AchtergrondDenkbeeldig beeldenmuseum

Het beroemde imaginaire museum van André Malraux nodigt nu meer dan ooit uit tot navolging

André Malraux in zijn woonkamer, leunend op zijn dubbele piano (1952).Beeld Hollandse Hoogte/Maurice Jarnoux

André Malraux bedacht in 1947 het ‘imaginaire museum’. Vrij associërend ordende hij honderden afbeeldingen van kunstwerken en liet ze nieuwe verbanden aangaan. Dat zouden meer mensen moeten doen. U ook.

Het mag een bescheiden initiatief zijn tijdens deze donkere dagen, het is ook een zonnig alternatief om de verveling van kinderen binnenshuis te bestrijden. Althans, dat moet het Dordrechts Museum hebben gedacht bij het online zetten van de knutseltip ‘Maak je eigen museum’.

Het uitgangspunt is eenvoudig: kies op de site van het museum uit een ruim assortiment lijsten eentje uit die je het meest bevalt, plus uit een ander aanbod je favoriete schilderij. Teken dat na, zet het in de lijst en hang het in een kijkdoos die dienst doet als museumzaal. Mogelijk resultaat: een schilderij van Mondriaan in een krullerige baroklijst of een portret van koeien van Albert Cuyp tussen knoestige planken en een landschap van Hans Broek omringd door bladgoud. 

De variatie is eindeloos, zeker als je de gekozen kunstwerken niet beperkt tot de collectie van het Dordtse museum, maar het hele internet afgraast. Want dat is natuurlijk ook mogelijk: er zijn meerdere musea die hun collectie in hoge resolutie op de website hebben gezet. En daarnaast: waarom zou je, als je toch eenmaal bezig bent, al die bestaande kunstwerken niet combineren met krantenfoto’s, striptekeningen, reclamebeelden en boekomslagen? 

Zie daar: binnen een dagje knippen en plakken heb je je eigen verzameling samengesteld. Niet in het echt natuurlijk, met fysieke werken tegen de wit gepleisterde muren van een bestaand museum, maar fictief. Imaginair. 

Wie het kunsthistorische discours van de afgelopen eeuw een beetje heeft gevolgd zal bij de woorden ‘museum’ en ‘imaginair’ al snel denken: aha, dat komt me bekend voor. Precies: het idee komt aardig overeen met wat André Malraux (1901-1976) ooit bedacht, de Franse auteur van het existentialistische meesterwerk La condition humaine, filosoof, theoreticus, minister van Cultuur onder president Charles de Gaulle en bedenker van de Maisons de la Culture, die in de Franse provinciesteden de kunst dichter bij het volk moesten brengen.

In 1947 ontwikkelde deze Malraux namelijk zijn ‘Musée Imaginaire de la Sculpture’, een denkbeeldig beeldenmuseum. Malraux had daarvoor honderden afbeeldingen van sculpturen uit de hele wereld en alle tijden verzameld, die hij op een nieuwe manier had geordend. Niet kunsthistorisch verantwoord, maar los van hun oorspronkelijke context en enkel op basis van zijn eigen, vrije associaties. Uitgehakte hiëroglyfen uit Egypte naast middeleeuwse engelengezichten, precolumbiaanse reliëfs naast Griekse naakten en zandstenen koppen uit Mexico met gebeeldhouwde goden uit India. Malraux’ benadering liet zien dat beelden van schoonheid of engagement, van onheil en liefde zich niet strikt tot de westerse kunst beperkten, maar ook in Peru en Ghana, op de Filipijnen en Madagaskar werden gemaakt. 

Belangrijk voor de manier waarop Malraux te werk kon gaan, was de opkomst van de reproductietechniek. Fotografische afbeeldingen van de kunstwerken waren de kurk waarop zijn imaginaire museum überhaupt kon drijven. Met die foto’s kon hij uit alle hoeken van de wereld de verspreide werken verzamelen en op elke gewenste manier combineren.

Het is een benadering die je nu weer terugziet: dat musea in deze coronatijd zoeken naar nieuwe, lossere manieren om hun verzameling aan hun bezoekers voor te schotelen. Niet de objecten zelf, maar een fotografische of virtuele verschijning daarvan, met de camera laverend door de museumzalen of de mogelijkheid de collectie via Google Art beter te leren kennen. 

Dat Malraux’ imaginaire beeldessay zo veel bekendheid en gezag kreeg, lag niet aan het revolutionaire idee alleen, maar ook aan het imago van de bedenker. Malraux had het bijzonder met zichzelf getroffen. Een Frans haantje dat wist hoe hij zichzelf in de etalage moest zetten. Als geboren poseur wist hij ook zijn denkbeeldige expositie uit te dragen. Beroemd zijn de foto’s die hij door Maurice Jarnoux voor het blad Paris Match van zichzelf liet maken, in 1953, in de salon van zijn riante huis in Boulogne, met bureau, ruime driezitter en twee pianovleugels. Waarin hij zich staand en liggend liet vereeuwigen, te midden van de honderden fotoreproducties die hij op het tapijt had gerangschikt. 

Malraux was overigens niet de eerste die zo’n imaginaire benadering van de wereldkunst hanteerde. Aby Warburg was hem in de jaren twintig voorgegaan. De Duitse kunsttheoreticus stelde panelen samen met afbeeldingen van kunstwerken, krantenknipsels, reclamefoto’s en familiekiekjes die hij ordende op een tot dan toe onbekende, associatieve manier, tot een ‘beeldenatlas’.

De Mnemosyne Atlas in de Kunstwissenschaftliche Bibliothek van Warburg. Beeld Getty

De bekendheid van Malraux’ voorstel in 1947 had overigens zijn tijd mee. Na de nationalistische verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog groeide de behoefte aan een nieuw, internationaal en universeel overzicht van Mens en Kunst. Denk aan de eerste Documenta-tentoonstelling in 1955, in Kassel, waar wanden volhingen met gefotografeerde kunstwerken uit alle uithoeken van de wereld. Het was een eerste aanzet om deze aanvankelijke vierjaarlijkse expositie te laten uitgroeien tot dé (inmiddels vijfjaarlijkse) graadmeter van wat de mondiale kunst te bieden heeft. Denk ook aan de legendarische Family of Man-tentoonstelling die Edward Steichen datzelfde jaar organiseerde in het New Yorkse Museum of Modern Art, waarin een dwarsdoorsnede werd gegeven van de veelzijdige, maar o zo menselijke wereldbevolking. 

Fotograaf en toenmalig MoMA-directeur Edward Steichen (staand in het midden) arrangeert foto’s voor de tentoonstelling ‘Family of Man’ (1955), met 500 foto’s van meer dan 280 fotografen uit 68 landen.Beeld Bettmannarchief

Hoe dan ook, gezien de huidige ontwikkelingen is Malraux’ benaderingswijze, om op een vrije manier de kunst te hergroeperen, nog steeds verfrissend. Niet alleen omdat musea op dit moment gesloten zijn en ze op een andere manier, veelal online hun collectie presenteren, en omdat iedereen zo – zie het Dordrechts Museum – naar eigen goeddunken met collectiestukken aan de gang kan gaan. Maar ook hierom. De discussie die nu enkele jaren speelt is in hoeverre de musea niet te eenzijdig zijn samengesteld. Te westers. Te mannelijk. Te wit. Te autoritair. Te veel verkokerd in hun oude canon. Zonder al te veel aandacht voor vrouwelijke kunstenaars, kunstenaars met een niet-westerse achtergrond, en kunstenaars die niet in het aloude vertrouwde, maar benauwde keurslijf van de Goede Smaak en Verantwoorde Stijl werkten. 

Leemten die in de bestaande collecties moeilijk zijn in te vullen. Omdat de aanschaf van ander werk niet een-twee-drie te realiseren is, zeker niet met terugwerkende kracht. Wat wel op de manier van Malraux (en Aby Warburg) opgelost zou kunnen worden. Te beginnen op een virtuele manier. 

Waarom zouden Stedelijkdirecteur Rein Wolfs, Lisette Pelsers van het Kröller-Müller of Stijn Huijts van het Bonnefanten op de vloer van hun directiekamer niet eens, met een paar honderd afbeeldingen, een alternatieve collectie kunnen neerleggen? Mét de kunstwerken die zij op dit moment niet kunnen aankopen, maar wel met elkaar combineren? Plus al die andere beelden die nu te weinig in kunstmusea te zien zijn, uit de wereld van de reclame, publiciteit, familiealbums en de wetenschap, om maar wat te noemen. Om een beeld te geven van een ideale beeldenverzameling die zich uitstrekt buiten het conservatieve kunstbegrip. Wat ook geldt voor al die andere musea die om allerlei begrijpelijke, maar niet langer geldende redenen, een beperkte blik op het verleden en het heden hebben. En de toekomst. 

Als model is het Musée Imaginaire van André Malraux misschien nu urgenter dan ooit. En het wacht op uitvoering.

André Malraux 

André Malraux (1901-1976) kreeg in 1933 grote bekendheid met zijn politieke roman La condition humaine, door schrijver Eddy du Perron (aan wie het boek is opgedragen) in het Nederlands vertaald als Het menselijk tekort. Beide termen staan sindsdien in het collectieve geheugen gegrift. Het boek handelt namelijk niet alleen over gebeurtenissen tijdens de Chinese burgeroorlog in 1927, maar beschrijft ook hoe de mens die zijn eigen lot wil bepalen in een moeizame tweestrijd belandt. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden