Aan boord, Willem Frederik Piek, ca. 1892 - ca. 1893

Interview Matti Boom

#Herkenbaar? Hoe de eerste ‘Instagrammers’ in de 19de eeuw al snapshots en selfies maakten

Aan boord, Willem Frederik Piek, ca. 1892 - ca. 1893 Beeld Rijksmuseum

Rond 1890 ontdekten welgestelde amateurs de fotografie. In feite waren zij de eerste Instagrammers, zegt Mattie Boom, die op het onderwerp promoveerde. De 19de-eeuwers experimenteerden met de techniek, reisden de wereld over en zagen hun foto’s als statussymbool. 

Sta je toch zomaar op een druilerige februarimiddag naar de bakermat van de moderne fotografie te kijken. In een vitrine in het Rijksmuseum in Amsterdam ligt een kleine ronde zwart-witfoto, afkomstig uit een Amsterdams familiealbum uit het einde van de 19de eeuw. Er staan drie jonge mannen op, die lollig doen aan boord van een schip. Hun lijven ogen bewogen, want de fotograaf legde ze vast op het moment dat ze ergens van af sprongen en landden op het dek. De voorste twee jongens raken net met hun voeten de vloer, de derde hangt nog lachend in de lucht. Aan de maker van de foto ging geen briljante fotograaf verloren; het gezicht van de voorste springer verdwijnt achter het grote houten stuurwiel op de voorgrond, en boven zweeft iets hinderlijks in beeld – maar, daar gaat het niet om. Het gaat om de dynamiek van de foto: dat er leven in zit.

Verdraaid, dacht Mattie Boom, conservator fotografie bij het Rijksmuseum, toen ze de foto voor het eerst zag. ‘Dit is een beeldtaal die wij ook kennen en gebruiken. Zo beweeglijk en vrij, bijna snapshot-achtig.’

En ja, kijk ernaar en het lijkt of die 19de-eeuwse jongens niet alleen een sprong op het dek maken, maar ook een sprong in de tijd. Dit beeld uit 1892 is wat onderwerp en stijl betreft niet ver verwijderd van bijvoorbeeld de grote kleurenfoto’s van de Amerikaanse fotograaf Ryan McGinley, die anno nu het alledaagse vrijbuitersleven van zijn vrienden vastlegt. En ook niet van de snelle foto die je vorige week nog maakte van je eigen kinderen die lachend van een zandheuvel af komen rennen. De herkenbaarheid van dit ronde fotootje is zo groot dat je als hedendaagse kijker geen enkele moeite hebt om je te verplaatsen – noch in de jongens, noch in de fotograaf. Dit is waar de moderne fotografie begon.

Missing link

Die in Nederland althans. In 2017 promoveerde Boom op de opkomst van de Nederlandse amateurfotografie tussen 1880 en 1910. Ze bestudeerde tientallen, veelal anonieme fotoalbums, bewaard in de collectie van het Rijksmuseum en in (stads)archieven, en probeerde te achterhalen wie die albums hadden gemaakt en hoe de fotografiewereld hier destijds in elkaar zat. De ‘missing link’ noemt Boom deze periode: nooit goed onderzocht en een beetje weggestopt tussen de eerste vijftig jaar van het in 1839 uitgevonden medium, waarin foto’s veel statiger en statischer waren, en het joyeuze modernisme dat grofweg in de jaren twintig van de 20ste eeuw begon, aangejaagd door fotografen als Man Ray en Germaine Krull. Op papier misschien niet zo’n spannende tijd, maar Boom ontdekte dat juist dit de jaren waren waarin een grote nieuwe groep amateurfotografen zijn intrede deed: jong, bemiddeld en zeer ontvankelijk voor de nieuwste technologische snufjes. Bovendien kwam Boom erachter hoeveel overeenkomsten er zijn tussen de fotografie van toen en die van nu.

Koningin Wilhelmina (1880-1962), Eemdijk en Spakenburg, 1902- 1903. Koninklijke Verzamelingen, Den Haag. Beeld RV

Op de tentoonstelling Iedereen fotografeert zijn die gelijkenissen duidelijk aanwijsbaar. De expositie, die een iets langere tijdsspanne belicht dan Booms proefschrift (van 1880 tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog), is vanaf vandaag te zien in de twee fotografietoonzalen van de Philipsvleugel in het Rijksmuseum. De conservator leidt rond langs vitrines met oude albums, waaronder dat van koningin Wilhelmina (zie boven), en staat stil bij zes parallellen tussen de fotografie van ruim een eeuw geleden en die van vandaag.

Iedereen fotografeert met fototoestellen der Mij. Guy de Coral & Co. Amsterdam Rokin 109, Johann Georg van Caspel, 1901 Beeld Rijksmuseum

Iedereen fotografeert

Kinderen, oude mensen, mannen, vrouwen – allemaal hebben ze een fototoestel in handen op deze poster uit 1901 van de Amsterdamse fotohandelaar Guy de Coral. Dat was in die tijd nog wel een beetje wensdenken: pas na de Tweede Wereldoorlog werd fotografie écht een massamedium. Toch was aan het einde van de 19de eeuw het aantal Nederlanders (let wel: Nederlanders uit de hogere kringen) met een camera hard gegroeid. Mattie Boom dreunt het rijtje uit haar hoofd op: ‘Rond 1890 waren er duizend mensen met een fototoestel, in 1895 waren het er al vijfduizend. In 1898 kochten veel mensen een camera om de inhuldiging van koningin Wilhelmina vast te leggen; toen waren het er 15 duizend. En na 1900 ging het nog veel harder.’ Op een viertal anonieme strandfoto’s uit 1900 zitten jonge mensen over hun camera’s gebogen, als scrolden ze langs net gemaakte foto’s op hun telefoons.

De fotografie ontwikkelde zich in die jaren tot een grootindustrie. De Amerikaan George Eastman, grondlegger van Kodak, legde in een razend tempo de basis voor de wereldwijde verspreiding van de fotografie. Net als mobiele telefoons werden camera’s kleiner en handzamer. Er was sprake van felle onderlinge concurrentie, waardoor technologische innovaties elkaar snel opvolgden. Bram Loman Jr., door Boom aangeduid als een ‘slimme jonge stedeling die een handige start-up opzette’, bouwde in 1889, hij was toen 19, de Amsterdamse reflexcamera, de voorloper van de spiegelreflexcamera zoals we die nu nog steeds kennen.

Fotograferen werd steeds makkelijker. Door de introductie van droge platen, die onderweg in cassettes konden worden bewaard, kon de camera overal mee naar toe. Naar het strand, op de fiets, naar verjaardagen – het fototoestel werd de chroniqueur van het dagelijks leven. Kinderen werden geboren, groeiden op, gingen trouwen en alles werd vastgelegd. ‘Het had zeker een sociale functie’, zegt Boom. ‘Je hoorde er pas bij wanneer je een camera had en middels fotoalbums kon laten zien wie je was en wat je allemaal deed.’ Het 19de-eeuwse fotoalbum als voorloper van onze Instagrampagina’s. Hier begon de beeldenstroom.

Maurits Binger: Groepsportret van leden van de AFV Amsterdam, Haarlem, Gelderland, 1893 Beeld Rijksmuseum

 Fotografieverenigingen 

Al die nieuwe amateurfotografen (‘doe-het-zelvers’, in de woorden van Boom) waren over het algemeen jonger en avontuurlijker dan toe nu toe steeds gedacht. ‘Het waren geen bedaagde heren met bolhoeden. Het waren juist jonge mannen en ook vrouwen van goede komaf. Ze fietsten met die camera’s door heel Nederland, waren lid van de ANWB én van diverse fotografieverenigingen.’ Toegegeven, de groep op de hier afgebeelde foto uit 1893 met onder meer leden van de Amateur-Fotografen Vereeniging uit Amsterdam, Haarlem en Gelderland ziet er nog best deftig uit, en weinig divers. Maar dit was al een groot verschil met de rokende en elkaar op de schouders slaande bejaarde fotografen uit de decennia daarvoor, die fotografeerden volgens strenge regels en verheven artistieke aspiraties hadden.

De nieuwe verenigingsfotografen waren dynamischer en dachten commerciëler; ze deden uitvindingen en openden winkels met fotografiebenodigdheden in de grote steden. Boom vond hen op de leerlingenlijsten van openbare handelsscholen. ‘Het onderwijs bood allerlei mogelijkheden voor jongens die geïnteresseerd waren in gadgets en technieken.’ Ze kwamen in clubverband bij elkaar, bespraken de nieuwste technologische ontwikkelingen en wat je ermee kon. Vergelijk het met de InstaMeets van vandaag: fotografiebijeenkomsten voor jonge mensen (het liefst influencers met een eigen blog of YouTube-kanaal), dikwijls georganiseerd door cameramerken.

Henry Pauw van Wieldrecht: Zelfportret met zelfontspanner, 1888 Beeld Rijksmuseum

Selfie

Menig museummarketeer dacht er de afgelopen jaren mee weg te kunnen komen: de popi-jopi-bewering dat 17de-eeuwse, geschilderde zelfportretten eigenlijk de eerste selfies waren. Terwijl elke kleuter kan zien dat die vergelijking niet klopt. De enige kunstvorm die aansprak mag maken op de fijne directe lijn van vroeger naar nu die de selfie biedt, is de fotografie zelf. En hier ziet u dus écht een van de eerste Nederlandse selfies, in 1888 gemaakt door Henry Pauw van Wieldrecht. Die lag met zijn broer, zijn zus en zijn schoonzus in de tuin van zijn (ouderlijk) huis en hield de draadontspanner in zijn rechterhand. Klik: selfie. Dat is heel wat anders dan jezelf naschilderen in de spiegel, hoe mooi ook.

Caroline (Loen) Onnen: silhouetten uit fotoalbum 1914-1915 Beeld Rijksmuseum

Clichés

Aan de muur in het Rijksmuseum hangt een pagina uit het fotoalbum van Caroline (Loen) Onnen. Zij begon in 1914 uitgebreid te experimenteren met silhouetfoto’s. Ze groepeerde mensen in expressieve houdingen en tegen een lichte achtergrond voor de camera – hoe radicaal en grensverleggend en modern. Toch? ‘Nou…’, zegt Mattie Boom met een glimlachje. ‘Zo experimenteel was dat niet, hoor.’ Het is heel waarschijnlijk dat Caroline Onnen haar moderne ideeën had opgedaan uit How To Make Good Pictures, een instructieboekje met tips, uitgegeven door Kodak. Het was speels en anders om zo te fotograferen, maar vernieuwend? Mwah. Waarschijnlijk kun je in andere albums uit die tijd vergelijkbare silhouetfoto’s vinden. Trouwens: die vind je nog altijd. Kijk maar op Instagram onder hashtag silhouet of hashtag sunset: de clichés van toen bestaan nu nog.

Uit het Piek-album: pagina met trip naar Venetië, 1892 Beeld Rijksmuseum

 De fotograaf als middelpunt van de aarde

Goed dan, maar dít zal in de 19de eeuw toch nog niet hebben bestaan: de drang om jezelf of anderen mooi op de kiek te zetten tegen de achtergrond van een toeristische trekpleister? Het verlangen om te concurreren met de Eiffeltoren of de Niagara-watervallen, het blokkeren van het zicht op een architectonisch wereldwonder met je eigen grijns of duckface? Boom wijst op een pagina uit het Kodakalbum Scraps van de Amsterdamse familie Piek uit 1892, hetzelfde album waar de foto met de springende jongens in staat. ‘Dat deden ze toen ook, hoor. Kijk: de familie in Venetië, ouders op de gondel. Zie je iets van de omgeving? Misschien voeren ze wel net onder de Brug der Zuchten door, maar het ging natuurlijk helemaal niet om die brug. Het ging erom dat je op die foto’s liet zien dat je op reis was.’

Théodore van Leleyveld: Groep met Saramaccan Marrons, Mahokreek, Suriname, 19 oktober 1895 Beeld Rijksmuseum

De amateur als professional

Eind januari liet een groot deel van de Nederlandse fotojournalisten een dag de camera liggen uit onvrede over de lage tarieven en het gebrek aan waardering voor hun werk. Het vak sterft uit, vinden ze; iedereen met een telefoon die zich toevallig op de juiste tijd op de juiste plek bevindt, kan een nieuwswaardige foto maken en daar geld mee verdienen. Opmerkelijk is dat de fotojournalistiek in de 19de eeuw precies daar begon: bij de amateur. Mensen uit de hogere Nederlandse sociale klasse reisden wat af in die tijd, als handelaren, bankiers, civiele ingenieurs, et cetera. En allemaal hadden ze uiteraard een camera bij zich. Zo kwam de dertiger Théodore van Lelyveld terecht in Suriname, als assistent van de Nederlandse gouverneur in Paramaribo. Hij legde er tijdens zijn reizen als een volleerd antropoloog de verschillende bevolkingsgroepen vast. En diplomaat Theodoor Herman de Meester reisde in 1912 naar het toenmalige Peking, waar hij stuitte op rellen en een lynchpartij, waarvan hij de gruwelijke afloop koelbloedig en van heel dichtbij in beeld bracht.

‘Kranten en tijdschriften als Eigen Haard betrokken dit soort nieuwsbeelden van amateurfotografen,’ zegt Boom. ‘De professionele fotojournalist bestond toen nog nauwelijks, pas later gingen fotografen zich daarin specialiseren en ontwikkelde het vak zich. En ja, dán gaan amateurbeelden natuurlijk een bedreiging vormen.’

Iedereen fotografeert. T/m 10/06 in het Rijksmuseum, Amsterdam. Publicatie (Engelstalig) 39,95 euro.

Kiekjes of kunst?

Dat veel van de moderne, 20ste-eeuwse fotografie, het soort dat je prachtig uitgelicht en ingelijst terugvindt in de grote museumcollecties, haar oorsprong heeft in de onbekend gebleven, 19de-eeuwse privé-albums, is geen vergezochte stelling. Kijk naar het ragfijne zwart-wit portret dat oliehandelaar Henk ter Keurs in 1936 in Venezuela maakte van een man in een wit pak, sigaretje in de hand, doordringende blik. ‘Vorige week fopte ik mijn stagiair nog’, zegt Boom, ‘door te beweren dat dit een vroege Walker Evans was. Zijn boek over Cuba uit 1933 – dit portret had er zo tussen kunnen staan.’

Een ander mooi voorbeeld, zij het iets later in de tijd, zijn de fotoalbums van Eva Pennink. In de jaren dertig van de 20ste eeuw combineerde zij haar zelfgemaakte foto’s met reclameleuzen en uitgeknipte teksten tot speelse, ironische en feministische collages. Precies zoals de Amerikaanse kunstenaar Martha Rosler dat veertig jaar later zou gaan doen. Die werd daar wereldberoemd mee, terwijl de albums van Pennink onbekend bleven bij het grote publiek. Waarom de ene naam terugkomt in het museum en je de andere bij wijze van spreken aantreft op de vlooienmarkt – Mattie Boom weet niet hoe dat komt. Wat ze wel weet, is dat haar onderzoek nog lang niet klaar is. De amateurfotografie gaat nog een hoop verborgen schatten opleveren.

Wilhelmina, Kodak Girl

Vrouwen waren vanaf het begin een belangrijke doelgroep voor de fotografie-industrie aan het eind van de 19de eeuw. George Eastmann, de oprichter van Kodak, bedacht zelfs een reclamecampagne die volledig gericht was op vrouwen: de Kodak Girl, een elegante verschijning die met haar handzame camera liefdevol haar gezinsleven vastlegde. Nederland kende ook veel jonge, hoogopgeleide vrouwen die graag fotografeerden. Het bekendste voorbeeld? Koningin Wilhelmina. Die plakte als twintiger enthousiast fotoalbums vol met kiekjes die ze maakte tijdens diverse uitstapjes, naar Spakenburg bijvoorbeeld, waar ze mensen in klederdracht vastlegde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.