollandse italianisanten Both en Berchem een ‘onverenigbare mix van Hollandse en Italiaanse smaak, die een bastaard-stijl van landschapschilderen oplevert, verstoken van de kwaliteiten van beide’ verwijt. Aan een vriend schreef hij voorafgaand ‘te hopen die Both en Berchem af te maken’ in de lezing.

De italianiserende kunst levert een veelheid van stijlen op, die soms tot authentieke nieuwe werken leidt, zoals bij Lorrain en Corot. Een enkel totaal onbekend werk in de tentoonstelling levert een verraste blik op, zoals het schetsje van een muur met een klein balkonnetje in Napels, van de Engelse Thomas Jones; een bijzonder abstract stukje voor zijn tijd: 1782. Maar Droom van Italië is een vertelling die het meer moet hebben van zijn cultuurhistorische waarde, dan van de kwaliteit van de gepresenteerde kunstwerken.

Den Haag, Mauritshuis (Korte Vijverberg 8): Droom van Italië, liefde voor Italië in vier eeuwen schilderkunst van Poussin, Turner, Ingres e.a. Samengesteld door Henk van Os, t/m 25 juni; di t/m za 10-17u zo 11-17u. Tel. 070-3023435 (www.mauritshuis.nl).tip

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.