Column Kunst volgens Pontzen

Het artistieke gehalte op de tast verbeelden zelden plezieriger dan bij Erwin Olaf

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Merlijn Kerkhof, Rutger Pontzen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, ­muziek, theater of beeldende kunst.

Gebroken wit en donkerroze. Dat waren de onuitwisbare indrukken die mijn schoonmoeder afgelopen zondag opdeed tijdens haar bezoek aan de tentoonstelling van Erwin Olaf in het Fotomuseum in Den Haag. Gebroken wit en donkerroze – de kleuren van de muur waartegen Olafs foto’s hingen. Oké, gaf ze toe, ze had in haar ooghoeken ook de aan haar tepels opgehangen dame gezien, en verderop het flink geschapen, slap hangende lid van de fotograaf zelf. 

Maar dat was het wel zo’n beetje, vanuit haar rolstoel. Ooghoogte betekende voor haar toch vooral veel achterwerken en talloze titelbordjes. Wat Olaf voor de rest te bieden had, bleef grotendeels buiten beeld. Als ondergetekende en medebezoeker sta je daar letterlijk niet bij stil. 

Goed dus dat museaal Nederland zich de laatste tijd steeds vaker buigt over de vraag voor wie al die musea zijn gebouwd. Want ze zijn veelal moeilijk toegankelijk voor rolstoelers, lastig om doorheen te manoeuvreren voor slechtzienden, prikkelrijk galmend voor slechthorenden. Dat kan beter, diverser en toegankelijker, is de gedachte – ‘inclusiever’ zoals het officieel heet. Dus: geen schilderijen te hoog aan de muur. Minder glas, om resonerend lawaai te voorkomen. Meer uitleg voor mensen met Alzheimer. Dat soort emancipatoire aanvullingen. 

Het is een ontwikkeling die niet op zich staat. Dat bleek ook tijdens een conferentie in het Van Abbemuseum, eerder dit jaar. En bij de diverse presentaties van MOED, het Museum of Equality and Difference, dat samenwerkt met tal van musea en kenniscentra in Nederland. En dat, eenvoudig gesteld, de nog steeds bestaande eenzijdigheid van de musea aan het licht wil brengen. Niet alleen uit oogpunt van haar bezoekers, maar ook van het personeel en de kunstenaars die ze laten zien. Opdat het beter aansluit bij de gevarieerdheid van de (Nederlandse) bevolking. Dus minder wit, minder westers, minder koloniaal, minder mannelijk, minder heteroseksueel enzovoort. 

Want: musea moeten er zijn voor iedereen en van iedereen. Onlangs kwam ik nog twee vertegenwoordigers van De Zonnebloem tegen, van wie een in een rolstoel, die met rolmaat en checklist in de hand de museale drempelhoogte kwamen meten. De gegevens moeten, samen met andere bevindingen, het museum toegankelijker maken voor de Hele Mensheid, als opmaat voor de Ideale Wereld, waar gerechtigheid heerst, waarin alle democratische rechten zijn verankerd, waar niemand buiten de boot valt, en die ook bepalend zal zijn voor het brede aanbod aan tentoonstellingen en kunstaankopen.

In het Van Abbemuseum is nu zelfs een speciale zaal ingericht voor eenieder die niet goed ter been is, slecht van zicht en overgevoelig van gehoor. Je kunt je er aan niets stoten, elke ontregelende prikkel is uitgesloten. De overheersende kleur is die van steunkousen en er staat een 3D-schaalmodel van een tekening die verderop aan de muur is gespijkerd, waarvan je het artistieke gehalte op de tast moet verbeelden. 

Zelden heb ik een suffere omgeving gezien. Maar goed, het zaaltje is niet voor mij bedoeld. Ik vraag me wel af hoe het voor een blinde moet zijn, als die ‘op de tast’ Erwin Olafs foto van zijn slap hangende lid zal ervaren. Zelden zal een museumbezoek plezieriger zijn geweest. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden