Het aangevreten landschap

Volgende week dinsdagavond begint, met het traditionele Boekenbal, de jaarlijkse Boekenweek. Dit keer is het thema 'Panorama Nederland - Stad en land in poëzie en proza'....

'DIT LAND', schrijft de dichter, 'dit land is van de wind en van de regen/ en van de wolken en de horizon'.

Het is de meest elementaire en tegelijkertijd de meest fundamentalistische poging die ik ken, om in poëzie een definitie te geven van wat dat is, dat land tussen Oost-Friesland en de Schelde. Zoals een schilder die dat land is ingetrokken om het landschap te gaan schetsen, eerst maar eens een horizontale lijn op zijn papier zet, zo zet de dichter van deze regels de basisbegrippen in zijn vers. Wind, regen, wolken, horizon: eerst de elementen, dan de evocatie.

Laag ligt die lijn van de schilder doorgaans, laag in het vlak; waar men zich ook keert of wendt, er is meer lucht en licht in het landschap dan aarde, meer wit en alle schakeringen grijs dan terra of groen. Alleen daarom al is de titel die de stichting CPNB aan de Boekenweek van dit jaar heeft gegeven, zo idioot: 'Panorama Nederland'. Een panorama is een vergezicht vanaf een hoogte, en zoveel Babelse torens kan de BV Nederland de afgelopen jaren niet uit de grond gestampt hebben of we blijven dat land toch in de eerste plaats vanuit de laagte gadeslaan, vanuit een betrekkelijke ondiepte zelfs.

De gemiddelde waarnemingshoogte ervan zal vandaag de dag op 1 meter 20 liggen - dat is de hoogte waarop het ogenpaar van de automobilist zich bevindt. En automobilisten zijn we allemaal, want wat zich ook aan natuur liet beteugelen, wind en regen niet. Soms voegt een dijk een paar meter toe aan de hoogte van ons waarnemingspunt, maar dan nog is het erg overdreven om het over een panorama te willen hebben. Viervijfde lucht, eenvijfde land, dat is de vuistregel van de Hollandse landschapsschilder en vanuit de auto wordt dat vermoedelijk een achtste versus zevenachtste.

Niks geen panorama dus, maar de wind, de wolken, de regen en de horizon: die dichter heeft gelijk. 'Dit is mijn land: onder pastellen luchten/ liggen de akkers eindeloos en triest.' Maar het is een gelijk dat in zijn preciserende elementen langzaam obsoleet wordt gemaakt; het wordt aangevreten door de BV Nederland, die om te beginnen de eindeloosheid van die akkers maar eens onder handen heeft genomen. De horizon weet zich bedreigd en zelfs al gehavend; de schilder zal, als hij erop uittrekt, eerdaags behalve een liniaal ook een luciferdoosje moeten meenemen om er de vorm nog van te kunnen construeren.

In het zogenoemde boekenweekessay van Geert Mak - in feite een wat aangedikte en vervolgens uitgewalste reportage, die nog het meest doet denken aan de wijdlopige landerigheid die je doorgaans slechts in de zaterdagbijlagen van zomerkranten aantreft - wordt het nog eens vastgesteld: Nederland is Nederland niet meer, tenminste niet naar de standaard van de elementaire poëzie van weleer. De weidse uitgestrektheid tussen de steden is het opgespoten land van een aaneengeschakelde reeks buitenwijken geworden, jaagpaden langs de waterwegen werden op zijn best fietspaden, maar meestal de beschoeiingen voor knusse tuintjes. Akkers werden recreatiegebieden.

Niet bekend

Erg verrassend zijn dergelijke waarnemingen allemaal niet. De gedachten waartoe ze leiden, zijn bovendien meestal de gedachten die anderen al eens hadden genoteerd: Mak neemt voor krap vijftig pagina's tekst veertien publicaties door en, het moet gezegd, hij doet er zijn voordeel mee. Net als Auke van der Woud in zijn magistrale boek Het lege land (1987) constateert hij het kleurverlies van de overgebleven akkers. 'Vlas, meekrap, hop, klaver, spelt, spurrie en boekweit' zijn uit onze landbouw verdwenen; Van der Woud geeft daar, in eenzelfde zin van tien jaar geleden, nog cichorei en tabak bij. Kennelijk deden die tijdens het tochtje van vader Mak al niet meer mee.

Mak ziet zelfs de gewone weide saaier worden: 'De felle kleurenwisselingen van het land kennen we nauwelijks meer. Het wit van de madelieven, het geel van de paardenbloemen, het rood van de zuring, het grijzige van het bloeiende gras zelf.' Bij Van der Woud was de paardenbloem een paardebloem, zoals het hoort, en werd hij bovendien van geel nog even vuilwit, maar voor de rest blijft alles hetzelfde - tot in het felle van die kleurenwisseling toe.

Het zal haast zijn geweest. Haast en nostalgie: dan verwar je wat je ziet, gemakkelijk met wat je gehoord of gelezen hebt, dan neem je waar wat je wilt waarnemen, niet wat zich voordoet. Van der Woud heeft die haast vermoedelijk niet gehad; hij houdt er in elk geval een geheel ander soort discipline op na. Voor zijn boek, dat hij oorspronkelijk als proefschrift schreef, maar dat nu, nu er een derde druk van verscheen, maar eens een literaire prijs moet krijgen, heeft hij geprobeerd te reconstrueren waar de omslag in de vormgeving van het Nederlandse landschap begonnen is.

Waar en wanneer is de strijd tegen de natuur een ongelijke strijd geworden, dat wil zeggen: waar wisselde die ongelijkheid en waren wij niet langer de gedoodverfde verliezer, maar de natuur? Waar begon de ontwikkeling die ertoe leidde dat we nu zo sterk staan dat we wel een hand om de schouder van de verliezer kunnen slaan en ons kunnen veroorloven hem weer op de been te helpen?

Waar en wanneer is het hopeloze dragen van water naar de zee, water dat even later weer terugkwam, en het ontginnen van onland dat vlak daarna weer moest worden opgegeven, het kalm en systematisch beheren van een landschap geworden? Vanaf wanneer wisten we dat we die eeuwige strijd tegen het water gewonnen hadden, in elk geval op termijn, en we een kreunende dijk of een ondergelopen polder voortaan alleen nog maar als een toeristische attractie hoefden te beschouwen?

In de eerste helft van de negentiende eeuw, in de door hem onderzochte periode van 1798 tot 1848. Alleen dat is al een mateloos opwindende vaststelling - nog afgezien van de wijze waarop Van der Woud er werk van heeft gemaakt dat aan de weet te komen, en de manier waarop hij daar vervolgens een boek van heeft gemaakt, een boek als een genadeloos betoog. Zodra de waterhuishouding werkelijk beheersbaar geworden was, dat wil zeggen: zodra we daarvoor niet langer afhankelijk waren van dat andere element dat Nederland constitueerde, de wind, omdat het pompwerk voortaan door stoomgemalen kon worden verricht, was het einde van die moedeloos makende strijd tegen het water in zicht.

DAN VERANDERT ons beeld van de natuur, van Nederland en van ons landschap - en dan ook verandert die natuur en dat landschap zelf en dus Nederland, drastisch en definitief. Door die precieze analyse van een ontwikkeling en de datering van de geboorte van onze ruimtelijke ordening op grote schaal komt de natuurromantiek van de late negentiende eeuw in een geheel nieuw perspectief te staan - en dat geldt, in één moeite door, eveneens voor de verbeten romantici van onze dagen. Dat is het geniale van Van der Wouds boek: het behandelt de periode van de eerste industriële revolutie, maar het heeft implicaties tot op de huidige dag.

Want het is het natuurbeeld van de late negentiende en het begin van de twintigste eeuw dat de discussie over datgene wat Tracy Metz in haar boek monkelend 'nieuwe natuur' noemt, de discussie over de vormgeving van de natuur in het post-industriële Nederland, zo ontmoedigend maakt. Wie Van der Woud goed leest, ziet wat er gebeurd is. De onbeteugelde natuur heeft het onderspit gedolven. Tot de introductie van het stoomgemaal moest je maar zien hoe je al dat water weer kwijtraakte; pas bij voldoende wind konden de molens ononderbroken hun werk doen en dat had onvermijdelijke en onkeerbare gevolgen voor de grootte van een polder, de hardheid van een weg, de bruikbaarheid van een akker - de vormgeving van het landschap, kortom. Met de komst van het stoomgemaal konden wij rustig gaan slapen, weer of geen weer.

En de akkers afvlakken, want de klassieke drainagetechnieken werden door modernere vervangen. En het wegennet verbeteren, zelfde argument. En de landbouw moderniseren, en het platteland ontsluiten. 'Dit land is van de wind en van de regen', zegt de dichter Koos Schuur, maar ook: 'De strakke en lijnrechte vaarten kregen/ een diepe zin: die dit land overwon/ met strakke wilskracht (. . .) de oeverlijnen van de vaarten verraden/ zijn aard die wijd en rechtgesneden is.' Nederland is ontworsteld aan het water, heet het, van de eerste dijken bouwende monniken tot de Zuiderzeewerken, maar die worstelpartij is inmiddels een circusact geworden.

'Die de dag begon/ met graven bij zonsopgang en de spade/ niet rusten liet eer de bloedrode zon/ hem duidde dat het avond werd', 'zij zijn de bouwers van dit werkzaam land.' En zij zijn niet opgehouden met bouwen - stoomgemalen, polders, droogmakerijen, buitenwijken bij de steden, witte schimmel rond de dorpen en een net van verkeerswegen om die allemaal met elkaar te verbinden.

Toen dat op gang begon te komen, tweede helft vorige eeuw, zijn Jac. P. Thijsse en Nescio nog in allerijl de deur uitgegaan om te noteren wat naar hun smaak verloren ging, maar wat er in feite al niet meer was. Natuurlijk, er was meer van dan er vandaag de dag van voorhanden is, maar de transformatie was allang onderweg toen zij in aquarellen en lyrische schetsen, maar eveneens met nauwelijks ingehouden woede, de idylle van het landschap vastlegden.

Hadden ze het kunnen waarnemen zonder dat die veranderingen al in volle gang waren geweest? Ik vraag het mij af, of liever gezegd: ik weet wel zeker van niet. Wie met de elementen vecht, ziet geen landschap; wie de strijd gewonnen heeft, kan een landschap niet alleen zien, maar het ook verheerlijken of op de teloorgang ervan kankeren. Ze hebben geschetst dat het een lieve lust was en de resultaten ervan via de beschuitrollen onder de bevolking verspreid. Maar hebben ze de werkelijkheid geschetst of een verdwenen of althans verdwijnend beeld opgeroepen, of zelfs een illusie? Zij zagen het oude land met comfortabel moderne ogen; terwijl de stoomgemalen hun voeten droog hielden, keken ze naar de eroderende idylle.

Maar het was een idylle die kon bestaan juist dankzij de verfoeide ontwikkelingen van de tweede industriële revolutie. Het Haarlemmermeer werd pas een leuk meer toen het Cruquiusgemaal bezig was daar de Haarlemmermeer van te maken. Een landschap is pas mooi als de natuur er aan banden gelegd is, of in elk geval aan banden gelegd zou kunnen worden, zoals ook alleen een tijger in een kooi onder de categorie mooi valt. Daarbuiten is hij levensgevaarlijk.

De commentatoren van toen, ze hebben de norm geschapen en doordat ze die zo lieflijk hebben vastgelegd - woede incluis: 'God zal ze', gromt Nescio, als hij ziet hoe het dorp Castricum sedert zijn jeugd veranderd is - hebben ze nu al een eeuwlang natuurbehoud boven natuurbeheer gesteld. Ze zijn de predikanten geweest van een nadere reformatie in het denken over de natuur en de industrialisatie, ze hebben van verandering vernietiging gemaakt en de schuld gepredikt waarvan het besef tot boete leidt. Nu, een eeuw later, is de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten een godsdienstige beweging geworden die de schuld vakkundig weet om te zetten in aflaten, en Greenpeace werd, zoals dat gaat met religieuze bewegingen, er de sektarische en fundamentalistische afsplitsing van. Wie gelooft dat het tijdperk van de ideologieën ten einde is, heeft de campagne tegen IJburg en de persberichten van Greenpeace gemist.

'God zal ze': Willem van Toorn gromt het Nescio na in zijn reeks pleitreden voor het behoud van het negentiende-eeuwse en voor-negentiende-eeuwse cultuurlandschap, die onder de mooie titel Leesbaar landschap verschenen. Van Toorn is gehecht aan dat cultuurlandschap - en soms ook aan de veilig gewaande samenleving die daarbij hoorde. Hij rijdt door het rivierenland dat het land van zijn voorvaderen is, en hij ontsteekt in barre woede over wat Rijkswaterstaat daar uithaalt met een historisch gevormd landschap.

Het gaat me er nu niet om of die acties van de mannen van Rijkswaterstaat zo zindelijk zijn, maar waar Van Toorn staat in het beheer van dat cultuurlandschap. Dat het hem dierbaar is, is even duidelijk als sympathiek. Zijn inventarisatie van het Noord-Hollandse landschap in de literatuur en zijn pleidooi voor de geheugenfunctie van het landschap - mogen wij, nu we ons zozeer afsnijden van onze wortels, althans in het landschap blijven kunnen zien waar wij vandaan gekomen zijn? - mogen er zijn. Ze zijn uit liefde geschreven en alle liefde is aanstekelijk.

Maar als we nu tegelijkertijd inzien dat de stadsuitbreidingen en de woekeringen van de dorpen, de toegenomen mobiliteit en de eveneens toegenomen behoefte aan mobiliteit, samen met de toegenomen hoeveelheid vrije tijd en de daarmee gepaard gaande behoefte aan recreatie, ons dwingen naast natuurbehoud ook aan natuurbeheer te gaan doen, moeten we dan soms het bord niet uitvegen en opnieuw beginnen?

De informanten van Tracy Metz doen dat en in Nieuwe natuur schrijft zij het resultaat van haar onderzoek op. Licht ironisch van verbazing, dat wel, want ze groeide op in de Verenigde Staten en daar heb je het over iets anders als je het over natuur hebt. Ook als je het over natuurbeheer hebt trouwens. Wat we ermee moeten, met de doorgestoken duinen bij Schoorl die tot de Parnassia-vallei leiden, of de aan zijn lot overgelaten Millingerwaard bij Nijmegen, Metz weet het niet. De paradox is haar te zwaar: zo goed kunnen vechten tegen het water dat je het weer zijn gang kunt laten gaan. Nederlands omgang met de natuur is geperverteerd.

IN Oorden van onthouding komen ze allemaal aan het woord, de makers van dat nieuwe landschap. Het zijn de ingenieurs en idealisten die werken aan wat in regeringsjargon de Ecologische Hoofdstructuur heet. Ze leggen zich toe op de ontwikkeling van natuur in Nederland. Natuur is voor tevredenen of legen, zegt het veel geplaagde citaat van de dichter Bloem - en tevreden zijn we zeker, leeg vaak ook - maar nu de natuur, om een andere dichter aan te halen, vooral de lege ruimte tussen twee steden in geworden is, is het zaak uit te dokteren wat je ermee kunt doen.

Afblijven en de natuur haar gang laten gaan? In Oorden van onthouding, zonder concurrentie het leukste boek over dit onderwerp tijdens deze Boekenweek, komt een stoet wildebrassen aan het woord. Zij zijn de woordvoerders van een andere generatie: de scharrelkip is voor hen geen verworvenheid, maar een recht. En dus kakelen zij door elkaar heen en spreken zij elkaar binnen het bestek van een boek zelfs tegen.

Dat is een kostelijk gezicht. Het maakt de omgang met de natuur en het landschap bespreekbaar, los van behoudzucht, hoe rechtmatig die tegen het geweld van de oprukkende bebouwing van Nederland soms ook is. In Oorden van onthouding vindt de omkering van alle waarden plaats door een stel vrije geesten.

Dichters zijn het, welbeschouwd. 'Ik neem mijn fiets en rijd de wegen over', zegt die oude dichter. 'De smalle wegen van dit brede land.' En: 'Diep in mijn hart voel ik een hechte band/ die mij verbindt met deze nuchtere streken'. De schrijvers van Oorden van onthouding hebben die band stellig ook gevoeld en getuigen ervan - en, net als de dichter, zijn zij erover gaan dromen.

Michaël Zeeman

Geert Mak: Het ontsnapte land.

Stichting CPNB; 56 pagina's; ¿ 4,95.

ISBN 90 74336 40 X.

Tracy Metz: Nieuwe natuur - Reportages over veranderend landschap.

Ambo; 216 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 263 1515 5.

Willem van Toorn: Leesbaar landschap.

Querido; 133 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 214 8433 1.

Auke van der Woud: Het lege land - De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848.

Contact; 686 pagina's; ¿ 45,-.

ISBN 90 254 1681 0.

Fred Feddes en anderen (redactie): Oorden van onthouding - Nieuwe natuur in verstedelijkend Nederland.

NAi; 255 pagina's; ¿ 65,-.

ISBN 90 5662 066 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden