Het Bestseller Mysterie

In het spoor van De schaduw van de wind verovert de Spaanstalige mysteriethriller de wereld. Is de ‘openbaringsroman’ een lofzang op het boek, of toch eerder op de Hollywoodfilm?...

Al twee jaar lang vliegt De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafón onafgebroken met duizenden per week de Nederlandse boekwinkels uit. Inmiddels begint de verkoop het half miljoen te naderen, en dat betekent dat er van Zafóns bestseller alleen al méér is verkocht dan van alle serieuze literatuur uit Spanje bij elkaar die hier pakweg de afgelopen tien jaar is vertaald.

Het succes van De schaduw van de wind staat niet op zichzelf. Het startschot werd gegeven door Arturo Pérez Reverte, die in Nederland nooit veel heeft gedaan, maar in Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten met romans als Het paneel van Vlaanderen en De club Dumas de status van bestsellerauteur kreeg. Zijn werk had internationale uitstraling, zo vonden ook Jim McBride en Roman Polanski, die romans van de Spanjaard verfilmden.

Maar met De schaduw van de wind was het hek pas goed van de dam en is er sprake van een ware hausse van Spaanse thraculs. Thracul staat voor thriller-histórico-religioso-aventurero-cultural oftewel cultureel-historisch-religieuze avonturenthriller. In de kernachtige bewoordingen van Gerrit Komrij gaat het om ‘een mengeling van thriller en vertoon van geleerdheid’. In Spanje wordt ook wel gesproken van novelas de revelación (openbaringsromans).

Thracul-auteur Javier Sierra begrijpt wel waarom daar nu zoveel belangstelling voor is: ‘Het is het gevoel van een openbaring, een plot die de grijze, veelal depressieve wereld overstijgt die om een bepaald soort literatuur hangt.’ Het draait meestal om een boek, schilderij of document waarin een religieus mysterie is vervat dat eeuwenlang dankzij complotten, samenzweringen en verborgen genootschappen geheim is gebleven maar dat nu door de held(in) met gevaar voor eigen leven en met veel vertoon van (pseudo-)cultuur en (pseudo-)geleerdheid wordt ontdekt en onthuld.

De Da Vinci-Code zette de toon. Maar kort nadat de gekte rondom Dan Browns megaseller was losgebarsten, was daar ineens een handjevol Spaanse schrijvers die uitstekend uit de voeten konden met het genre. Zo schreef de doorgewinterde journaliste Julia Navarro in korte tijd twee vuistdikke boeken (Het Sindone Complot en De verborgen kleitabletten) die overal gretig aftrek vonden. Matilde Asensi, die elke roman in een andere historische periode situeert, is al een jaar of tien aan de slag. Haar werk is nog niet in het Nederlands vertaald maar wel in meer dan tien andere talen. Haar doorbraak buiten Spanje zal niet lang meer op zich laten wachten.

Ook Javier Sierra had een wat langere aanloop nodig. Maar met Het geheime avondmaal – zijn vierde roman – schreef hij een van de beste en succesvolste thraculs uit Spanje. Het boek is in veertig landen verschenen en heeft zelfs China bereikt. Met name lezers in de Verenigde Saten wisten het boek te waarderen. Het geheime avondmaal haalde in de Engelse vertaling van Alberto Manguel de boekentoptien van The New York Times en dat was nog geen Spaanse roman eerder gelukt.

En zojuist heeft ook Ildefonso Falcones zich in het rijtje gevoegd met De kathedraal van de zee, een pil van ruim 650 pagina’s waar de lezer doorheen gaat als een mes door de boter. In Spanje is het al bijna een jaar het best verkochte boek, in het buitenland is de opmars begonnen.

Goede ambachtslieden? Gewiekste imitators? Dat is een te gemakkelijk oordeel over deze auteurs, al was het alleen maar omdat ze al thraculs hadden geschreven of al druk bezig waren met hun eersteling toen De Da Vinci Code in 2003 verscheen. Veel interessanter dan de vraag of auteurs als Navarro, Sierra en Falcones in de sporen van Brown lopen is de vraag waarom er juist in Spanje zo veel schrijvers zijn die dit genre zo goed in de vingers hebben.

Dat heeft in elk geval te maken met de sterk vercommercialiseerde uitgeverscultuur in Spanje. Neem de literaire prijzen. In tegenstelling tot wat er in Nederland gebeurt, worden belangrijke en lucratieve literaire prijzen als de Premio Nadal en de Premio Planeta aan ongepubliceerde manuscripten toegekend. De oorspronkelijke bedoeling hierachter was dat goede romans van relatief onbekende auteurs zo een flinke duw in de rug zouden krijgen. Dit nobele literaire motief speelt nu hooguit nog een rol als schaamlap voor ordinaire financiële motieven. De grote literaire prijzen worden nu niet meer gegeven aan interessante romans die een groot publiek verdienen maar aan romans waaraan uitgevers zo veel mogelijk denken te verdienen. Als de bekroonde roman literair gezien interessant is dan is dat meegenomen, maar een voorwaarde is dat al lang niet meer.

Een ander voorbeeld van deze veramerikanisering is dat uitgevers graag een handje helpen als schrijvers niet in staat zijn om op eigen houtje een professioneel product af te leveren. Dat het hierbij niet om redactioneel vijl- en slijpwerk gaat moge blijken uit de manier waarop De kathedraal van de zee tot stand is gekomen. Falcones is advocaat van beroep en schreef in zijn vrije tijd zijn eerste roman met de hulp van een Barcelonese schrijfschool. Hij stuurde het manuscript naar zes uitgeverijen. Geen hiervan toonde belangstelling. Via een vriend van een vriend kwam Falcones’ tekst ten slotte in handen van Sandra Bruna, een gerenommeerde literair agente die het boek bij uitgeverij Grijalbo wist te plaatsen. Bruna en ook Ana Llarás, de verantwoordelijke redactrice van Grijalbo, vonden echter dat het manuscript fors ingekort en grondig herschreven moest worden. Falcones was het daarmee eens, waarna Bruna en Llarás samen met de auteur de klus klaarden.

Dat het uitgeversvak in korte tijd zo sterk is veramerikaniseerd is typerend voor de cultuuromslag die de afgelopen decennia in Spanje heeft plaatsgevonden. De geslotenheid, zelfgenoegzaamheid en behoudzucht uit de Franco-tijd hebben plaatsgemaakt voor openheid, flexibiliteit en een bijna onverzadigbare nieuwsgierigheid. Die dreef Carlos Ruiz Zafón er bijvoorbeeld toe om elf jaar lang in Los Angeles te gaan wonen, waar hij zijn brood verdiende met het schrijven van jeugdboeken en filmscripts. In Los Angeles schreef hij ook De schaduw van de wind.

In die elf jaar heeft Zafón accentloos Amerikaans leren spreken en is hij er met zijn mastodontische postuur en nonchalante outfit (slobberige vrijetijdskleren, sportschoenen, baseballpetje) nog Amerikaanser uit gaan zien dan een Amerikaan. Wanneer hij in het centrum van zijn geboortestad Barcelona aan het winkelen is, wordt hij geregeld in het Engels aangesproken.

Ruiz Zafón is misschien een extreem voorbeeld maar de mentaliteit van de nieuwe Spanjaarden heeft veel weg van die van de Amerikanen. Beiden hebben een niet aflatende drang zich te bewijzen vanwege het knagende gevoel dat er iets mis is met hun Europese wortels. Amerikanen vinden dat ze er te weinig van hebben en Spanjaarden dat ze vanwege Filips II, de Inquisitie en Franco niet de góede hebben.

Het verschil met de culturele arrogantie en zelfgenoegzaamheid van de Fransen is hemelsbreed en verklaart waarom Spanjaarden veel minder moeite hebben met de globalisering dan hun noorderburen. Ze blaken van optimisme, zelfvertrouwen en ambitie en durven in het groot te denken.

De nieuwe Spanjaarden zijn méér dan gretige Amerikanen. Spanje bungelde weliswaar eeuwenlang aan de onderkant van Europa, dankzij de ouderwets degelijke scholing is het land evenwel gepokt en gemazeld in de Europese cultuur. De vernieuwingen zijn er in het onderwijs veel trager op gang gekomen dan in de economie en de samenleving. Schrijvers als Sierra, Falcones en Navarro behoren daarom nog tot een generatie die de hele Europese geschiedenis en cultuur ingegoten heeft gekregen. Ze profiteren van the best of both worlds.

In Spanje wordt vanuit de hoek van de serieuze literatuur nogal neergekeken op het genre. Begrijpelijk, want het internationale succes van Ruiz Zafón en collega’s staat in schril contrast met de magere belangstelling voor de échte Spaanse literatuur in het buitenland. De enige uitzondering is Javier Marías, die zelfs in de moeilijk toegankelijke Angelsaksische wereld is omarmd als een van de grote Europese schrijvers van nu.

Schrijver en uitgever Enrique Murillo is minder negatief. Laten we blij zijn met onze bestsellerauteurs, zo schreef hij kort geleden in het dagblad El País. Ze betekenen een forse stap vooruit omdat Spaanse schrijvers eeuwenlang literatuur hebben verward met mooischrijverij. Hierdoor zijn we een van de saaiste en minst vertaalde literaturen van de wereld geworden.

De nieuwe bestsellerauteurs, aldus Murillo, mogen dan voorspelbaar zijn en het de lezer niet al te moeilijk maken – één ding kunnen ze wel: verhalen vertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden