HET BLIJFT EEN MENING

Bordjes verdwijnen uit een museum, een keuringsrapport gaat de la in: barstjes in het aureool van de kunstexpert. ‘Er heerst een groot gebrek aan kennis.’..

De mededeling staat op een A4’tje, opgehangen bij de entree van de toonzaal vol 19de-eeuwse meesters: no. 270 is teruggetrokken. Een zomers rivierenlandschap met een tolpoort van Charles Leickert (1816-1907) zal bij nader inzien later in de week niet bij Christie’s worden geveild: tijdens de kijkdagen hadden handelaren het veilinghuis erop gewezen dat het werk, aangeprezen als een ‘buitengewoon voorbeeld van Leickerts vaardigheid verschillende elementen te plaatsen die hij in het echt had gezien’, volgens hen van veel recentere datum moest zijn.

Kleine kniebuiging van David Kleiweg de Zwaan (30), expert 19de-eeuwse Europese kunst. Inderdaad, misschien is er iets over het hoofd gezien. ‘Deze Leickert maakte deel uit van een prachtverzameling van tientallen schilderijen. Dat kan verblindend werken. Maar dat er iets niet klopt, staat niet vast.’ Dan nog: één twijfelgeval tussen een veiling van driehonderd kavels, dat is ‘zo slecht nog niet’.

Maar het gemene volk twijfelt niet zo snel aan de autoriteit van een kunstexpert. Diezelfde week heeft Kleiweg de Zwaan zich met enkele collega’s geïnstalleerd in de textielzaal van het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden. Christie’s houdt taxatiedag. Kunst en kitsch, maar dan alleen voor schilderijen en zonder camera’s. In de hal beneden melden zich de leken, hun vermeende onbekende meester gestopt in Komo-zak of gewikkeld in dekens. Kleiweg de Zwaan, het vuistdikke standaardwerk van Pieter A. Scheen Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950 onder handbereik, velt snel zijn oordeel. Zijn eufemismen voor prullaria: ‘Dit is van een verdienstelijke amateur.’ Of: ‘Het is vooral van decoratieve waarde.’ De inbrengers knikken begripvol. ‘Ja, zoiets dacht ik al.’

Binnen tien minuten komen uitersten van het spectrum voorbij. Drie gezusters laten een werk zien dat altijd in het bezit is geweest van grootvader. Kleiweg de Zwaan is onmiddellijk enthousiast. Een J.H. Weissenbruch (1824-1903)! Meester van de Haagse school. Een goed geprepareerd paneel, dat was de expert al snel opgevallen. Een vennetje tussen bomen. Vuil heeft zich tussen de verf genesteld. ‘Zo laten, hoor!’, bezweert Kleiweg. Veilinghuizen hebben ze graag zo: marktfris. Schilderijen waaraan niets is gebeurd, die tientallen jaren niet van eigenaar zijn veranderd. ‘Dit is 40 duizend euro waard, maar kan op een veiling wel 100 duizend opbrengen’, spiegelt hij de dames voor. ‘Wel gek’, zegt een van de zussen. ‘Tien jaar geleden hebben we het in Den Haag laten taxeren. Toen was het tienduizend gulden waard.’ ‘Dat’, antwoordt de expert, ‘was een lage taxatie.’

Dan meldt zich een echtpaar, met een havengezicht van impressionist J.H. van Mastenbroek (1875-1945). Het is van een neef uit Frankrijk. Die had het in Engeland gekocht, op een veiling. Kleiweg tuurt eens naar de handtekening, draait het doek om en trekt zijn conclusie. ‘Dit is niet van Van Mastenbroek.’ De signatuur deugt niet, de uitwerking van de details komt niet overeen met die van de beweerde kunstenaar, het spieraam is veel te simpel voor een schilder van dit kaliber. ‘Die handtekening kan er beter niet op staan. Nu pretendeert het werk iets te zijn wat het niet is.’ Het echtpaar berust. ‘We zullen het doorgeven.’

Hier, onder het toeziend oog van in verf vereeuwigde Leidse notabelen aan de muur, heeft de expert het duidelijk voor het zeggen, maar de praktijk leert dat het aureool van deskundigheid geregeld barstjes vertoont. Het zijn niet zulke deuken als de naoorlogse kwestie rondom de vervalste Vermeers veroorzaakte, toen de bedrieger Han van Meegeren zelf maar opbiechtte dat experts van naam en faam er waren ingetuind.

Maar recent dook de vraag weer op wat hun mening nu eigenlijk waard is. Hebben de deskundigen bij Christie’s zitten slapen toen ze in september een schilderij van Frits Mondriaan in de catalogus opnamen, terwijl het misschien wel een Piet was – neef, beter en beroemder? (Zie inzet.) Bij het opnieuw opduiken van vervalste schilderijen van de Groninger kunstenaarsgroep De Ploeg viel de wispelturigheid van de deskundigen op. Zo keurde Ploeg-kenner J. van den Hende aanvankelijk schilderijen uit het genre goed, maar trok hij onmiddellijk zijn rapport in toen bleek dat het werk afkomstig was van de schilder Cor van Loenen, volgens velen in de kunstwereld de bron van de vervalsingen.

De Leidse antropoloog Henk Tromp deed ook nog een duit in het zakje. Hij onderzocht voor zijn net verschenen boek De strijd om de Echte Vincent van Gogh (uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam) de rol van kunstexperts in de discussie over de authenticiteit van het oeuvre. Hoewel zijn studie stopt in 1970, zijn de mechanismen waarop hij stuitte volgens hem nog altijd actueel: de waarheid delft nog wel eens het onderspit als er financiële belangen of prestige op het spel staan. Toen kunstexpert J.B. de la Faille in 1928 ontdekte dat zijn oeuvrecatalogus van Van Gogh tientallen valse werken bevatte en dat wilde corrigeren, ontketende dat heftig verzet van onder anderen handelaren en verzamelaars; De la Faille kwam zelfs weer terug op zijn correcties.

Als recent voorbeeld noemt Tromp de in september beëindigde expositie van de neo-impressionist Théo van Rysselberghe (1862-1926) in het Haagse Gemeentemuseum. Er hing werk waarover twijfels bestonden. Bordjes ‘toegeschreven aan’ – lees: herkomst twijfelachtig – zijn verwijderd op aandringen van de organisator, de Belgische kunsthandelaar Olivier Bertrand die het gros van de collectie leverde. Het museum zwichtte: sluiting van de tentoonstelling dreigde. Volgens Tromp wordt vaker gepoogd omstreden werk met een plekje op een museale tentoonstelling de status van echtheid te bezorgen.

Tromp stelt vast dat in de branche ethiek nauwelijks een onderwerp is. Ook op de opleiding tot kunsthistoricus is er nauwelijks aandacht voor. Zijn verklaring? ‘Het is een gevoelig thema. De ervaring leert dat wie zijn vinger opsteekt, er rekening mee moet houden dat er al snel iemand zal opstaan die het tegendeel beweert. Het is bovendien een klein kringetje. De expert komt vaak uit dezelfde sociale omgeving als de kopers en de verkopers.’

Enige discretie is niet verkeerd, meent Tromp, maar geheimzinnigheid ligt al snel om de hoek. ‘Het is toch wel belangrijk dat je als expert een soort toetsing kunt maken. Wat vertel je de eigenaar precies? Moet je bijvoorbeeld aangifte doen als je weet dat iemand de boel vervalst? Hoe gedraag je je tegenover collega’s? Er is toch ook zoiets als wetenschappelijke integriteit.’

Weer terug in Christie’s demonstreert expert Kleiweg de Zwaan in de toonzaal met romantische meesters – de veiling zou later die week recordbedragen opbrengen – onderdelen van het wapenarsenaal dat de voorgeschiedenis van de werken kan blootleggen. In tegenstelling tot de beeldvorming is de alledaagse praktijk van de expert niet die van de röntgenapparatuur, ontleding van verfbestanddelen en dendrochronologische metingen. Hij let bijvoorbeeld op het kleurenpalet. Als groene en bruine pigmenten zijn vervaagd, duidt dat op veel schoonmaakbeurten; die kleuren krijgen het als eerste moeilijk onder gomterpentijn. Een UV-lamp brengt correcties op schilderijen aan het licht: donkere plekken duiden erop dat het doek is bijgewerkt.

Geregeld tilt hij een meester van de haak en bestudeert de achterkant. Die is met mogelijke aantekeningen, etiketten en verstevigingen aan het spieraam vaak veelzeggender dan de voorstelling zelf. Beneden liggen naslagwerken. Geregeld wordt de gang gemaakt naar de Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag, waar de archieven vol zitten met informatie over schilders en hun oeuvre. ‘En als we er niet uitkomen, dan zullen we niet aarzelen experts buitenshuis te raadplegen die juist weer veel van een bepaalde kunstenaar weten.’

Maar het belangrijkste instrument, zegt Kleiweg, is toch wel ‘het geoefend oog’. Dat geeft hem het predicaat expert; diploma’s zijn niet vereist. Hij volgde een opleiding kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en had betrekkingen bij concurrent Sotheby’s en het Stedelijk Museum. ‘Ik zit nu tien jaar in de business. Er zijn duizenden schilderijen door mijn handen gegaan. Zo leer je wel kijken.’

Er zijn er die twijfels hebben. De werkelijkheid achter de missers zou veel prozaïscher zijn. ‘Er heerst in de wereld van experts een groot gebrek aan kennis.’ Kunstexpert Willem Baars, een sjaal om de hals gedrapeerd, een Louis Vuitton-tas onder de arm, laveert door de gangen en huiskamer in wat je zelfs voor Vechtstreek-begrippen een weelderig huis kunt noemen. Klassieke en hedendaagse objecten wisselen elkaar af. De precieze locatie dient om redenen van discretie onvermeld te blijven.

Baars is specialist in kunst uit de 20ste eeuw en Nederlandse avant-garde. Hij geldt als enfant terrible – al moet het wat hem betreft maar eens afgelopen zijn met die status. Een enfant is hij op zijn 37ste zéker niet meer, en uit op een rel is hij evenmin: ‘Ik doe het uit liefde voor de kunst.’ Voor Het Parool schreef hij vileine artikelen over onder meer het veilingwezen. Enig gezag wordt hem niet ontzegd: hij heeft zitting in de keuringscommissie voor de beurzen Tefaf in Maastricht en de Pan in Amsterdam en is examinator voor de Federatie van Makelaars, Taxateurs en Veilinghouders.

Waar het volgens hem vooral aan ontbreekt, is internationale oriëntatie. ‘Alleen zo kun je verbanden leggen. Je moet naar het buitenland, naar tentoonstellingen, beurzen, veilingen. Pas dan weet je wat een kunstenaar voorstelt. Dan weet je dat zo’n Hendrik Willem Mesdag niet veel meer is dan de Bob Ross van de 19de eeuw. Of neem Isaac Israëls: wereldberoemd in eigen land. Maar ik stel vast dat ik over de grens maar zelden Nederlandse collega’s tegenkom.’ Nederland heeft geen experttraditie, verklaart Baars. ‘De kunstcultuur heeft hier altijd in het teken gestaan van de handel. Passie speelt nauwelijks een rol. Maar voor mij is het juist de uitdaging de gedachten van de maker te doorgronden, zijn beslismomenten te ontrafelen.’

Hij was al eerder in dit huis, hij maakt een verzekeringstaxatie en kent inmiddels een beurse plek in de verzameling. Bij een litho van Marc Chagall heeft hij twijfels over de handtekening. De c ‘heeft geen snelheid’, er is ‘over nagedacht’. ‘Je ziet het verschil als je er een paar honderd hebt gezien. En dat heb ik.’ In euro’s uitgedrukt: alleen de litho is 800 euro waard, met deugdelijke handtekening het tienvoudige.

Is er reden tot bezorgdheid bij de Federatie van Taxateurs, Makelaars en Veilinghouders? De beroepsorganisatie telt ruim driehonderd leden, van wie de helft zich in kunstkringen beweegt. Het lidmaatschap wordt verkregen door examens af te leggen en die, bezweren secretaris Wytske van Biemen en bestuurslid Arno Verkade, liegen er niet om. Kandidaten krijgen zeventig schilderijen ter beoordeling. Ze moeten ze identificeren, dateren en op waarde weten te schatten. Overigens: het ontbreken in het register van de federatie wil nog niet zeggen dat er sprake is van een beunhaas. Er zijn experts met specialisaties op genre of kunstenaar; daar wordt niet op geëxamineerd. Conservatoren van musea komen ook niet op de ledenlijst voor. Bij velen bestaat tegenwoordig een zekere huiver voor waardetoekenning: daarmee worden de prijzen maar beïnvloed.

Wat het oordeel van een expert nu precies waard is, wordt bepaald door de markt, zegt Verkade. ‘Kopers vragen er nu eenmaal om dat bijvoorbeeld een vroege Mondriaan door de expert Joop Joosten is gezien, of een Isaac Israëls door wijlen Joop van Roosmalen. Dát telt.’ Dat een expert een mistaxatie maakt, zoals mogelijk bij de Mondriaan het geval is geweest, of een rapport bij nader inzien aanpast, wat bij Ploeg-werken is gebeurd, zijn manoeuvres die bij de federatie niet veel verwondering wekken. Verkade, zelf als expert Moderne en hedendaagse kunst werkzaam bij Christie’s: ‘Het is nu eenmaal geen wiskunde. Aan de oeuvrecatalogus van Mondriaan is vijftien jaar gewerkt. Die was nog niet uit of de eerste omissies werden al gemeld. Het wordt pas zorgelijk als iemand zich in korte tijd vier of vijf keer vergist. Dat kun je je niet veroorloven. Veilinghuizen lopen grote financiële risico’s. Als er iets mis blijkt met de aankoop, kunnen gedupeerden binnen een jaar hun geld terugkrijgen. Maar dat veilinghuizen die schade kunnen verhalen op de inbrenger, is nagenoeg uitgesloten.’

Dat de waarheid wel eens in het gedrang komt als er financiële belangen of prestige op het spel staan, zoals antropoloog Tromp suggereert, komt volgens Van Biemen en Verkade in de praktijk nauwelijks voor. Zeker, ze kennen de kwestie in het Haags Gemeentemuseum – ‘maar dat is een zeer uitzonderlijk geval’. Een erecode – naar eer en geweten handelen – en een bewijs van goed gedrag zijn toereikend om de ethiek te bewaren. Verkade: ‘Het komt er bij ons toch vooral op neer dat je verstand van zaken moet hebben. Sjoemelen met de werkelijkheid past daar niet in. Je bent zo snel weg. Iedereen kent elkaar in dit wereldje. Gelukkig is toeschrijven meestal niet zo moeilijk.’

Maar in De Lakenhal in Leiden is het nog niet zo eenvoudig een echtpaar te overtuigen: het landschap met een vaart van Louis Apol (1850-1936) is volgens expert Kleiweg de Zwaan geen Louis Apol. De gesponste blaadjes, die ondefinieerbare oever, dat bruggetje, nee, zo zou Apol het nooit hebben gedaan. De eigenaren protesteren. ‘Het is van familie op familie gegaan. Het is van de schilder zelf gekocht.’ Kleiweg wijkt niet. ‘Het is zeer twijfelachtig.’ Als ze enigszins verongelijkt het schilderij weer in een doek wikkelen, volgt zijn relativering. ‘Het is maar een mening.’ Maar als verontschuldiging zal het niet zijn bedoeld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.