Het bijschreien van gemiste tranen

Arjan Peters

Voor wie wordt die monnikenarbeid verricht? Voor ons, en het nageslacht. Wij willen ons kostbare literaire erfgoed toch niet zonder kik aan het stof der vergetelheid prijsgeven? Welaan, dan is een blijk van dank op gezette tijden verre van overbodig, met name in een geval als dit, waar het gaat om 'het ondergeschoven kindje van de Elsschot-studie', zoals door kenners in 1994 en 2000 nog is opgemerkt.

We moesten ons schamen. Pensioen is een vlijmscherp portret van een welhaast verschroeiende moederliefde. Elsschot baseerde zich op een twintig jaar oud verhaal rond zijn eigen schoonmoeder. Van aanvang af lijkt het verhaal een genadeloze afrekening met die vrouw, wier zoon als soldaat is opgeroepen in de Eerste Wereldoorlog, en die niet weerom komt.

Als vertelinstantie koos Elsschot opnieuw voor de Antwerpenaar Frans Laarmans, een zwager van de verdwenen soldaat Willem Verstappen, die bij de naaister Bertha een zoon heeft gekregen vlak voordat hij werd opgeroepen. Omdat Willem niet met Bertha is gehuwd en hij het kind al evenmin heeft erkend, grijpt zijn moeder haar kans. Korte tijd hebben zij en haar man in onzekerheid verkeerd: leeft hun soldaat nog of niet?

Laarmans: 'Ik deed mijn best om vader ervan te overtuigen dat van dood geen sprake kon zijn. Anders hadden hij en moeder immers bericht van 't ministerie gekregen en misschien zelfs een felicitatie, of een diploma of zoo. Want sneuvelt de zoon op 't veld van eer, dan is het zeer de vraag of de ouders wel dienen gecondoleerd. (. . .)

'Tijd winnen was hoofdzaak, want over twaalf maanden vernemen dat hij al een jaar dood en begraven is, dat zou minder erg zijn dan 't bericht dat hij zoo pas aan de beurt was gekomen. (. . .)

'De normale rouwperiode wordt uitgeschakeld, want die behoort aan te vangen met den laatsten snik en de tranenreeks die men heeft moeten missen kan achteraf niet meer volkomen worden bijgeschreid.'

't Is waar, 't is vilein ook - hetgeen de waarheid dodelijk maakt -, maar eerst en vooral is het perfect geschreven, en wie zei daar dat je bij Elsschot louter kale uitdrukkingen hoeft te verwachten? Heb ik het wel, dan introduceert hij hier achteloos het werkwoord 'bijschreien', een geschenk aan de taalschat waarvoor we zevenenzestig jaar later de hoed wel eens mogen lichten.

Zwager Laarmans deed er goed aan, de hoop warm te houden, want Willem leeft nog. Er komen berichten uit een Duits gevangenkamp. Later zit-ie bij een pachter, die zelf van huis is, maar diens vrouw Katharina houdt Willem gezelschap.

Daar denkt Laarmans, en de lezer met hem, het zijne van. Maar moeder Verstappen is niet te stuiten. Vanuit Antwerpen stuurt ze als een bezetene paketten met eten en kleren. Ze lééft van haar moederliefde, in meer dan een opzicht, want ze blijkt ook het 'militiegeld' voor haar zoon op te strijken, en als na de oorlog twee soldaten de dood van Willem komen melden, houdt moeder een bedelactie in de buurt om een herbegrafenis voor haar held in Berchem te organiseren, om als Bertha is hertrouwd met een tuberculeuze diamantslijper ook nog het pensioen op te eisen dat het zoontje Alfred toekomt.

Ieder moment verwacht je een sadistische ingreep van het lot, want waarom zou Laarmans (en Elsschot) dit verhaal anders op poten hebben gezet? Na een pagina of zestig is het oogsten inderdaad nabij: de diamantslijper sterft, vader Verstappen stopt met werken en legt eveneens het loodje, moeder (82) moet in een bovenhuis gaan wonen, krijgt een beroerte en wordt kinds.

Dan ook is Alfred er achter gekomen wie zijn vader is, en dat hij recht heeft op het pensioen. Zijn oma krijgt bericht dat ze al het onrechtmatig geïnde geld, zijnde 'drie en twintig duizend zeven honderd drie en veertig frank en vijf en tachtig centimes' (zo uit elkaar getrokken oogt het totaalbedrag nog duizelingwekkender, eens te meer door die pesterige centimes), terug moet betalen, opdat het aan Alfred kan worden uitgekeerd.

Maar op dat moment is moeders toestand zo pijnlijk, dat dit allang niet meer om te lachen is. Er wordt een regeling getroffen, zodat de ultieme vernedering geen doorgang vindt. Dat je met moeder te doen krijgt, en over het slot opgelucht bent, dat is de topprestatie die Elsschot hier levert. 'Mijn familie, dat zijn God zij dank analfabeten', antwoordde de auteur ironisch op de vraag of hij zijn schoonmoeder niet te hard was gevallen. Hij was zich kennelijk goed bewust van de mogelijke mis-lezing van zijn onzachtzinnige novelle.

Eén punt van kritiek over de bezorging dan toch, nu de langverbeide lof is gezongen. De bezorger baseert zich op de eerste boekversie uit 1937, en heeft daar redenen voor. Maar aldus verdwijnen latere toevoegingen van Elsschots hand in de noten - en na dit jaar, als het Volledig Werk zonder annotaties in één band wordt heruitgegeven, zijn deze aanvullingen zelfs totaal verdwenen!

In 1937 schreef Elsschot, in een passage die vlak na het beëindigen van de oorlog speelt: 'Er werden optochten gehouden, redevoeringen uitgesproken, missen gezongen, decoraties uitgedeeld.' In 1957 maakte hij daar van: 'missen gezongen, mensen gemarteld, decoraties uitgedeeld'.

De bezorger houdt vast aan de eerste druk als basistekst. Een te rigide toegepaste werkwijze. Het past immers geheel in de venijnige verteltrant van Laarmans, dat die marteling van mensen ertussen wordt gelast. Elsschot heeft dat er, twintig jaar na dato, niet zomaar bijgeschreven!

Zodat we met déze editie van Pensioen, niet met de vroegere en niet met de (van de verantwoording weer ontdane) toekomende, met recht verguld kunnen zijn.

Willem Elsschot: Pensioen.
Athenaeum-Polak en Van Gennep; 145 pagina's; euro 17,95.
ISBN 90 253 1152 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden